De grote verschillen tussen de postzegelprijs voor consumenten en op de zakelijke markt |
|
Bart de Liefde (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u ook opgemerkt dat met de verhoging van de postzegelprijs naar 73 cent in 2016, terwijl het versturen van een brief op de zakelijke markt voor 13 cent mogelijk is, het verschil tussen het versturen van een brief door een consument of kleine ondernemer via de universele postdienst (UPD) en het versturen van een brief via de zakelijke markt tot wel 60 cent gaat bedragen? Wat vindt u van dat hele grote prijsverschil?
Ik ben op de hoogte van het feit dat voor het versturen van een brief op de zakelijke markt andere prijzen worden gevraagd dan voor het versturen van een brief via de universele postdienst (UPD). Op de zakelijke markt is sprake van een tariefdifferentiatie tot 69 cent. Het gehanteerde tarief op de zakelijke markt is onder meer afhankelijk van het verschil in grootte van de opdracht en de door de postvervoerder geleverde diensten. Bij de UPD is daarentegen sprake van een vaste postzegelprijs, die gekoppeld is aan de vaste kosten die het verlenen van de UPD met zich meebrengt.
Tussen de UPD en de zakelijke markt zitten verschillen in kosten, waar een aantal verklaringen voor is:
Deelt u de mening dat het versturen van een brief binnen de UPD veel overeenkomsten heeft met het versturen van een brief via de zakelijke markt? Zo nee, waarom niet? Deelt u het standpunt dat er wat betreft sortering en bezorging geen noemenswaardige verschillen zijn tussen de UPD en de zakelijke markt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan het verschil van tot wel 60 cent per poststuk tussen de UPD en de zakelijke markt volgens u worden verklaard? Dat verschil kan toch niet alleen verklaard worden door de wijze van collecteren? Zo ja, waaruit blijkt dat?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw mening over het feit dat de prijs van de reguliere postzegel de afgelopen jaren tientallen procenten is gestegen en de tarieven van PostNL voor zakelijke 72 uurspost de afgelopen jaren zijn gedaald? Vindt u het ook opvallend dat daardoor het verschil in kosten tussen het versturen van een zakelijke brief en een brief binnen de UPD meer dan verdubbeld is sinds 2010? Zo nee, waarom niet? Kunt u dit grote verschil uitleggen aan de consument die tientallen procenten meer moet betalen voor het kaartje naar oma of de brief naar een stille liefde? Zo ja, wat zegt u dan?
Het verschil in kosten vloeit met name voort uit het uitgebreide netwerk dat PostNL als UPD-verlener wettelijk verplicht in stand moet houden. In mijn brieven van 27 maart en 3 juni 2013 (Kamerstukken II 2012/13 29 502 nr. 109 en 110) heb ik uw Kamer geïnformeerd dat nadere maatregelen noodzakelijk zijn om de UPD in stand te kunnen houden. Vanwege de geldende UPD verplichtingen aan de ene kant en de structurele en toenemende volumedalingen aan de andere kant, is de kostendekkendheid van de UPD de laatste jaren onder druk komen te staan. Hierdoor zijn tariefstijgingen binnen de UPD onvermijdelijk gebleken. De ACM heeft recentelijk de kosten van de UPD getoetst en is tot het oordeel gekomen dat het huidige tarief inderdaad gebaseerd is op de daadwerkelijke kosten van de UPD.
Bent u bereid de Autoriteit Consument & Markt (ACM) te verzoeken of opdracht te geven een marktanalyse van de zakelijke 72 uursmarkt te laten uitvoeren, om daarmee duidelijkheid te krijgen over onder meer de prijsopbouw en kostenstructuren in die markt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, binnen welke termijn kan die marktanalyse uitgevoerd worden?
Het is aan de ACM als onafhankelijk toezichthouder op de postmarkt om te bepalen van welke relevante markten sprake is en welke marktanalyses worden uitgevoerd. Momenteel voert de ACM een marktanalyse op de zakelijke 24-uurs markt uit. Ik heb begrepen dat de ACM daarnaast op verzoek van marktpartij(en) momenteel onderzoekt of er valide redenen zijn om op de 72-uurs markt een marktanalyse te starten.
De Berkelse ondernemer die schade heeft geleden als gevolg van nalatig handelen van het Openbaar Ministerie |
|
Michiel van Nispen |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat een ondernemer schade heeft geleden door nalatig handelen van het Openbaar Ministerie?1
Ik heb kennis genomen van het artikel. Het College van procureurs-generaal heeft mij bericht dat deze zaak bekend is en dat er aanleiding bestond het verzoek om schadevergoeding af te wijzen. Omwille van de privacy van betrokken personen doe ik verder geen inhoudelijke uitlatingen over deze individuele zaak.
Komt het vaker voor dat voor de opsporing gebruik wordt gemaakt van de administratie en apparatuur van een derde? Welke procedure hanteert het Openbaar Ministerie bij het lenen en teruggeven van apparatuur en administratie indien het onderzoek is afgerond?
De mogelijkheid bestaat om, met het oog op de waarheidsvinding, apparatuur of gegevensdragers in beslag te nemen. Dat kan ook bij derden gebeuren en dan gelden de gebruikelijke regels en procedures rondom strafvorderlijk beslag. Gebruikelijk is echter dat bewijsmateriaal dat aangedragen wordt door een aangever wordt veiliggesteld (door middel van een forensische kopie), zodat de gegevensdragers inclusief de originele bestanden ter beschikking van de eigenaar kunnen blijven.
Waarom is de administratie en apparatuur van betreffende ondernemer niet teruggegeven?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het Openbaar Ministerie schade en eventuele gevolgschade dient te vergoeden als administratie en apparatuur ten onrechte niet worden teruggegeven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is er in betreffende zaak ondernomen om de Berkelse ondernemer tegemoet te komen in de door hem geleden schade?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verklaart u dat het Openbaar Ministerie in zijn brief d.d. 25 mei 2011 aangeeft dat de administratie verloren is gegaan en er zal worden bezien of een schadevergoeding kan worden toegekend, terwijl het Openbaar Ministerie in zijn brief d.d. 20 juli 2011 stelt dat de administratie door een omissie verloren is gegaan en er daarom niet tot een schadevergoeding wordt overgegaan? Waarom wordt niet tot schadevergoeding overgegaan terwijl toegegeven is dat het Openbaar Ministerie nalatig heeft gehandeld?
Zie antwoord vraag 1.
De subsidieregeling van OP Zuid |
|
Martijn van Helvert (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u de subsidieregeling van OP Zuid (operationeel programma Zuid-Nederland)?1
Ja, het betreft een uitwerking van het operationeel EFRO-programma Zuid-Nederland 2014–2020 waarvoor de provincie Noord-Brabant (Managementautoriteit) primair verantwoordelijk is.
Bent u op de hoogte van het feit dat, voorafgaand aan de inschrijving, is aangegeven dat inschrijvers reeds mochten starten met het project, hetgeen geen obstakel zou vormen voor toekenning van de subsidie?2
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat de voorwaarden voor de subsidie na de sluitingstermijn alsnog zijn aangepast?3
Ik ben op de hoogte van het feit dat de toelichting bij de subsidieregeling op het punt van stimulerend effect is aangepast.
Wat is de reden van de aanpassing van de voorwaarden en in hoeverre is uw ministerie betrokken geweest bij de opzet en/of de wijziging van de voorwaarden voor onderhavige subsidieregeling?
Binnen het kader van de Europese (EFRO) verordening en nationale (EFRO) uitvoeringsregelgeving ligt de verantwoordelijkheid voor de opstelling en uitvoering van de subsidieregeling bij de provincie, die daarbij onder meer de algemene subsidievereisten en de Europese staatssteunregels in acht moet nemen.
Aan mijn ministerie is gevraagd hoe artikel 6 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (hierna: AGVV) – het Europese steunkader waarin de vereisten staan die bij de verstrekking van subsidie op grond van deze subsidieregeling in acht moeten worden genomen – moet worden geïnterpreteerd. Krachtens artikel 6 van de AGVV zijn de vrijstellingen uit die verordening slechts van toepassing op steun die een stimulerend effect heeft. Er is sprake van stimulerend effect wanneer de begunstigde van de steun een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend, vóórdat de werkzaamheden aan het project of de activiteit aanvangen. Dit om te waarborgen dat de steun noodzakelijk is en als prikkel fungeert om activiteiten of projecten verder te ontwikkelen. De AGVV geldt niet voor activiteiten of projecten waartoe de begunstigde hoe dan ook, zelfs zonder de steun, zelf zou zijn overgegaan.
De Managementautoriteit had de regels zo geïnterpreteerd dat er ook sprake kan zijn van stimulerend effect als de schriftelijke steunaanvraag wordt ingediend nadatde werkzaamheden aan het project of de activiteiten waren aangevangen.
Voor de juiste interpretatie van het begrip stimulerend effect hebben mijn medewerkers de Managementautoriteit gewezen op de uitleg die de Europese Commissie geeft in onder meer de AGVV.
In hoeverre is er, bij het wijzigen van de voorwaarden, rekening mee gehouden dat bedrijven veel tijd en geld hebben gestoken in aanvragen die achteraf gezien geen kans maken?
De Managementautoriteit heeft mij laten weten op dit punt een afweging te hebben moeten maken. De Managementautoriteit is gehouden om de staatssteunregels op correcte wijze toe te passen. In de afweging woog zwaar mee dat bij het niet volgen van de juiste interpretatie, er projecten onrechtmatig gesubsidieerd zouden worden. Dit zou bij controles gevolgen kunnen hebben voor het gehele programma en bedrijven lopen daarbij het risico dat zij onrechtmatig verleende staatssteun moeten terugbetalen. Overigens is de AGVV ook door bedrijven zelf te raadplegen via bijvoorbeeld de website van de Europese Commissie.
Deelt u de vrees dat een dergelijke aanpassing achteraf, bedrijven in de toekomst zou kunnen ontmoedigen te innoveren?
Ik kan niet beoordelen of een dergelijke aanpassing van invloed is op de toekomstige bereidheid van bedrijven om te innoveren.
Deelt u de mening dat de overheid, door achteraf de spelregels te wijzigen, zich geen betrouwbare overheid heeft getoond? Hadden de bedrijven er terecht op moeten kunnen vertrouwen dat de vooraf aangegeven voorwaarden ook achteraf zouden gelden?
Op de vraag of de bedrijven er terecht op moeten kunnen vertrouwen dat de vooraf aangegeven voorwaarden ook achteraf zouden gelden, zal allereerst een standpunt moeten worden ingenomen door het betreffende bestuursorgaan. Van de beslissing op bezwaar kan in beroep worden gegaan bij de rechter die naar verwachting ook het staatssteunrecht hierbij zal betrekken.
Hoeveel ondernemingen (of clusters van bedrijven) hebben zich voor deze regeling in april 2015 ingeschreven? Hoeveel zijn er toegewezen? Hoeveel zijn er afgewezen?
Op basis van informatie die door de Managementautoriteit is verstrekt, blijkt dat in totaal 103 in behandeling zijn genomen. Hiervan zijn 36 aanvragen toegewezen en 67 aanvragen zijn afgewezen. Daarnaast zijn 8 ingediende aanvragen wegens onvolledigheid van de aanvraag niet in behandeling genomen.
Hoeveel aanvragen zijn afgewezen om reden van het achteraf alsnog niet voldoen aan de voorwaarde dat, voorafgaande aan de aanvraag, nog niet was aangevangen met het proces?
De Managementautoriteit heeft aangegeven dat het in totaal 8 aanvragen betreft. Dit zijn overigens niet de aanvragen die wegens onvolledigheid niet in behandeling zijn genomen (zie antwoord op vraag 8).
Hoeveel geld zit nog in deze subsidiepot?
De Managementautoriteit heeft mij laten weten dat er nog € 1,92 miljoen beschikbaar is.
In hoeverre bent u bereid om de aanpassing van de voorwaarde achteraf terug te draaien?
Aangezien het gaat om het in acht nemen van de Europese staatssteunregels zie ik daartoe geen mogelijkheid.
Het bericht dat bank geen zicht had op klant met verhoogd risicoprofiel |
|
Arnold Merkies |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel: Bank had geen zicht op klant met «verhoogd risicoprofiel»?1
Ja.
Bij 21 van de 26 door de Dubai Financial Services Authority (DFSA) onderzochte dossiers bleek ABN AMRO niet te weten waar de rijkdommen van klanten vandaan kwamen; was u ervan op de hoogte dat zaken stelselmatig misgingen bij ABN AMRO Dubai?
Uit de ingestelde onderzoeken is inderdaad gebleken dat binnen kantoor Dubai sprake was van tekortkomingen bij de uitvoering van geldende regels en procedures, onder meer met betrekking tot de herkomst van vermogen en transactiemonitoring. Tevens is inderdaad gebleken dat binnen kantoor Dubai sprake was van enkele ongedateerde blanco handelsformulieren, hetgeen in strijd is met de geldende interne regels. Het ging hierbij om een beperkt aantal formulieren voor drie klanten. Uit deze onderzoeken zijn geen concrete aanwijzingen voor stelselmatige misstanden gekomen. Over de uitkomsten van de door DNB en DFSA ingestelde onderzoeken en de inmiddels door de bank zelf getroffen verbetermaatregelen heb ik u op 3 november jl. geïnformeerd.
Was u ervan op de hoogte dat een vervolgonderzoek door de bank, naar de herkomst van het vermogen van de klanten bij ABN AMRO Dubai in veel gevallen uitbleef?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat men bij ABN AMRO Dubai alarmsignalen over ongebruikelijke transacties onder het kleed probeerde te vegen, in sommige gevallen met «valse informatie?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op het feit dat ten minste twee «politically exposed persons» deel bleken uit te maken van het klantenbestand van ABN AMRO?
Politiek prominente personen (ook wel politically exposed persons of PEPs) kunnen klant zijn van een bank. Dat is niet verboden. Het is wel zo dat PEPs die niet in Nederland wonen of niet de Nederlandse nationaliteit hebben, ingevolge de Nederlandse anti-witwasregelgeving, worden gezien als hoger risico. Dat betekent dat een bank verscherpt cliëntenonderzoek moet verrichten. Uit informatie van ABN AMRO blijkt dat de bank dit ook doet. Dit verscherpt cliëntenonderzoek houdt onder meer in dat de beslissing tot het aangaan van de cliëntrelatie met de PEP expliciet wordt goedgekeurd door personen die daartoe door de instelling zijn gemachtigd, dat op risico gebaseerde en adequate maatregelen worden getroffen om de bron van het vermogen van de PEP en de fondsen die bij de zakelijke relatie of de transactie gebruikt worden vast te stellen, en dat doorlopend controle wordt uitgeoefend op de zakelijke relatie met de PEP. Zoals ABN AMRO in haar brief van 3 november jl heeft toegelicht, heeft de bank inmiddels diverse verbetermaatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat kantoor Dubai voortaan de geldende regels en procedures adequaat naleeft.
Is De Nederlandsche Bank (DNB) op de hoogte om welke personen het gaat?
Ja.
Kunt u met zekerheid zeggen dat er nu geen «politically exposed persons» meer zijn die deel uitmaken van het klantenbestand van ABN AMRO?
Het is ABN AMRO niet toegestaan om informatie over specifieke klanten te verstrekken.
Wat vindt u van de, klaarblijkelijk, stelselmatige wanpraktijken bij ABN AMRO Dubai waarbij ongedateerde blanco handelsformulieren vooraf alvast waren voorzien van alle benodigde goedkeurende handtekeningen ten behoeve van cliënten van het ABN AMRO-kantoor in Dubai?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u dat er slechts sprake was van incidenten en onregelmatigheden of was er wel degelijk sprake van stelselmatige praktijken?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom maakt DNB niet net als de toezichthouder van Dubai het boetebesluit openbaar? Kan DNB het binnen de wettelijke mogelijkheden wel openbaar maken indien zij daarvoor zou kiezen?
Bent u bereid zich ervoor in te zetten dat het boetebesluit openbaar wordt gemaakt?
De vierde anti-witwasrichtlijn bevat bepalingen omtrent de openbaarmaking van boetebesluiten. Deze richtlijn moet per juni 2017 zijn omgezet in nationaal recht. Het kabinet maakt zich er sterk voor om die omzetting op tijd te realiseren. Tot die tijd geldt de Wwft in zijn huidige vorm en worden boetebesluiten op grond van de Wwft niet openbaar gemaakt.
Het terugvorderen van ten onrechte verleende belastingvoordelen bij sjoemelende autofabrikanten |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht dat de fraude van Volkswagen met benzinemotoren mogelijk ook gevolgen heeft voor Nederland?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja. De berichtgeving vanuit Volkswagen omtrent geconstateerde onregelmatigheden met CO2-emissiecijfers baart mij zorgen. Het is van groot belang dat alle relevante feiten zo snel mogelijk op tafel komen.
Klopt het dat u bij Nieuwsuur2 aangaf dat de problemen bij Volkswagen betrekking hadden op de emissies van stikstofoxides, dat dit losstaat van de in Nederland geboden fiscale voordelen, omdat die gericht zijn op brandstofverbruik casu quo koolstofdioxide (CO2) en dat het op dat moment te vroeg was om conclusies te trekken over het terugvorderen van belastingvoordelen bij Volkswagen? Zo ja, kunt u aangeven of de nieuwste onthullingen uw standpunt zoals u in Nieuwsuur verwoordde veranderen? Zo nee, wat is er wel nodig om uit te spreken dat de Nederlandse staat in geval van fraude onterecht verleende belastingvoordelen terugvordert bij autofabrikanten?
De eerder gesignaleerde fraude met betrekking tot NOx-emissies bestond eruit dat software wordt toegepast die precies detecteert wanneer met het voertuig een emissietest in een laboratorium wordt uitgevoerd en wanneer voor normaal gebruik op de openbare weg wordt gereden. De regeling van de motor is vervolgens zodanig dat de NOx-emissie tijdens een emissietest in het laboratorium aan de verplichte norm voldoet. De diverse fiscale stimuleringsmaatregelen voor zuinige voertuigen met een lage CO2-uitstoot, zoals een lagere BPM en bijtelling, vallen buiten de directe invloedssfeer van fraude met specifiek de NOx-uitstoot van dieselauto’s.
In tegenstelling tot de fraude met specifiek de NOx-uitstoot, kunnen onregelmatigheden in de CO2-emissies wel direct van invloed zijn op verleende belastingvoordelen. Het is van groot belang dat alle relevante feiten zo snel mogelijk op tafel komen. Ik ben daarom een onderzoek gestart naar de mogelijke gevolgen van deze onregelmatigheden voor de belastingheffing. Op dit moment staat mij de volgende informatie ter beschikking. Volkswagen heeft in Europa bij circa 800.000 auto’s uit de Volkswagen Groep onregelmatigheden ontdekt bij het bepalen van de CO2-uitstoot met het oog op de typegoedkeuring. Volkswagen streeft ernaar om zo snel mogelijk de CO2-uitstoot van de relevante auto’s te herclassificeren. Op dit moment worden de geconstateerde onregelmatigheden in de CO2-uitstoot onderzocht door Volkswagen in samenspraak met de Duitse typegoedkeuringsinstantie KBA en zullen de CO2-uitstootgegevens waar nodig worden aangepast. De Duitse typegoedkeuringsinstantie KBA houdt toezicht op Volkswagen en is verantwoordelijk voor het onderzoek bij Volkswagen.
De gevolgen voor de specifieke Nederlandse situatie vanwege onregelmatigheden die rechtstreeks ingrijpen op de CO2-uitstoot zoals bepaald bij de Europese typegoedkeuring zullen nader bezien worden. Daarbij zal dan tevens worden gekeken naar de mogelijke en gewenste vervolgstappen met betrekking tot eventueel misgelopen belastinginkomsten. Het is duidelijk dat, mochten er mogelijkheden blijken te zijn voor eventueel schadeverhaal, dit thuishoort bij de veroorzaker van de schade en niet bij de consument. Volkswagen heeft in een brief gericht aan de Minister van Financiën op 6 november jl. laten weten dat de Volkswagen Groep eventuele additionele heffingen als gevolg van een te lage fabrieksopgave voor de CO2-emissies volledig voor zijn rekening zal nemen. Daarbij heeft Volkswagen Groep de competente autoriteiten nadrukkelijk verzocht geen aanvullende claims bij de consumenten neer te leggen. De volgende fiscale regelingen zijn gelet op het voorgaande relevant: een lagere belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM), verlaagde tarieven in de motorrijtuigenbelasting voor auto’s met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 g/km en (de milieukortingen in) de bijtelling ter zake van privégebruik van een auto van de zaak. Verder zal er ook doorwerking naar onder andere de omzetbelasting en de provinciale opcenten zijn. Ook kunnen stimuleringsregelingen zoals de MIA en de VAMIL geraakt worden door eventuele onregelmatigheden in de CO2-emissies. De brief van Volkswagen Groep AG is bijgevoegd.
Kunt u autobezitters en leaserijders die de afgelopen jaren te goeder trouw en met het oog op al dan niet door belastingvoordelen gestimuleerde milieuvoordelen voor Volkswagen hebben gekozen gerust stellen dat de onregelmatigheden in de CO2-emissies bij Volkswagen geen effect hebben op fiscale voordelen die ze genieten?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven hoeveel belastingopbrengsten de Nederlandse staat is misgelopen door onregelmatigheden met CO2-emissiecijfers bij Volkswagen, uitgesplitst naar belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM), Motorrijtuigenbelasting en provinciale opcenten? Kunt u inschatten hoeveel loonbelasting is misgelopen door onterecht verleende verlaagde bijtelling bij leaserijders?
Nee, dat kan ik niet. Op dit moment worden door Volkswagen, in samenspraak met de Duitse typegoedkeuringsinstantie KBA, de onregelmatigheden in de CO2-emissies en de omvang daarvan nader onderzocht. Vooralsnog is onvoldoende informatie beschikbaar om te beoordelen welke consequenties dit voor Nederland kan hebben.
Bent u voornemens om de misgelopen belastingopbrengsten bij sjoemelende autofabrikanten in rekening te brengen als blijkt dat deze autofabrikanten ook bij CO2-emissies hebben gesjoemeld? Zo ja, welke fiscale regelingen komen hiervoor in aanmerking? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De handelspraktijken van incassobureaus |
|
Michiel van Nispen , Sadet Karabulut |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Incasso-cowboys dreigen en bedreigen» naar aanleiding van het rapport «Een onderzoek naar handelspraktijken van incassobureaus» van de Autoriteit Consument en Markt (ACM)? Zijn er reeds boetes uitgedeeld door toezichthouders ACM of de Autoriteit Financiële Markten (AFM) aan incassobureaus die onterechte kosten vorderen, berekenen en klanten onder druk zetten om te betalen?1 2 3
Uit het onderzoek van de ACM blijkt dat de ACM aanwijzingen heeft dat incassobureaus zich niet altijd aan het wettelijk kader voor incassokosten houden door te hoge incassokosten te berekenen. Ook heeft de ACM aanwijzingen dat incassobureaus consumenten confronteren met onterechte of verjaarde vorderingen. Verder constateert de ACM dat incassobureaus geregeld ontoelaatbare druk uitoefenen bij de inning van vorderingen bij consumenten. Op dit moment zijn voor de in het rapport gesignaleerde problemen nog geen boetes opgelegd. De resultaten van het onderzoek zijn reden voor de ACM om oneerlijke incassopraktijken op de agenda voor 2016 te zetten en in samenspraak met de AFM te willen optreden tegen misleidende en agressieve handelspraktijken. Gezien de ernst van de geconstateerde misstanden juich ik toe dat de ACM samen met AFM extra aandacht besteedt aan de incassobranche.
Er wordt al langere tijd ingezet op de verbetering van de kwaliteit van de incassobranche, over de ontwikkelingen heb ik u verschillende keren geïnformeerd4. Naar aanleiding van dit rapport ben ik opnieuw in contact getreden met betrokken partijen, zoals de ACM, de AFM, de ministeries van Economische Zaken, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Financiën, alsook met de Nederlandse Vereniging voor Incasso-ondernemingen (NVI). Dit met het doel om de bevindingen te bespreken en na te gaan hoe, met inachtneming van een ieders verantwoordelijkheid, misstanden kunnen worden tegengegaan. Verder verwijs ik naar de brief die gelijktijdig met deze antwoorden aan uw Kamer wordt verstuurd en waarin ik op dit rapport in ga.
Deelt u de mening dat de druk die op consumenten uitgevoerd wordt om hun vorderingen te voldoen ontoelaatbaar is? Zo ja, welke maatregelen gaat u hiertegen nemen?
Bent u bereid maatregelen te nemen tegen incassobureaus die de Wet normering buitenrechtelijke incassokosten (Wik) overtreden of niet juist hanteren? Zo ja, welke maatregelen zijn dat? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid incassobureaus die met (rechts)maatregelen dreigen waarvoor zij wettelijk gezien de bevoegdheid niet hebben, zoals het uitvoeren van gedwongen verkoop, het doen van ontruimingen, het leggen van beslag op bankrekening, loon of uitkering en het uitbrengen van dagvaardingen, het werken onmogelijk te maken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Deelt u inmiddels de mening4 dat het van belang is sancties te stellen op het overtreden van de wet die een maximum stelt aan de incassokosten? Zo nee, waarom niet?
Op welke wijze bent u voornemens consumenten te beschermen tegen onterechte of verjaarde vorderingen?
Bent u bereid de voorlichting aan consumenten te verbeteren, met name aan mensen met lage inkomens en laagopgeleiden, die vaak de dupe zijn van ontoelaatbare druk? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Vooropgesteld zij dat de verantwoordelijkheid voor het verstrekken van duidelijke en volledige informatie in eerste instantie bij de incassobureaus ligt. Gerichte informatieverstrekking aan mensen die het direct aangaat, heeft waarschijnlijk meer effect dan algemene informatieverstrekking door het Rijk. Dat neemt niet weg dat ook de overheid een verantwoordelijkheid hierin neemt. Zowel door de overheid als door marktpartijen wordt ingezet op het voorlichten en informeren van consumenten. Zie hierover ook mijn brieven van 19 juni 2014 en 24 maart 20156, alsook de brief die gelijktijdig met deze antwoorden aan uw Kamer wordt verstuurd. In deze brieven wordt nader gespecificeerd welke inzet wordt gepleegd op voorlichting aan niet alleen consumenten, maar ook aan opdrachtgevers van incassobureaus. In antwoord op de eerste vraag gaf ik reeds aan in overleg te zullen treden met alle betrokken partijen. Daarbij zal ik zeker ook voor het belang van een goede voorlichting nogmaals aandacht vragen.
De invloed van grote bedrijven op het duurzaamheidsbeleid |
|
Yasemin Çegerek (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het in het artikel genoemde promotieonderzoek over de invloed van de bedrijfslobby op het duurzaamheidsbeleid?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de invloed van grote bedrijven op overheidsbeleid?
Waar in het verleden de overheid beleid veelal top-down bepaalde, wordt heden ten dage het beleid meer en meer gezamenlijk met de relevante stakeholders vormgegeven en uitgevoerd. Onder andere in het bedrijven- en topsectorenbeleid (Samenwerken aan vernieuwing, Rapportage Bedrijvenbeleid 2015, Kamerstuk 32 637, nr. 201) en in het beleid rondom duurzaamheid en groene groei (Tussenbalans Groene Groei, Kamerstuk 33 043, nr. 42) werken naast bedrijven ook kennisinstellingen, koepel- en brancheorganisaties, NGO’s en overheden intensief samen (inclusief het tonen van financieel commitment). Al deze partijen hebben daarmee invloed op het overheidsbeleid. Daarbij is het kabinet verantwoordelijk voor een evenwichtige afweging van de verschillende belangen.
Hoe beoordeelt u de vijf elementen van een krachtige lobby zoals in het artikel genoemd?
De in het proefschrift genoemde vijf elementen (vroegtijdige samenwerking, alternatieve planvorming, framing, extern onderzoek en inzet van media) lijken over het algemeen onderdeel van de lobbyactiviteiten van veel partijen, niet alleen grote bedrijven, maar bijvoorbeeld ook branche- en koepelorganisaties, samenwerkingsverbanden van het mkb en zeker ook NGO’s. Gegeven het belang dat het kabinet hecht aan een goede maatschappelijke dialoog, zien wij het actief participeren van alle relevante stakeholders in het publieke domein als een transparante en wenselijke werkwijze. Het is niet aan het kabinet om een oordeel te geven over de wijze waarop bedrijven hun lobby organiseren, zo lang partijen zich houden aan de geldende wet- en regelgeving. Het is wel aan het kabinet om een weging van alle maatschappelijke belangen te maken en op basis daarvan tot gedragen besluitvorming te komen. De bijdragen van NGO’s, bedrijven en andere stakeholders helpen daarbij.
Klopt het dat kleine en nieuw spelers hierdoor achterblijven? Kunt u een plan van aanpak opstellen om de nieuwe en kleine spelers eerlijke kansen te geven?
Dit klopt niet. Het kabinet ziet juist dat een groot deel van de beleidsinzet direct ten goede komt aan het midden- en kleinbedrijf. Zo gaat ongeveer tweederde van de middelen voor innovatie (fiscaliteit, subsidies) naar het mkb (Rijksbegroting 2016 XIII Economische Zaken, artikel 12). Een substantieel deel van deze innovatiemiddelen (circa 70%) is gericht op duurzaamheid (Monitor Bedrijvenbeleid 2015, Kamerstuk 32 637, nr. 201). Daarnaast bevordert het kabinet met de fiscale instrumenten MIA en VAMIL ook duurzame investeringen door bedrijven. Door de systematiek van MIA en VAMIL komen deze middelen vooral ten goede aan het verduurzamen van het midden- en kleinbedrijf. Het kabinet zet ook niet-financiële instrumenten in. Een voorbeeld is het programma Ruimte in Regels, waarin het kabinet zich richt op het wegnemen van belemmeringen in wet- en regelgeving die innovatieve investeringen door bedrijven in groene groei beperken. Het gaat hier met name om belemmeringen van starters en andere midden- en kleinbedrijven. Gegeven deze beleidsinzet ziet het kabinet geen aanleiding voor het opstellen van een aanvullend plan van aanpak voor nieuwe en kleine spelers.
Is de raamovereenkomst verpakkingen nog wel van deze tijd? Zijn er in de raamovereenkomst wel de juiste doelen gesteld op het gebied van duurzaamheid? Welk probleem is er met deze raamovereenkomst op het gebied van verpakkingen opgelost?
De Raamovereenkomst Verpakkingen is zeker van deze tijd en is één van de ketens binnen het programma Van Afval naar Grondstof (VANG) om de transitie naar een circulaire economie te versnellen. De ambitieuze afspraken die in deze overeenkomst gemaakt zijn, dragen bij aan het voorkomen van grondstoffenverspilling door minder materiaal te gebruiken, zoveel mogelijk materiaal te recyclen en zwerfafval te bestrijden. Daarnaast hebben de raamovereenkomstpartijen afgesproken om de uitvoeringskosten te verlagen om de ketens financieel te kunnen sluiten. Deze afspraken gelden voor tien jaar. Dat geeft stabiliteit en zekerheid voor investeringen. Tegelijkertijd is er ook ruimte voor innovaties.
In 2017 zullen de afspraken geëvalueerd worden, en zo nodig aangescherpt en aangepast, met het oog op de versnelling van de transitie naar een circulaire economie.
Wat kunt u doen om alle belangen met elkaar in evenwicht te brengen?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Wat is de positie van kleine spelers in de verdeling van de SDE+ gelden?
Het kabinet stimuleert de uitrol van hernieuwbare energie met verschillende regelingen. Sommige regelingen zijn gericht op kleinschalige opwek, zoals de salderingsregeling en de postcoderoosregeling. Dit geldt ook voor de nieuwe subsidieregeling voor kleinschalige warmte-opties, waarvan het kabinet voornemens is om die op 1 januari 2016 open te stellen. Met de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+) stimuleert het kabinet de ontwikkeling van meer grootschalige opties voor hernieuwbare energie. Bedrijven en instellingen die hernieuwbare energie (gaan) produceren, kunnen gebruik maken van de SDE+. Ieder jaar is er een budget voorhanden waarvoor nieuwe SDE+-beschikkingen kunnen worden afgegeven. Het budget wordt gefaseerd opengesteld. In de eerste fase kunnen de «goedkopere» technieken subsidie aanvragen. De subsidie loopt vervolgens per fase op tot het budget op is. Bij de toekenning van subsidies is de kostprijs per energie-eenheid leidend, niet het type indiener. Op basis van de ervaringen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl), die de SDE+-regeling uitvoert, kan geconstateerd worden dat er een grote diversiteit aan aanvragers bestaat, waarbij het mkb ruim vertegenwoordigd is. Zo zijn agrariërs meestal eigenaar of gebruiker van de grond waarop windmolens worden geplaatst. Dit geldt ook voor een groot deel van de (mest)vergistingsinstallaties in de SDE+. Bij geothermie zijn het juist de glastuinbouwbedrijven die veel projecten uitvoeren. Ook bij zon-PV-projecten komen de meeste investeerders uit het mkb.
Deelt u de mening dat sommige regelingen, zoals de postcoderoos en het energiebesparingsfonds, niet goed van de grond komen, omdat de randvoorwaarden te ingewikkeld zijn?
Over de zogenoemde postcoderoosregeling, die formeel geregeld is in de regeling Verlaagd tarief bij collectieve opwek, is regelmatig overleg met de betrokken stakeholders. Dit heeft er toe geleid dat de regeling op verschillende punten is vereenvoudigd. Een voorbeeld hiervan is dat niet langer een aparte, tweede aansluiting nodig is voor de invoeding van de geproduceerde elektriciteit. Bovendien is in het Belastingplan 2016 een verdere verlaging van het tarief in de energiebelasting voor lokaal duurzaam opgewekte energie voorzien. Hiertoe heb ik samen met de Staatssecretaris van Financiën besloten op basis van een voorstel van de voorzitter van de Borgingscommissie Energieakkoord. Afgesproken is dat de sector de komende jaren gaat werken aan kostenverlaging van projecten van energiecoöperaties en actief zijn achterban gaat motiveren om nieuwe projecten te starten. Om deze impuls vanuit de sector een stevige steun in de rug te geven stelt het kabinet voor om het fiscale voordeel te verhogen van 7,5 cent/kWh naar 9 cent/kWh. Op basis van informatie van partijen in de sector verwacht ik dat deze aanpak de komende twee jaar kan leiden tot omstreeks 175 nieuwe projecten van met name kleine verbruikers.
De vormgeving van het Nationaal Energiebespaarfonds (NEF) is gericht op woningeigenaren. Kleine bedrijven kunnen hierbij hun maatregelen even goed aan woningeigenaren aanbieden als grote bedrijven. Het Nationaal Energiebespaarfonds kende een stroeve start in 2014. Het is mogelijk dat dit deels met de randvoorwaarden te maken had. Om deze reden zijn begin 2015 de randvoorwaarden vereenvoudigd. Sindsdien loopt het fonds een stuk beter. Naar aanleiding van de motie Ronnes (Kamerstuk 34 300-XVIII, nr. 12) bekijkt de Minister voor Wonen en Rijksdienst of en hoe een verdere impuls aan het fonds kan worden gegeven, zodat woningeigenaren nog makkelijker van het fonds gebruik kunnen maken.
Hoe kunt u deze regelingen vereenvoudigen, opdat ook kleine spelers hiervan gebruik kunnen maken?
Zie antwoord vraag 8.
Een niet-aanvalspact tussen Europa en China op het gebied van cyber |
|
Wassila Hachchi (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Russen op de loer in de Noordzee»?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse speciaal ambassadeur voor cyberkwesties onderhandelt over een digitaal niet-aanvalsverdrag tussen Europa en China?
Nee. De Speciaal Gezant voor internationaal cyberbeleid, Dr. Uri Rosenthal, is aangesteld om de resultaten van de Global Conference on Cyberspace uit te dragen en de Nederlandse visie van een vrij, open en veilig internet te bevorderen.
In die hoedanigheid heeft de Speciaal Gezant op 26 en 27 oktober jl. deelgenomen aan een informele dialoog tussen vertegenwoordigers van Europese landen, denktanks en universiteiten en hun Chinese tegenhangers om tot een beter inzicht in de wederzijdse posities te komen. In dat licht is o.a. gesproken over internet governance, cyberspace en internationale veiligheid en de digitale economie.
Tijdens deze dialoog zijn ook de wederzijdse visies toegelicht op het recente rapport van een VN werkgroep over cyberspace en internationale veiligheid, waarin onder meer de gedragsnorm wordt neergelegd dat een Staat geen ICT-activiteit zou moeten uitvoeren of ondersteunen die leidt tot opzettelijke beschadiging van vitale infrastructuur. Dit is waar het citaat van de Speciaal Gezant in het bericht in de Telegraaf aan refereerde.
Het kabinet is, zoals onder andere aangegeven in de Kamerbrief over het Cyber Security Beeld Nederland van 14 oktober jl. (26 643, nr. 369), bezorgd over het feit dat geopolitieke spanningen zich steeds vaker manifesteren in (dreigende) inbreuken op digitale veiligheid. In dat opzicht ziet het kabinet het streven naar normen voor verantwoordelijk gedrag als een vorm van conflictpreventie en steunt de bereikte internationale consensus op dit gebied. Het kabinet draagt ook actief bij aan de totstandkoming en implementatie van zulke gedragsnormen, maar tijdens de informele dialoog op 26 en 27 oktober jl. is niet onderhandeld over soortgelijke afspraken tussen China en Europa.
Met welke redenen wordt onderhandeld over een digitaal niet-aanvalsverdrag tussen Europa en China?
Op welke termijn zou er sprake (moeten) zijn van een digitaal niet-aanvalsverdrag tussen Europa en China?
Kunt u de aard en inhoud van het digitaal niet-aanvalsverdrag tussen Europa en China toelichten?
Wat voor soort aanvallen zouden vallen onder het digitaal niet-aanvalsverdrag?
Waarom is er een speciaal gezant namens de regering die onderhandelt over een digitaal niet-aanvalsverdrag tussen Europa en China?
Namens wie precies onderhandelt de Speciaal Vertegenwoordiger Cyber over een digitaal niet-aanvalsverdrag tussen Europa en China, en op basis van welk mandaat?
Hebben andere landen ook speciaal vertegenwoordiger cyber, dan wel onderhandelaars, voor een digitaal niet-aanvalsverdrag tussen Europa en China?
Welke landen in Europa zouden deelnemen aan het digitaal niet-aanvalsverdrag tussen Europa en China?
Bent u bereid de Kamer regelmatig te informeren over de voortgang inzake de onderhandelingen over een digitaal niet-aanvalsverdrag tussen Europa en China?
De vermeende onware claims van Shell aangaande het schoonmaken van de Niger Delta |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het rapport «Clean it up: Shell’s false claims about oil spills in the Niger Delta» van Amnesty International?1
Ja.
Deelt u de bevindingen van Amnesty International dat Shell onware of onvolledige claims gedaan heeft met betreking tot het schoonmaken van de olievervuiling in de Niger Delta? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke conclusies trekt u daaruit?
De bevindingen over de nog niet opgeruimde olievervuiling zijn zorgelijk. Het kabinet vindt het belangrijk dat Amnesty International en het Centre for Environment, Human Rights and Development (CEHRD) dit onderzoek hebben verricht. Alleen door zorgvuldige documentatie over schoonmaakoperaties in de Niger Delta kunnen we tot een duurzame oplossing komen. Het rapport van Amnesty draagt bij aan de transparantie die nodig is voor een eerlijke dialoog tussen alle stakeholders.
Het rapport doet daarnaast suggesties voor verbeteringen in het toezicht door de Nigeriaanse overheid. Ik heb hierover onlangs gesproken met de Nigeriaanse Minister van milieu Amina Mohammed. Zij onderkende het belang van concrete implementatie van de aanbevelingen die eerder door UNEP zijn gedaan. Ook Amnesty dringt hierop aan. Het National Oil Spill Detection and Response Agency (NOSDRA) wordt door Amnesty aangesproken op haar zwakke controlecapaciteit. De ambassade in Abuja onderzoekt momenteel de mogelijkheden om de capaciteit van NOSDRA te versterken. Het gesprek met Amina Mohammed wordt in 2016 voortgezet
De ambassade blijft nauw betrokken bij het vinden van oplossingen voor de problematiek van olievervuiling in de Niger Delta en heeft afgelopen week de regio bezocht in het kader van een door de ambassade ondersteund dialoogproces met SPDC («Shell Nigeria») en de lokale gemeenschap.
Gaat u met Shell spreken over de olieverontreiniging? Zo ja, wat is daarbij uw inzet? Zo nee, waarom voelt u geen verantwoordelijkheid om de gezondheid van mensen en het milieu in die regio te beschermen?
Op verschillende ambtelijke niveaus is er, na publicatie van het rapport, met zowel Amnesty als Shell gesproken. Beide partijen zijn gewezen op het belang dat Nederland hecht aan de schoonmaak van de olievervuiling in de Niger Delta. Nederland dringt in dit kader onder meer aan op implementatie van de aanbevelingen uit het UNEP-rapport uit 2011 door alle betrokken partijen: de Nigeriaanse overheid, SPDC, en de betrokken gemeenschappen. Uiteraard is onze inzet dat alle betrokken partijen, inclusief Shell, de mensenrechten van de lokale bevolking eerbiedigen.
Welke middelen heeft de Nederlandse regering om Shell te dwingen maatschappelijk verantwoord te ondernemen en welke daarvan zijn ingezet of bent u voornemens in te zetten?
Nederland zet de middelen die zijn toegelicht in de Kamerbrief «MVO loont» en het Nationaal Actieplan Bedrijfsleven en Mensenrechten in om bedrijven en overheden aan te spreken op maatschappelijk verantwoord ondernemen. Een concreet voorbeeld van de Nederlandse inzet is het bemiddelingsproces in Bodo. De Bodo-gemeenschap, SPDC en de Nigeriaanse autoriteiten hebben onder Nederlands co-voorzitterschap met elkaar afspraken gemaakt over het schoonmaken van de olievervuiling rondom Bodo. Nederland zal het schoonmaakproces op de voet blijven volgen en ook in de toekomst een bemiddelende rol blijven spelen waar dat gewenst is. Daarnaast zal Nederland in de contacten met Shell de verantwoordelijkheid van zaken doen met respect voor mens en milieu conform internationale richtlijnen blijven benadrukken.
De arbeidsomstandigheden bij Klesch Aluminium Delfzijl |
|
John Kerstens (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Onderzoek naar arbeidsomstandigheden bij Klesch»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de stelling van de FNV dat er sprake zou zijn van «erbarmelijke omstandigheden» in de fabriek Klesch Aluminium Delfzijl?
Ik oordeel niet over de concrete feiten en omstandigheden van het individuele geval. Volgens de Arbeidsomstandighedenwet mogen werkzaamheden geen gevaren opleveren voor de veiligheid en gezondheid van de werknemer. Het is de taak van de werkgever om te zorgen voor goede arbeidsomstandigheden en om – met instemming van de werknemers – de preventie van arbeidsrisico’s vorm te geven.
Wat is uw reactie op het voornemen om een stuurgroep de arbeidsomstandigheden bij Klesch Aluminium Delfzijl te laten onderzoeken?
Ik juich toe dat er een stuurgroep is geformeerd om de mogelijke problemen te onderzoeken en om gezamenlijk tot een eventuele oplossing te komen. Dit betekent dat de werkgever zijn verantwoordelijkheid serieus neemt om te zorgen voor goede arbeidsomstandigheden.
Bent u bereid om de Inspectie SZW in te zetten om het bij vraag 3 genoemde onderzoek naar de arbeidsomstandigheden te ondersteunen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn bent u bereid om deze ondersteuning aan te bieden?
Nee, dat vind ik geen taak voor de Inspectie SZW. Zoals ik bij de beantwoording van de vorige vraag heb aangegeven is het de verantwoordelijkheid van de werkgever om te zorgen voor goede arbeidsvoorwaarden. Er heeft recentelijk geen onderzoek van de Inspectie SZW plaatsgevonden bij Klesch Aluminium Delfzijl. De Inspectie SZW ziet, op basis van risicoanalyses of van klachten en/of signalen uit de praktijk, geen aanleiding over te gaan tot onderzoek. Mochten medewerkers klachten melden bij de Inspectie SZW dan kan alsnog worden overgegaan tot onderzoek. Ook in geval van klachten van een OR over bijvoorbeeld de arbeidsomstandigheden volgt onderzoek door de Inspectie. Dan is een uitspraak mogelijk over eventuele overtredingen van de Arbeidsomstandighedenwet.
Klopt het dat de salarissen van de medewerkers na de doorstart beduidend lager zijn dan voor het faillissement? Hoe beoordeelt u deze gang van zaken?
Mijn ambtgenoot en ik oordelen niet over de concrete feiten en omstandigheden van het individuele geval. Wel kan in algemene zin worden opgemerkt dat de regeling over overgang van onderneming niet van toepassing is in geval van een doorstart uit faillissement. Dit betekent dat degene die de bedrijfsactiviteiten van de failliete werkgever voortzet, de werknemers die na de doorstart bij hem in dienst treden in beginsel arbeidsvoorwaarden mag aanbieden die afwijken van de arbeidsvoorwaarden die golden bij de voormalige werkgever. De arbeidsvoorwaarden dienen wel te voldoen aan de wettelijke eisen en aan de voorwaarden van een eventueel van toepassing zijnde cao.
Bij brief van 26 augustus jl. heb ik aan uw Kamer toegezonden het onderzoek «Werknemers en Insolventie: een rechtsvergelijkende studie naar de rechtspositie van werknemers bij insolventie van de werkgever».2 Dat onderzoek had ik op 1 oktober 2014 in een Algemeen Overleg aan uw Kamer toegezegd.3 In voormeld overleg werd, mede naar aanleiding van de doorstart van de failliete kinderopvangorganisatie Estro, aandacht gevraagd voor de arbeidsrechtelijke positie van werknemers in faillissement. Daarbij heb ik u meegedeeld dat ik me ervan bewust ben dat een faillissement van een onderneming aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de werknemers, ook wanneer de failliete onderneming een doorstart maakt. Zoals ik in de brief van 26 augustus jl. heb aangekondigd, zal ik uw Kamer in het eerste kwartaal van 2016 nader informeren over eventuele vervolgstappen naar aanleiding van genoemd onderzoek.
Welke verschillen en overeenkomsten zijn er met het flitsfaillissement van Estro/Small Steps en Princen Transmission waar eerder vragen over gesteld zijn?2
Zoals ik bij de beantwoording van de vorige vraag heb aangegeven, treden mijn ambtgenoot en ik niet in de concrete feiten en omstandigheden van het individuele geval. Wel kan ik in algemene zin het volgende opmerken.
Bij de faillissementen van Princen Transmission en Estro is sprake geweest van toepassing van de zogenaamde «pre-pack praktijk». Deze praktijk houdt in dat de rechtbank kort voor een verwachte faillietverklaring van een onderneming op verzoek van het bestuur al aanwijst wie in het geval van faillissement tot curator zal worden benoemd. Doel van deze aanwijzing is om het faillissement onder toeziend oog van de beoogd curator voor te bereiden, om zo de schade die uit het faillissement voortvloeit zoveel mogelijk te beperken en de kans te vergroten dat de bedrijfsactiviteiten – met behoud van zoveel mogelijk werkgelegenheid – kunnen worden voortgezet. Indien er inderdaad mogelijkheden zijn voor een doorstart, dan worden hiervoor vóór de faillietverklaring al voorbereidingen getroffen. De doorstart kan dan kort na de faillietverklaring plaatsvinden en de negatieve invloed die de hectiek van een faillissement doorgaans heeft op de bedrijfsvoering, kan daarmee beperkt blijven.
Uit het eerste openbare faillissementsverslag dat de curator in het faillissement van aluminiumfabriek Aldel heeft uitgebracht, leid ik af dat er in dat geval geen sprake is geweest van een «pre-pack».5 Naar ik begrijp, is in het geval van Aldel de doorstart pas tijdens het faillissement voorbereid en vond de doorstart hier geruime tijd na de faillietverklaring plaats.
Op welke manier kan voorkomen worden dat de Prepack wetgeving ingezet gaat worden om werknemers op een oneigenlijke manier te ontslaan, dan wel terug te laten keren op aanzienlijk verslechterde arbeidsvoorwaarden?
Bij ondernemingen van enige omvang is het gebruikelijk dat wanneer onderdelen van de bedrijfsactiviteiten in de kern gezond zijn maar sprake is van financiële problemen die niet meer opgelost kunnen worden, het bestuur voorbereidingen treft voor het aanstaande faillissement. Het zoeken naar potentiële overnamekandidaten en het onderhandelen over verkoop van bedrijfsactiviteiten maakt vaak onderdeel uit van die voorbereiding. De «pre-pack praktijk» heeft – in vergelijking met een faillissement waaraan geen stille voorbereidingsfase voorafgaat – als belangrijk voordeel dat het voorbereidingstraject plaatsvindt onder het toeziend oog van de beoogd curator. Tijdens het stille voorbereidingstraject ziet de beoogd curator erop toe dat het voorbereidingsproces zorgvuldig verloopt en dat het resultaat dat hieruit voortvloeit de belangen dient van de schuldeisers, waaronder de werknemers, en van de anderen die door het faillissement worden geraakt.
Op dit moment is bij uw Kamer het wetsvoorstel betreffende de Wet continuïteit ondernemingen I aanhangig. Met de voorgestelde regeling krijgt de «pre-pack praktijk» een uitdrukkelijke wettelijke grondslag. Het wetsvoorstel bevat bovendien een aantal verbeteringen, en komt daarmee tegemoet aan de zorgen die in de praktijk en in de literatuur zijn geuit over onder meer het risico op oneigenlijk gebruik van het stille voorbereidingstraject. Zo worden in het voorstel strenge toelatingscriteria gegeven waaraan voldaan moet zijn voordat men toegang kan krijgen tot het stille voorbereidingstraject. Ook wordt duidelijk vastgelegd wat de rol is van de beoogd curator en welke middelen hem ter beschikking staan om oneigenlijk gebruik tegen te gaan. Verder verstevigt de regeling de positie van schuldeisers en van werknemers in het voorbereidingstraject en in de eerste fase van het faillissement. Zo is erin voorzien dat de rechtbank aan de aanwijzing van de beoogd curator de voorwaarde kan verbinden dat de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging en de vakbonden actief betrokken worden bij overleg over een eventuele doorstart. Ten slotte bevat de voorgestelde regeling maatregelen op basis waarvan bestuurders die de regeling oneigenlijk hebben gebruikt of een poging daartoe hebben gedaan, aansprakelijk gesteld kunnen worden voor de daarmee verband houdende schade. Na inwerkingtreding van de Wet civielrechtelijk bestuursverbod zal aan deze personen ook een bestuursverbod kunnen worden opgelegd6.
Het opschorten van sancties tegen Wit-Rusland |
|
Michiel Servaes (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met berichtgeving over het opschorten van sancties tegen Wit-Rusland? Zo ja, hoe beoordeelt u dit? Vindt u dat de EU en de VS voldoende samen optrekken in dit verband? Zo ja, hoe verklaart u het verschil in de gehanteerde termijnen (vier versus zes maanden)?1
Nederland heeft als lid van de Europese Unie ingestemd met de gelijktijdige verlenging en gedeeltelijke opschorting van de sancties tegen Wit-Rusland voor een periode van vier maanden. Met deze gedeeltelijke opschorting reageert de EU op de vrijlating van de politieke gevangenen van afgelopen zomer en de constructieve opstelling van Wit-Rusland in het conflict in Oekraïne, en wil de EU het land stimuleren om verder te gaan op het pad naar een democratische rechtsstaat. Door het gebruik van een gedeeltelijke opschorting blijft het sanctieregime bestaan en heeft de EU de mogelijkheid sancties opnieuw van kracht te laten worden mocht de situatie daar aanleiding toe geven. Daarnaast blijft het wapenembargo wel van kracht.
Sancties zijn over het algemeen het meest effectief als ze in breed internationaal verband worden opgelegd. De praktische invulling van de sanctiemaatregelen kan uiteenlopen als gevolg van verschillende juridische kaders en afstemmingsprocessen. Het Kabinet vindt het daarbij bovenal belangrijk dat zowel de EU als de VS een eenduidige politieke boodschap afgeeft aan de Wit-Russische autoriteiten, namelijk dat er met de vrijlating van de gevangenen in augustus jl. een stap in de juiste richting is gezet op de weg naar rechtsstatelijkheid, maar dat we de mensenrechtensituatie kritisch zullen blijven volgen.
Deelt u de zorgen dat de mensenrechtensituatie in Wit-Rusland, ondanks de vrijlating van zes politieke gevangenen, nog altijd zeer precair is, bijvoorbeeld kijkend naar de beperkte politieke en journalistieke vrijheden? Klopt het dat nieuwe wetgeving de vrijgelaten politieke gevangenen verhindert om zich kandidaat te stellen voor een politieke functie, terwijl hun deelname aan ongeautoriseerde bijeenkomsten zelfs kan leiden tot hernieuwde gevangenneming?
Nederland is onverminderd kritisch op de mensenrechtensituatie in Wit-Rusland, door de beperkingen op de vrijheid van verzameling, de vrijheid van organisatie, en de vrijheid van meningsuiting. In het bijzonder maakt Nederland zich zorgen over de substantiële beperkingen op de persvrijheid, de repressie van vrijwel het gehele maatschappelijk middenveld, en het feit dat de vrijlating van de politieke gevangenen gepaard gaat met ernstige belemmeringen op hun burgerlijke en politieke vrijheden. Als gevolg van al langer bestaande Wit-Russische wetgeving kan eenieder die deelneemt aan ongeautoriseerde bijeenkomsten strafrechtelijk vervolgd worden.
Naast juridische middelen, gebruiken de Wit-Russische autoriteiten ook administratieve maatregelen om oppositiekandidaten uit te sluiten van het politiek proces, onder meer door arbitraire administratieve sancties en door de controle over de kiescommissie. Het Kabinet onderschrijft de zorgen zoals geuit in de voorlopige conclusies van de OVSE verkiezingswaarnemingsmissie over de beperkingen op de fundamentele politieke rechten in Wit-Rusland dan ook volledig. Naar oordeel van het Kabinet waren de verkiezingen van vorige maand in het geheel niet vrij en eerlijk.
Deelt u de bevindingen van de waarnemingsmissie van het Office for Democratic Institutions and Human Rights (ODIHR) van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) naar aanleiding van de presidentsverkiezingen van 11 oktober jl., waarin o.a. gewezen wordt op «significant problems, particularly during the counting and tabulation, (that) undermined the integrity of the election»? Deelt u tevens de zorg die de OVSE/ODIHR-missie uit over «legal shortcomings [that] limit the free expression of the will of the voters», «existing provisions and laws (that) limit fundamental freedoms of association, assembly and expression» en «the restrictive media environment»?2
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het in het licht van bovengenoemde zorgen en bevindingen verstandig en gepast om – binnen enkele weken na de verkiezingen die Lukashenko aan een vijfde termijn als president hebben geholpen – over te gaan tot het opschorten van sancties? Welk signaal wordt hiermee afgegeven, in het bijzonder in de richting van de politieke oppositie en mensenrechtenverdedigers?
Zoals gesteld bij vraag 1 zijn de sancties opgeschort in reactie op de vrijlating van de politieke gevangenen en de constructieve opstelling in het Oekraïne-conflict. Samen met onze EU-partners wil Nederland Wit-Rusland geleidelijk engageren om de mensenrechtensituatie te verbeteren. De verlichting van het sanctieregime moet in deze context worden bezien. Het Kabinet is van mening dat er meer kan worden bereikt met kritisch engagement dan door een verdere isolatie van Wit-Rusland. Nederland blijft zich hierbij onverminderd uitspreken over de zorgen over de mensenrechtensituatie in Wit-Rusland. Daarnaast staat Nederland voortdurend in contact met mensenrechtenverdedigers en de oppositie in Wit-Rusland, om hun oordeel te horen over de ontwikkelingen van de mensenrechtensituatie ter plaatse en om te beoordelen in hoeverre de Wit-Russische regering ook daadwerkelijk de mensenrechten beter respecteert.
Deelt u de opvatting van de VS dat Wit-Rusland voortgang moet maken «to improve its record with respect to human rights and democracy»? Zo ja, wat zijn volgens u de concrete voorwaarden die de EU hanteert bij besluitvorming over eventuele blijvende verlichting van sancties en op welke wijze zal deze besluitvorming plaatsvinden?
De sancties ten aanzien van Wit-Rusland zijn formeel verlengd t/m 29 februari 2016 en voor dezelfde periode gedeeltelijk opgeschort. Besluitvorming over sanctieregimes gebeurt volgens het Lissabon-verdrag op basis van unanimiteit in de Raad. De Raad Buitenlandse Zaken zal daarom mogelijk in februari opnieuw besluiten over een eventuele verlenging of aanpassing van het sanctieregime ten aanzien van Wit-Rusland. Opschorting van de implementatie van de sancties kan per Raadsbesluit worden teruggedraaid.
Het bestendigen van de mensenrechten is een van de hoofdpijlers van het Nederlandse buitenlandbeleid. Nederland zal zich blijven inzetten voor een verbetering van de mensenrechten in Wit-Rusland. In de komende discussies over het sanctiepakket zal Nederland aandacht blijven vragen voor het belang van verdergaande verbeteringen van de mensenrechtensituatie in Wit-Rusland. Het Kabinet acht het echter niet nuttig om op voorhand criteria uit te werken waaraan Wit-Rusland zou moeten voldoen voor verdere verlichting of opheffing van het sanctieregime. Dit zou de druk op de Wit-Russische autoriteiten beperken om te blijven werken aan het verbeteren van de mensenrechtensituatie zodra aan deze criteria voldaan zou zijn.
Op welke wijze bent u voornemens bilateraal en in internationaal verband druk te houden op de Wit-Russische autoriteiten om de mensenrechtensituatie te verbeteren? Op welke wijze bent u voornemens om op te komen voor de positie van oppositiepartijen, maatschappelijke organisaties en mensenrechtenactivisten? Welke rol voorziet u hierbij voor de nieuwe Nederlandse diplomatieke aanwezigheid in Wit-Rusland in de vorm van een Tijdelijk Zaakgelastigde?
Nederland ondersteunt via de ambassade in Warschau het Wit-Russische maatschappelijk middenveld met middelen uit het Matra programma en het Mensenrechtenfonds. Daarnaast blijft Nederland aandacht vragen voor de precaire mensenrechtensituatie in Wit-Rusland, zowel in multilateraal verband als in de bilaterale contacten met de Wit-Russische autoriteiten. Nederland draagt actief bij aan het debat binnen de Europese Unie over de politieke koers ten aanzien van Wit-Rusland, en benadrukt hierbij het belang van de versterking van mensenrechten voor de verdere ontwikkeling van de bilaterale relatie tussen de EU en Wit-Rusland. Ook via andere multilaterale fora blijft Nederland de Wit-Russische autoriteiten wijzen op de internationaalrechtelijke verplichtingen die zij hebben op het gebied van mensenrechten, waaronder via de Universal Periodic Review van de VN-Mensenrechtenraad, en de gesprekken in de OVSE over de zogenaamde «human dimension».
De focus van de werkzaamheden van de Tijdelijk Zaakgelastigde zal onder andere liggen op binnenlandspolitieke ontwikkelingen in Wit-Rusland en het bijdragen aan de discussies over het te voeren EU-beleid. Juist door de aanwezigheid van de Tijdelijk Zaakgelastigde is Nederland nog beter in staat voortdurend in contact te staan met politieke partijen, mensenrechtenorganisaties en andere ngo’s ter plaatse, ontwikkelingen ter plekke op hun waarde te beoordelen en bij te dragen aan de discussies in EU-kader ter plaatse. De ambassade in Warschau zal overigens actief betrokken blijven bij de ontwikkelingen in Wit-Rusland, onder andere via bezoeken van de Ambassadeur en de uitvoering van het Matra- en Mensenrechtenfonds-programma.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór de behandeling van de begroting Buitenlandse Zaken voor 2016 (voorzien in de week van 16 november)?
Ja.
Het bericht dat een betaalopdracht voor een reis richting Cuba wordt geweigerd door ING |
|
Arnold Merkies |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «ING weigert overschrijving voor reis naar Cuba»?1
Internationaal opererende banken hebben te maken met verschillende sanctieregimes, waaronder sancties ingesteld door individuele landen. Zo heeft de VS sancties opgelegd aan Cuba, welke zijn opgenomen in de Cuban Assets Control Regulation (CACR). Voor een overzicht van de door de VS ingestelde sancties verwijs ik naar de website van de Office of Foreign Assets Control (OFAC) http://www.treasury.gov/resource-center/sanctions/Programs/Pages/cuba.aspx
In geval van extraterritoriale werking van VS sancties kunnen deze ook betekenis hebben voor bedrijven buiten de VS. Op grond van de Cuban Liberty and Democratic Solidarity Act (Libertad) uit 1996, ook bekend als de Helms-Burton Act, kent de CACR een extraterritoriale werking. Overigens zijn er op die extraterritoriale werking ook weer uitzonderingen gemaakt.
De EU en Nederland zijn steeds tegenstanders geweest van het door de VS gehanteerde handelsembargo tegen Cuba en de extraterritoriale werking daarvan. De EU en VS zijn op 18 mei 1998 een Understanding overeengekomen die voor een deel gericht is op het ontheffen van de verplichtingen van titel III en IV van de Helms-Burton Act. Deze ontheffing, die nimmer is geratificeerd door de VS en derhalve geen enkele rechtsgeldigheid heeft, zou de extraterritoriale werking van VS sancties moeten opheffen. Nederland dringt er bilateraal en in EU-verband op aan dat de VS deze ontheffing alsnog ratificeert. Daarop is vooralsnog geen uitzicht.
De reikwijdte en toepasbaarheid van VS sancties op bedrijven buiten de VS kent daarmee een grote mate van complexiteit. Het is niet mijn rol over de toepasbaarheid van buitenlandse sancties verdere duiding te geven. Het is aan de desbetreffende banken zelf om in deze context van verschillende wettelijke kaders een afweging te maken hoe een bepaalde transactie zich verhoudt tot deze regels. Voor een duiding van welke regels van toepassing zijn op een concrete situatie kunnen ondernemingen zich wenden tot de Amerikaanse autoriteiten.
Acht u het redelijk wanneer een bank zelfs een voorschot voor een vakantiereis richting Cuba niet wil verwerken? Bestaat volgens u de kans dat een bank een boete krijgt vanwege het uitvoeren van deze specifieke betaling?
Zie antwoord vraag 1.
Is ING reeds teruggekomen op dit besluit en worden toekomstige betalingen voor een vakantiereis richting Cuba gewoon uitgevoerd?
Hoe internationaal opererende banken omgaan met de verschillende wettelijke kaders waar zij aan dienen te voldoen is aan de banken zelf. Over het algemeen zijn Nederlandse banken nog terughoudend ten aanzien van betalingen naar Cuba.
Banken bepalen op basis van economische en strategische afwegingen en risicoafwegingen in hoeverre zij betalingen gerelateerd aan Cuba uitvoeren. Nederlandse banken kunnen hierin elk hun eigen afweging maken.
Hoe gaan andere Nederlandse banken om met dergelijke betalingen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitleggen welke soort betalingen door de VS worden beboet?
Zie antwoord vraag 1.
Kan een bank om «zakelijke redenen» betalingen naar een bepaald land weigeren, ook wanneer er geen door overheden opgelegd embargo meer is?
Banken maken zelf een risicoafweging naar welke landen zij betalingen faciliteren. Hiervoor kunnen zij verschillende aspecten laten meewegen, zoals bijvoorbeeld het risico op witwassen of het financieren van terrorisme dat van een bepaald land uitgaat. De Financial Action Task Force (FATF), een intergouvernementele organisatie gericht op het tegengaan van witwassen, financiering van terrorisme en andere gerelateerde risico’s voor de integriteit van het financiële systeem, houdt bij welke risico’s er ten aanzien van deze onderwerpen bestaan binnen verschillende landen. Voor landen die naar het oordeel van de FATF een hoog risicoprofiel hebben geldt niet een embargo, maar banken worden wel geacht rekening te houden met de gesignaleerde risico’s. Banken zijn zelf verantwoordelijk om hierin een afweging te maken, en mogen wanneer zij de risico’s te hoog achten, betalingen naar een bepaald land weigeren. Cuba was tot oktober dit jaar vermeld in een waarschuwingslijst van de FATF. Daarnaast is Cuba eerder dit jaar geschrapt van de VS-lijst van Staatsponsors van terrorisme.
Welke mogelijke invloed hebben de verbeterde betrekkingen tussen de VS en Cuba op het betalingsverkeer richting Cuba?
Sinds de aankondiging van het streven naar normalisering van de betrekkingen tussen de VS en Cuba in december vorig jaar heeft de Amerikaanse president Obama een aantal maatregelen genomen die de uitwerking van de sancties verlichten. Hierdoor kent bijvoorbeeld het reizen tussen de landen minder beperkingen en zijn er meer mogelijkheden op het gebied van communicatie/ICT, landbouw en remittances. Ook de mogelijkheden voor betalingen die hiermee samenhangen zijn vergroot. Deze verruimingen gelden in dezelfde mate voor de VS en daarbuiten.
De Amerikaanse president kan sancties echter niet opheffen. De bevoegdheid tot het opheffen van sancties komt toe aan het Amerikaanse Congres. Mochten de VS in de toekomst besluiten sancties tegen Cuba op te heffen, dan gelden ten aanzien van de daarmee samenhangende betalingen ook geen beperkingen meer. Ik ga ervan uit dat Nederlandse banken dergelijke ontwikkelingen betrekken in hun afwegingen.
De door de Europese Commissie voorgestelde nieuwe handelsstrategie voor Europa |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de door de Europese Commissie voorgestelde handelsstrategie voor Europa «Trade for All: Towards a more responsible trade and investment policy»?1
Ja.
Wat wordt er volgens u bedoeld met de wens tot «modernisering van bestaande verdragen met Turkije, Mexico, Chili» uit de strategie?
Alle drie de genoemde verdragen bestaan al 12 jaar of langer. De bedoeling van de modernisering van deze verdragen is om het ambitieniveau te verhogen waardoor de economische potentie beter benut kan worden. Onderwerpen waarover in de huidige akkoorden nog onvoldoende of zelfs geen afspraken zijn gemaakt, zoals duurzame ontwikkeling, diensten, aanbestedingen en investeringen, zouden dan onderdeel uitmaken van de vernieuwde verdragen.
Hoe verhoudt volgens u het doel om meer handelsverdragen te sluiten met Latijns-Amerika en het Aziatisch-Pacifisch gebied zich tot het voornemen om duurzame ontwikkeling te bevorderen?
Deze doelstellingen versterken elkaar. Door handelsverdragen niet alleen bilateraal maar ook in een regionale context af te sluiten, wordt regionale integratie bevorderd. Regionale integratie bevordert stabiliteit en versterkt de economische structuur in een regio. De afspraken in het hoofdstuk over handel en duurzaamheid in de handels- en investeringsverdragen zullen hieraan bijdragen.
Hebben de versoepelde regels van herkomst in de «Generalised Scheme of Preferences» (GSP) volgens u invloed op de wijze waarop de EU omgaat met producten uit gebieden die in strijd met het internationaal recht bezet worden gehouden?
Nee. De versoepeling van regels van oorsprong in het Algemeen Preferentieel Stelsel heeft ten doel ontwikkelingslanden betere toegang tot de EU-markt te bieden. Op grond van Verordening (EU) nr. 978/2012 vallen momenteel 89 landen onder het Algemeen Preferentieel Systeem (APS). De lijst van APS-landen kan onder meer worden geraadpleegd op de website van de Douane in de rubriek «douane voor bedrijven».
Worden afspraken omtrent duurzame ontwikkeling, eerlijke handel en mensenrechten uit vrijhandelsakkoorden en het «Generalised Scheme of Preferences» (GSP) geïmplementeerd in het Nederlandse handelsbeleid? Zo ja, hoe gebeurt dit?
Nederland zet zich binnen Europa in om afspraken te maken over duurzame ontwikkeling, eerlijke handel en mensenrechten. Vrijhandels- en politieke akkoorden zijn daartoe een belangrijk middel. Afspraken over handel en duurzaamheid in handelsakkoorden betreffen veelal afspraken over samenwerking tussen de Europese Commissie en de partij waarmee het akkoord wordt afgesloten. Met de nieuwe handelsstrategie heeft de Commissie de ambitie neergezet om lidstaten meer te betrekken bij de implementatie van deze afspraken. Hoe deze verbeterde implementatie er uit gaat zien, is nog niet duidelijk. De Commissie werkt momenteel aan een plan van aanpak. Dit geldt ook voor afspraken over eerlijke handel.
Afspraken over duurzame ontwikkeling in vrijhandelsakkoorden bevatten doorgaans ook een bekrachtiging van de fundamentele arbeidsconventies van de ILO. Nederland ondersteunt deze afspraken door ook in bilaterale contacten met andere landen aan te dringen op ratificatie en implementatie van deze conventies. Hetzelfde geldt voor de mensenrechtenverdragen die onderdeel zijn van APS+.
Hoe gaat het voornemen uit de strategie om mensenrechten in het kader van handel te waarborgen wat u betreft invulling krijgen?
De invloed van handels- en investeringsakkoorden op mensenrechten zou moeten worden meegenomen in de impact assessments van deze akkoorden. Voor geïdentificeerde risico’s moeten geschikte maatregelen worden genomen. Deze maatregelen moeten in overleg met de EU lidstaten worden vastgesteld en zullen per handelsakkoord verschillend zijn.
Een belangrijk onderdeel van de duurzaamheidsafspraken die doorgaans in EU-handelsakkoorden worden opgenomen is het betrekken van het maatschappelijk middenveld bij de monitoring, een praktijk die in de betreffende landen niet altijd gemeengoed is. Op het gebied van ASP+ is het voornemen van de EU (vastgelegd in het EU-actieplan voor Mensenrechten en Democratie2) om meer samen te gaan werken met internationale organisaties als de ILO voor implementatie en handhaving van de verdragen in kwestie. In hetzelfde plan is vastgelegd dat afspraken over duurzaamheid en MVO ook een plek moeten krijgen in investeringsovereenkomsten die door de EU worden onderhandeld of herzien.
Krijgen de voornemens tot beantwoording van de publieke verwachtingen over regulering en investering, en het beschermen van Europese standaarden omtrent consument, milieu en sociale rechten, concrete invulling in het Nederlandse handelsbeleid? Zo ja, hoe?
In de mededeling benadrukt de Commissie dat lidstaten eigen beleidsruimte blijven houden en dat handelsakkoorden niet zullen leiden tot een verlaging van standaarden op het gebied van consumentenbescherming, milieu en arbeidsvoorwaarden. Een wijziging in het beschermingsniveau in verband met een handelsakkoord kan volgens de Commissie alleen maar een bijstelling naar boven zijn. De Commissie zal zich inspannen om handel en andere beleidsterreinen, waarop handel van invloed kan zijn, zoals mensenrechten en sociale- en milieustandaarden, beter te integreren.
Het Nederlandse kabinet vraagt ook consequent aandacht voor het handhaven van het niveau van standaarden in handelsakkoorden. Er mag wat Nederland betreft niet ingeboet worden op EU-normen. Tevens wil het kabinet de beleidsvrijheid blijven behouden om wetgeving op te stellen op het gebied van veiligheid en bescherming van mens, dier, plant en milieu.
Wat betekent de genoemde waarde «transparantie» concreet voor het verdere onderhandelingsproces van TTIP en onderhandelingen van handelsverdragen in de toekomst?
Het kabinet is voorstander van maximale transparantie van onderhandelingen over handels- en investeringsakkoorden. Het is daarom positief dat de Commissie dit als belangrijke waarde heeft benoemd in de handelsstrategie. De Europese Commissie publiceert al veel informatie. Bij de onderhandelingen over TTIP worden EU-tekstvoorstellen online gepubliceerd, nadat een eerste versie met de VS is gedeeld. Ook is er voor elk hoofdstuk een toelichting van de inhoud en inzet van de EU en zijn er verschillende factsheets met verdere verdieping. Ook bij andere onderhandelingen laat de Commissie zien al invulling te geven aan het verzoek om meer transparantie. Zo staan voor de onderhandelingen over het plurilaterale dienstenakkoord (TiSA) het mandaat en de EU-tekstvoorstellen online en zijn de teksten voor de Economische Partnerschapsakkoorden met Westelijk, Zuidelijk en Oostelijk Afrika gepubliceerd. Deze transparantie wordt ook doorgezet in toekomstige onderhandelingen. Wel dient te worden bedacht dat iedere vorm van onderhandeling, of dit nu handelsakkoorden of cao-onderhandelingen betreft, gepaard gaat met enige mate van vertrouwelijkheid gedurende het proces.
Deelt u de mening dat de opname van geheime-arbitragevoorzieningen voor buitenlandse investeerders in door Nederland getekende of te tekenen handelsverdragen op gespannen voet staat met de verklaarde wens tot transparantie? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet wil het mechanisme van investeringsbescherming, waaronder de procedures voor beslechting van investeringsgeschillen, moderniseren. Een belangrijk onderdeel van die modernisering is het vergroten van transparantie in de geschillenbeslechtingsprocedure. In EU-kader is gewerkt aan een nieuwe standaard voor investeringsbescherming. Zoals u bekend, heeft Nederland hieraan een substantiële bijdrage geleverd. De bestaande bilaterale investeringsbeschermingsovereenkomsten (IBO’s) van Nederland, die nog niet voorzien in die vergrote transparantie, zullen herzien worden in lijn met de nieuwe EU-standaard.
Wat zijn de vorderingen in het herzien van het model-IBO dat Nederland omtrent handel hanteert? Wanneer verwacht u deze te presenteren?
Naar aanleiding van de uitkomsten van het huidige debat over de herziening van het beleid ten aanzien van investeringsbescherming en geschillenbeslechting in investeringsbeschermingsovereenkomsten zal Nederland de modeltekst voor dergelijke akkoorden aanpassen. Dit zal in overleg gaan met alle stakeholders. Hierbij wordt aangesloten op de EU-standaard. Zo zal Nederland onder meer bedrijven zonder substantiële bedrijfsactiviteiten uitsluiten.
Kunt u deze vragen vóór 23 november a.s. beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de Europese Commissie de Nederlandse tax ruling als illegale staatssteun bestempelt |
|
Arnold Merkies |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de stelling dat in de tax ruling met Starbucks kunstmatige en complexe methoden zijn goedgekeurd om de belastbare winst voor de ondernemingen te bepalen en dat deze methoden de economische realiteit niet weerspiegelen?
Transfer pricing regels – al dan niet vooraf toegepast in een ruling – zijn soms complex, maar altijd gericht op een economisch realistische winstverdeling tussen concernonderdelen. Multinationale concerns zijn grote complexe organisaties, waar waardecreatie plaatsvindt door het verrichten van functies, het gebruik van activa en het lopen van risico’s. Die elementen zijn bovendien verdeeld over diverse landen. Elk multinationaal concern is anders georganiseerd, waardoor een gedegen analyse van het gehele feitencomplex onontbeerlijk is om vast te stellen in welke landen de waardecreatie plaatsvindt. De verdeling van de totale winst van een multinationaal concern over de afzonderlijke onderdelen daarvan kan daarom een complex proces zijn.
Het «arm’s length-beginsel» is de internationale standaard om een economisch realistische winstverdeling binnen een multinationale onderneming over de diverse landen vast te stellen.
Het «arm’s length-beginsel» zoals opgenomen in artikel 8b van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 en nader toegelicht in het verrekenprijsbesluit van november 2013 is in lijn met de OESO Transfer Pricing Guidelines. De OESO Transfer Pricing Guidelines kennen vijf verrekenprijsmethoden. In de APA met Starbucks Manufacturing EMEA BV is na een gedegen analyse de internationaal meest gebruikte OESO verrekenprijsmethode, de Transactional Net Margin Method (TNMM) gehanteerd, omdat die het beste past bij de functie die de Nederlandse belastingplichtige vervult binnen het gehele Starbucks concern. De OESO Transfer Pricing Guidelines geven immers aan dat een dergelijke eenzijdige methode toepasbaar is in gevallen waarin één van de betrokken partijen unieke bijdragen levert aan de transactie, terwijl de andere partij alleen routinematige bijdragen levert. In het geval van Starbucks betekent dit, omdat het branden van koffie als de routinematige functie (een zogenoemde less complex function) dient te worden aangemerkt, dat haar winst kan worden vastgesteld met behulp van de TNMM, waarbij gebruik gemaakt wordt van gegevens van vergelijkbare transacties tussen onafhankelijke derden. Bij de TNMM wordt een winstopslag toegepast op kosten, activa of omzet. Bij het vaststellen van de hoogte van de zakelijke winst van Starbucks Manufacturing EMEA BV, op basis van deze TNMM methode, heeft een vergelijking plaatsgevonden met winstgevendheid van onafhankelijke partijen die soortgelijke koffiebrandactiviteiten verrichten. De winstgevendheid van Starbucks Manufacturing EMEA BV is dan ook juist heel goed vergelijkbaar met de winstgevendheid van andere partijen die koffiebrandactiviteiten verrichten en weerspiegelt daarmee de economische realiteit.
De vaststelling van een arm's length winst van andere partijen in de waardeketen van Starbucks is de verantwoordelijkheid van de belastingautoriteit in het land van vestiging van deze partijen. De Nederlandse belastingdienst veronderstelt dat de betaalde prijs voor koffiebonen en de betaalde royalties bij de ontvangers daarvan hebben geleid tot een arm's length winst. Maar zelfs als dat niet het geval zou zijn, zou dat geen invloed hebben op de in Nederland vastgestelde arm's length winst.
Heeft het imago van Nederland volgens u een deuk opgelopen als gevolg van de uitspraak van de Europese Commissie? Zo nee, waarom niet?
De Europese Commissie heeft eerder geconcludeerd dat de Nederlandse APA-/ATR-praktijk doorgaans werkt met een grondige beoordeling op basis van uitgebreide informatie die de belastingplichtige moet verschaffen.1 Ook de Algemene Rekenkamer heeft geconcludeerd dat de rulingpraktijk zorgvuldig is. Het besluit van de Europese Commissie betreft een individuele zaak. Het is op dit moment daarom onjuist om te concluderen dat met het besluit van de Europese Commissie in de Starbucks zaak de geloofwaardigheid van Nederland op het spel is komen te staan.
Kunt u zo helder mogelijk aangeven waarop de Europese Commissie baseert dat de royalty die Starbucks Manufacturing aan Alki betaalt de marktwaarde niet weerspiegelt? Kunt u daarbij aangeven waarop u baseert dat deze wel marktconform zijn?
De Europese Commissie is van oordeel dat de in de APA gehanteerde TNMM-methode niet de juiste verrekenprijsmethode is. De Europese Commissie komt op basis van een comparable uncontrolled price analyse (CUP)2 tot het oordeel dat de hoogte van de royalty voor Starbucks Manufacturing EMEA BV nul zou moeten zijn. Starbucks Manufacturing EMEA BV zou dus niet mogen betalen voor de aan haar ter beschikking gestelde intellectuele eigendom. Tevens geeft de Europese Commissie aan dat de betaalde royalty’s niet zakelijk zouden zijn omdat Starbucks Manufacturing EMEA BV in haar optiek geen enkel zakelijk voordeel lijkt te halen uit het gebruik van het intellectuele eigendom.
Zoals bij het antwoord op vraag 1 is aangegeven, is in de APA met Starbucks Manufacturing EMEA BV de zakelijke winst vastgesteld op basis van de TNMM. De winstgevendheid van de door de Europese Commissie gebruikte derde branders van koffie voor Starbucks is vergelijkbaar met de voor Starbucks Manufacturing EMEA BV vastgestelde winst.
Bij toepassing van de TNMM wordt dus niet de zakelijkheid van de royalty direct beoordeeld, maar de zakelijkheid van de winstgevendheid van de activiteiten van Starbucks Manufacturing EMEA BV in Nederland. Op deze wijze is het vaststellen van de waarde van het beschikbaar gestelde intellectuele eigendom volgens de Transfer Pricing Guidelines niet nodig.
Klopt het dat Starbucks Manufacturing voor knowhow betaalt, terwijl alle andere ondernemingen van de Starbucksgroep geen royalty hoeven te betalen voor gebruik van knowhow die in wezen hetzelfde is?
De vraag of andere partijen wel of geen royalty hoeven te betalen voor het gebruik van knowhow die in wezen hetzelfde is, is pas relevant als wordt vastgesteld dat die andere partijen vergelijkbare transacties onder vergelijkbare omstandigheden aangaan. In de visie van Nederland is dat in situaties waarin intellectueel eigendom een rol speelt niet snel het geval.
Indien er grote bedragen worden betaald aan royalty’s aan een brievenbusfirma in Engeland, vindt u het dan relevant om te weten of de daar ontstane winsten worden belast?
Zoals hiervoor uiteengezet, baseert de Nederlandse belastinginspecteur de hoogte van de Nederlandse belastingaanslag op de winst die verband houdt met de waarde toegevoegd door de in Nederland uitgeoefende functies, gebruikte activa en gelopen risico’s. Indien feitelijk vast staat dat de waarde van bijvoorbeeld immateriële activa niet in Nederland wordt gecreëerd, kan derhalve de daarmee verband houdende winst ook niet door Nederland belast worden. Dit ongeacht het van toepassing zijnde belastingtarief in het andere land. Hoewel dit losstaat van de vraag of de aan Nederland toerekenbare winst juist is vastgesteld, wil ik hierbij nog opmerken dat in het BEPS-rapport voor verschillende situaties waarbij inkomensbestanddelen niet of pas op een later moment in de heffing worden betrokken, voorstellen zijn gedaan om dit tegen te gaan. Waar deze situaties bijvoorbeeld worden veroorzaakt door dispariteiten tussen belastingstelsels, zoals hybride mismatches, heb ik in mijn brief van 5 oktober jl.3 aangegeven in te zetten op bindende multilaterale afspraken in EU-verband die dit tegengaan.
Vindt u het, ongeacht de gekozen berekeningsmethode voor transfer pricing, relevant om te weten voor welke prijs het Nederlandse dochterbedrijf Starbucks Manufacturing BV bonen inkoopt bij het Zwitserse Starbucks Coffee Trading SARL?
De prijs voor ingekochte bonen is alleen relevant voor de Nederlandse belastingheffing voor zover die prijs de belastbare winst beïnvloedt. De relevantie is daarbij afhankelijk van de methode die wordt gebruikt om de Nederlandse belastbare winst te bepalen. Bij gebruik van een methode, waarbij alleen een marge wordt toegepast op de operationele kosten en de kosten van bonen daar gezien de feiten en omstandigheden conform de OESO Transfer Pricing Guidelines geen deel van uitmaken, is de hoogte van die prijs niet relevant. De Nederlandse belastinginspecteur stelt de hoogte van de Nederlandse belastingaanslag vast op de winst die verband houdt met de waarde toegevoegd door de in Nederland uitgeoefende functies, gebruikte activa en gelopen risico’s.
Acht u het marktconform dat de marge op koffiebonen die Starbucks Manufacturing betaalt, sinds 2011 meer dan verdrievoudigd is?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven hoe hoog volgens u de effectieve belastingheffing is bij Starbucks Manufacturing BV? Zo nee, waarom niet?
In de APA is de zakelijke winst voor de Nederland activiteiten van Starbucks Manufacturing EMEA BV vastgesteld. Deze winst is belast tegen het wettelijke tarief van de vennootschapsbelasting.
Voortdurende onbereikbaarheid van 112 voor doven en slechthorenden |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA), Otwin van Dijk (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «112 onvoldoende bereikbaar: levensgevaarlijke risico’s voor doven en zwaar slechthorenden» op de website van Signaal?1 Herinnert u zich uw eerdere antwoorden van 26 mei 2014 over open standaarden voor KPN Teletolk?2 Herinnert u zich uw brief van 26 juni 2015, met daarin informatie over de voorzieningen voor 112 voor doven en slechthorenden?3
Ja.
Hoe verhoudt uw constatering dat «in de bereikbaarheid van 112 via deze voorziening problemen kunnen ontstaan» zich tot de conclusie in het artikel van Signaal «in meer dan de helft van de testsituaties ontvingen zij geen antwoord in tekst terug van de 112-centralisten»?
De 112-voorziening voor doven en slechthorenden zou zonder problemen moeten werken. Om die reden heeft de politie samen met de leverancier van de Signcall app in de afgelopen tijd prioriteit gegeven aan het oplossen van problemen in de 112-dienstverlening.
In mijn brief van 26 juni 2015 schreef ik dat «in de bereikbaarheid van 112 via deze voorziening [voor doven en slechthorenden] problemen kunnen ontstaan». Met «problemen» doelde ik destijds op problemen die binnen de gehele keten kunnen ontstaan. Hierbij spelen verschillende factoren een rol, die – net als bij een gewone 112-oproep – van invloed zijn op het slagen van een noodoproep, zoals dekking, type toestel en omliggende bebouwing. Ik heb toen aangegeven dat de bereikbaarheid van 112 via de apps voor doven en slechthorenden uitgebreid getest zou worden met de medewerking van belangenvereniging Signaal. De conclusie in het artikel van Signaal is gebaseerd op het resultaat van deze gezamenlijke ketentesten, die in augustus hebben plaatsgevonden.
Kort voor deze testen heeft een software-upgrade van de app door de leverancier plaatsgevonden. Uit technisch onderzoek is gebleken dat de problematiek die in het artikel aan de orde is gesteld ten aanzien van de beantwoording van meldingen, werd veroorzaakt door deze software-upgrade. De oplossing hiervoor was een nieuwe software-upgrade over de gehele keten. Om deze nieuwe software-upgrade met een positief resultaat te kunnen doorvoeren, heeft een uitgebreid proces van testen en accepteren door de leverancier en de politie plaatsgevonden. Op 23 oktober jongstleden is dit proces succesvol afgerond. Daarmee is de 112-dienstverlening voor doven en slechthorenden hersteld en werkt deze, behoudens de standaardfactoren die van invloed kunnen zijn op het slagen van een oproep, naar behoren. Omdat de voorziening relatief weinig wordt gebruikt, zullen op regelmatige basis tests worden uitgevoerd met vertegenwoordigers van de doelgroep.
Met het oog op het belang van een goede kwaliteit van de 112-voorziening heb ik besloten om een onafhankelijke partij (TNO) onderzoek te laten doen naar het stelsel en mogelijkheden om de bereikbaarheid van 112 voor doven en slechthorenden verder te verbeteren. De uitkomsten van dit onderzoek zullen naar verwachting eind november bekend worden.
Deelt u de constatering dat het volstrekt ontoelaatbaar is dat in een groot aantal van de gesprekken van doven en slechthorenden met 112 de verbinding niet betrouwbaar is? Zo ja, waarom laat een oplossing dan al enige tijd op zich wachten?
Zie antwoord vraag 2.
Is inmiddels duidelijk waardoor de problemen veroorzaakt worden in het bereiken van 112 door doven en slechthorenden? Zo nee, wat is de voortgang van het technisch onderzoek?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u de aanbevelingen van het Europese REACH112-project volledig overgenomen? Zo nee, waarom niet en verwacht u dit nog in 2015 te gaan doen? Zo ja, waar blijkt dat uit?
De Europese pilot Reach 112 heeft tot inzichten en adviezen geleid voor de dienstverlening aan doven en slechthorenden. De adviezen zijn aangeboden aan de Europese Commissie en hebben geleid tot het instellen van de internationale Total Conversation standaard. De huidige voorzieningen voor doven en slechthorenden om 112 te bereiken is gebaseerd op deze standaard. In het hierboven genoemde onderzoek van TNO is mede onderzocht of er op basis van de bevindingen uit Reach 112 aanvullende verbeteringen voor de Nederlandse situatie mogelijk zijn.
Bent u bereid de technische onderzoeken naar de bereikbaarheid en betrouwbaarheid van 112 voor doven en slechthorenden aan de Kamer te sturen?
Ik heb een selectie gemaakt van voor u relevante rapportages van de technische onderzoeken naar de bereikbaarheid en betrouwbaarheid van 112 voor doven en slechthorenden. Deze heb ik toegevoegd als bijlagen4 bij deze brief. Het gaat om door de leverancier opgestelde technische rapportages, waarin de gevonden knelpunten en doorgevoerde oplossingen worden genoemd.
Kunt u toezeggen dat 112 binnen drie maanden betrouwbaar bereikbaar is voor doven en slechthorenden? Zo nee, op welke termijn kunt u wel toezeggen dat doven en slechthorenden betrouwbaar het noodnummer kunnen bellen? Welke adviezen heeft u voor doven en slechthorenden als ze in de tussentijd een hulpdienst moeten bereiken?
Zie antwoord vraag 2.
De pilots voor het eID stelsel |
|
Ingrid de Caluwé (VVD), Helma Neppérus (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich de toezegging in het algemeen overleg van 20 mei 2015 over ICT, dat de evaluatiecriteria voor de pilots voor het eID stelsel voor het begin van de pilots worden vastgesteld, zodat iedereen weet waaraan die evaluatie wordt getoetst?
Ja, deze toezegging herinner ik mij.
Bent u bekend met de belofte om de Kamer in het najaar een SMARTER geformuleerde versie van de evaluatiecriteria toe te zenden, zodat deze voorafgaand aan de pilots in het algemeen overleg Pilotvoorwaarden en pilotcriteria eID Stelsel op 25 november 2015 kunnen worden besproken?1
Ja, met deze belofte ben ik bekend en daar zal ik mij aan houden. Zoals reeds toegezegd in de Kamervragen die door het lid de Caluwé zijn gesteld op 24 september 2015,2 ontvangt u de criteria tijdig voor het Algemeen Overleg van 25 november aanstaande. Opgemerkt dient te worden dat de evaluatiecriteria in samenspraak met de evaluatiecommissie nog verder uitgewerkt zullen worden.3
Klopt het dat één van de eID pilots, met bankmiddelen inloggen bij de belastingdienst, op het punt staat om te starten, nog vóórdat de SMART evaluatiecriteria met de Kamer zijn besproken en nog vóórdat de pilots eID officieel van start gaan?
De Belastingdienst heeft het voornemen om vanaf half december een pilot te starten met enkele banken voor het beproeven van het gebruik van inlogmiddelen van banken voor transacties met de Belastingdienst. In de brieven van 9 februari4 en 30 juni 20155 over Idensys (toen nog eID Stelsel), is aangekondigd dat de Belastingdienst verkennende gesprekken voerde met banken voor een dergelijke pilot. Deze is in die brieven gepositioneerd naast de pilots met private middelen in het kader van Idensys. Dit mede vanwege het feit dat de banken het initiatief hebben genomen om hun inlogmiddelen breder beschikbaar te maken, zowel voor private organisaties (webwinkels ed.) als voor publieke. De Belastingdienst is de eerste publieke organisatie die van deze mogelijkheid gebruik wil maken. Voor de pilot met de banken hanteert de Belastingdienst een vergelijkbaar normenkader en een zelfde set aan evaluatiecriteria als de Idensys pilots, mits deze normen en criteria niet strijdig zijn met de vigerende toezichts- en normenkaders voor elektronisch betalingsverkeer waaraan de banken zijn onderworpen. Deze pilot biedt ruimte om op zodanig tijdstip te starten, dat gebruik voor de belastingaangifte 2015 mogelijk wordt. De daarvoor benodigde wijzigingen in systemen zijn in gang gezet. Op deze wijze draagt de pilot met de banken bij aan de evaluatie volgend jaar over het gebruik van private inlogmiddelen bij de overheid en sluit aan bij de gewenste koers: het realiseren van een standaard voor online toegang tot dienstverlening van overheid en bedrijven. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de breed gedragen wens om via een multimiddelenstrategie het risico op een single point of failure te reduceren.
Hoe verhoudt dit zich tot de toezegging dat eerst met de Kamer wordt gesproken, alvorens de pilots van start gaan?
De feitelijke start van de pilot met de banken is gepland vanaf half december aanstaande en is derhalve na het Algemeen Overleg van 25 november. De Staatssecretaris van Financiën zal u in een separate brief nader informeren over de evaluatiecriteria voor de bankenpilot.
In hoeverre is het bij de banken en de belastingdienst bekend dat de evaluatiecriteria voor de pilots nog worden besproken met de Kamer?
Dit is bij de deelnemende banken en de Belastingdienst bekend.
Bent u van mening dat het niet zo kan zijn dat één pilot alvast start zonder de toegezegde bespreking met de Kamer, terwijl de andere pilots op de afloop van het algemeen overleg van 25 november a.s. aan het wachten zijn? Zo nee, waarom niet?
De bankenpilot zal net als de Idensys pilots in december 2015 van start gaan. De pilot met inlogmiddelen van banken volgt daarmee in beginsel hetzelfde tijdpad als de Idensys pilots.
Bent u bereid pas met de banken-pilot te starten, nadat de Kamer de evaluatiecriteria heeft besproken? Zo nee, waarom niet?
De planning is om de pilot met inlogmiddelen van banken te starten vanaf half december, in eerste instantie met een kleine doelgroep. Vanaf 1 maart zal deze verbreed worden, zodat de bankmiddelen dan voor de hele pilotgroep bruikbaar zijn voor de belastingaangifte 2015. De start zal dus sowieso pas zijn nadat met de Kamer is gesproken over de evaluatiecriteria voor de Idensys pilots.
Bent u bereid de vragen binnen één week te beantwoorden, aangezien de start van de banken-pilot al op stapel lijkt te staan?
Ja. Ik heb u eerder gemeld toch nog iets meer tijd nodig te hebben voor de beantwoording van de vragen. Hierbij is het gelukt om de uitlooptijd tot een minimum te beperken.
Kosten van RADAR |
|
Mona Keijzer (CDA), Sharon Gesthuizen (GL), Kees Verhoeven (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Waaruit blijkt dat de waarde van de leveringsovereenkomst voor RADAR met Capgemini in totaal 1.585.812,– euro (incl. BTW) bedroeg?
De waarde van de leveringsovereenkomst kan worden onderbouwd met drie vertrouwelijke stukken, die ik aanvullend op de eerdere stukken vertrouwelijk voor u ter inzage zal leggen:
In de Specificatie ziet u dat CapGemini niet één fixed price voor de bouw heeft geoffreerd. Capgemini heeft een fixed price geoffreerd voor de bouw én beheer én onderhoud in een «keuzemenu». Dienst Justis heeft echter niet voor dit complete menu gekozen. Een aantal onderdelen van de offerte heeft Dienst Justis niet bij Capgemini afgenomen, bijvoorbeeld licenties die Dienst Justis zelf heeft aangeschaft. De waarde van de leveringsovereenkomst is daardoor een berekening achteraf van de wél afgenomen onderdelen voor de bouw.
Bij het beantwoorden van uw vraag heb ik geconstateerd dat in mijn brief van 27 augustus 2015 (Kamerstuk 29 911, nr. 116) in het antwoord op vraag 4 van de SP-fractie twee fouten zijn gemaakt. Ik betreur deze fouten zeer en wil deze herstellen.
In een bijlage treft u het nieuwe antwoord op vraag 4 aan. Hoewel de cijfers zijn aangepast, is de inhoudelijke strekking van het antwoord ongewijzigd.
Is er in de periode tussen de leveringsovereenkomst ter waarde van 1.585.812,– euro en de meerwerkafrekening bij de beëindiging van de overeenkomst (via een vaststellingsovereenkomst ter waarde van 1.849.365,– euro) verder meerwerk aan Capgemini betaald? Zo ja, kunt u dit meerwerk en de waarde daarvan toelichten?
In mijn brief van 27 augustus 2015 heb ik in het antwoord op vraag 4 aangegeven welke bedragen gemoeid waren met de inzet van Capgemini voor de ontwikkeling van RADAR en welk bedrag voor meerwerk daaraan was verbonden, te weten: € 1.849.365 (incl. BTW). Daarbij heb ik aangegeven dat het hier gaat om het deel meerwerk dat betrekking had op de interface met de Kamer van Koophandel (KvK) aan de Dienst Justis-zijde, zoals uitgelegd in de antwoorden op de vragen 36 en 37 van het CDA.
Los daarvan is meerwerk aan Capgemini betaald voor de ondersteuning door Capgemini aan de zijde van de KvK, zodat een maatwerkkoppeling naar Dienst Justis ontwikkeld kon worden. Dit staat in het antwoord op vraag 10 vermeld. Mijn inschatting is dat dit meerwerk rond de € 350.000 incl. BTW heeft gekost. Omdat dit meerwerk is gecontracteerd in een pakket waar ook ander meerwerk in zat, zou voor precisering van dit bedrag een uitsplitsing van facturen moeten plaatsvinden.
Welke kosten zijn er totaal gemaakt voor de externe inhuur voor de ontwikkeling van specifiek RADAR als onderdeel van het Programma Herziening Toezicht op Rechtspersonen?
In mijn brief van 27 augustus 2015 heb ik in het antwoord op vraag 9 en 10 van de SP en vraag 18 van het CDA aangegeven dat voor het Programma Herziening Toezicht op Rechtspersonen (HTR), waar het project RADAR onderdeel van was, tientallen externen zijn ingezet voor onder andere project- en programmamanagement, procesaudits, functiepuntentellingen en juridisch advies.
Op het Rijks ICT Dashboard is destijds gepubliceerd dat de externe inhuur voor de ontwikkeling van RADAR als onderdeel van het programma HTR € 7,8 miljoen heeft gekost. Bij controle van het dashboard is mij gebleken dat de in 2013 aangeleverde gegevens op dit moment niet worden getoond. Ik zal dit laten herstellen. Het bestand met de betreffende gegevens is tevens bijgevoegd.
Kunt u deze kosten uitsplitsen en specificeren per ingehuurde persoon, functie, termijn van inhuur en uurtarief? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 27 augustus 2015 heb ik in het antwoord op vraag 32 van het CDA aangegeven dat een overzicht van gehanteerde uurtarieven beschikbaar is vanuit de contracten met Capgemini en Sogeti, deze contracten heb ik vertrouwelijk ter inzage laten leggen.
De door u gevraagde uitsplitsing en specificatie per ingehuurde persoon, functie, termijn van inhuur en uurtarief kan ik alleen leveren na een aanzienlijke inspanning. De administratieve bescheiden uit de betreffende periode zouden opnieuw handmatig moeten worden doorgelopen voor alle ingehuurde personen. De administratie van het Programma Herziening Toezicht op Rechtspersonen is destijds niet ingericht op het eenvoudig genereren van de door u gevraagde informatie, de gegevens zijn bijvoorbeeld verspreid over meerdere informatiesystemen. Ik geef u daarom in overweging mee, met het oog op administratieve lastendruk, af te zien van deze inspanning. Indien u aangeeft uw vraag te handhaven, dan zal ik u een planning doen toekomen, met een streefdatum van beantwoording in de eerste helft van 2016.
Kunt u aangeven waar precies in het Rijks-ICT Dashboard transparant is gerapporteerd over de totale kosten van externe inhuur voor ICT voor Herziening Toezicht Rechtspersonen?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom kon de dienst Justis na de contractbreuk met Capgemini in de overgangsperiode de medewerkers van Capgemini wel aansturen, terwijl dat in de jaren daarvoor niet het geval was ondanks de miljoenen euro’s die toen aan projectmanagers zijn uitgegeven?
In mijn brief van 27 augustus heb ik in het antwoord op vraag 4 van de SP en vraag 7 van het CDA aangegeven dat Dienst Justis in de overbruggingsperiode naar een nieuwe leverancier de medewerkers van Capgemini rechtstreeks aanstuurde. Daarmee was sprake van een fundamenteel andere werkwijze dan daarvoor, toen Capgemini zelf haar eigen medewerkers aanstuurde, omdat Capgemini verantwoordelijk was voor het opleveren van RADAR volgens fixed price en fixed date principe. De rechtstreekse aansturing door Dienst Justis van de medewerkers van Capgemini bood meer ruimte om adequaat in te spelen op gewijzigde inzichten.
Er is overigens geen sprake geweest van contractbreuk zoals uw vraagstelling stelt. Dienst Justis en Capgemini hebben een vaststellingsovereenkomst getekend, die duidelijke afspraken bevatte over hoe de leveringsovereenkomst werd beëindigd, maar ook duidelijke afspraken bevatte naar de toekomst.
Een juridische analyse van de visie van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) op de Kip van Morgen |
|
Jaco Geurts (CDA), Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Dierenwelzijn in Nederland; civielrechtelijke regeling voor de «Kip van Morgen»»?1
Ja.
Zou volgens u een informele zienswijze van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) moeten voldoen aan de motiverings- en bewijsverplichtingen die gelden voor een besluit? Zo nee, waarom niet?
De ACM is net als elk overheidsorgaan gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het motiveringsbeginsel. In een informele zienswijze dient de ACM haar oordeel te motiveren. Wel ligt de lat hierbij lager dan bij een formeel besluit waaraan rechtsgevolgen verbonden zijn. Een informele zienswijze betreft geen formeel besluit van de ACM. Het instrument is bedoeld om ondernemingen in een vroegtijdig stadium duidelijkheid te verschaffen over de visie van de ACM op een concrete nieuwe rechtsvraag waarbij een groot economisch of maatschappelijk belang is betrokken.
Een informele zienswijze is een voorlopig oordeel en bindt de ACM en de betrokken ondernemingen niet. Het staat de ACM en eventuele andere bevoegde autoriteiten, zoals de Europese Commissie, vrij om in voorkomende gevallen anders te oordelen als daartoe aanleiding is.
Deelt u de constatering dat met de analyse van de ACM publieke belangen zoals duurzaamheid en dierenwelzijn eigenlijk niet meewegen omdat de ACM enkel kijkt naar wat de consument over heeft voor duurzaamheid of dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze constatering niet. De ACM volgt bij de beoordeling van duurzaamheidsinitiatieven de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid en haar eigen visiedocument mededinging en duurzaamheid. Bij deze beoordeling worden publieke belangen, zoals milieu en dierenwelzijn, meegenomen. Ik vind wel dat nog duidelijker gemaakt kan worden wat wel en niet kan en hoe bepaalde belangen meegenomen kunnen worden. Daartoe wordt de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid aangepast. Ik verwacht ik de aangepaste Beleidsregel mededinging en duurzaamheid eind dit jaar vast te kunnen stellen.
Deelt u de constatering dat onder verwijzing naar het Wouters-arrest bij de toepassing van het kartelverbod rekening gehouden moet worden met het publieke belang dat met de betreffende afspraken mogelijk gediend wordt en dat in het geval van de Kip van Morgen niet hoeft te worden aangetoond dat de afspraken efficiëntievoordelen opleveren die ten goede komen aan de portemonnee van de eindgebruikers?
Bij de toepassing van het kartelverbod dient inderdaad rekening te worden gehouden met de publieke belangen die door de afspraak mogelijk worden gediend. Het Wouters arrest en andere jurisprudentie dienen hierbij te worden meegenomen. De concrete beoordeling of het kartelverbod al dan niet van toepassing is, is aan de ACM.
Bent u bereid de Europese Commissie te vragen nadere invulling te geven aan de leer van de inherente beperkingen?
In mijn brief aan eurocommissaris Vestager van 29 juni jl. heb ik aandacht gevraagd voor ruimte voor duurzaamheidsinitiatieven binnen de leer van de inherente beperkingen. Op basis van de briefwisseling tussen de eurocommissaris en mij zijn medewerkers van de Europese Commissie en van mijn ministerie met elkaar in contact. Wanneer het overleg met de Europese Commissie is afgerond, kom ik daar bij uw Kamer op terug.
Deelt u de mening dat de ACM zonder uitvoerige motivering heeft vastgesteld dat bij de Kip van Morgen sprake is van een overtreding van het kartelverbod, terwijl sprake is van een inkoopafspraak en niet van prijs- en marktverdelingsafspraken of een capaciteitsreductiekartel? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. Wel had ik graag gezien dat de afspraken rond de Kip van Morgen mogelijk waren geweest binnen de kaders van de Mededingingswet, omdat ik positief sta tegenover duurzaamheidsinitiatieven die door bedrijven of maatschappelijke organisaties worden genomen. De concrete beoordeling is echter aan de ACM.
Bent u van mening dat bij een mededingingstoets duurzaamheidswaarden niet alleen gemonetariseerd moeten worden, maar dat ook de voordelen die zich op langere termijn zullen voordoen meegewogen dienen te worden zoals de voorganger van de ACM in het verleden ook deed?
Ik ben inderdaad van mening dat bij een mededingingstoets de duurzaamheidsvoordelen die zich op langere termijn zullen voordoen, waarvan voldoende aannemelijk is dat ze zich daadwerkelijk gaan voordoen, meegewogen dienen te worden. Dit is ook genoemd in artikelen 2a en 2b van de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid (Stcrt. 2014, 13375).
Vindt u dat de Willingness to pay-methode om het belang van consumenten in geld uit te drukken onvoldoende rekening houdt met het publiek belang en dat hierbij aanvullende onderzoeksmethoden gebruikt hadden moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Bij de analyse van de Kip van Morgen door de ACM zijn verschillende onderzoeksmethoden gebruikt. Zo is gebruikgemaakt van de «willingness to pay»-methode om de waardering van consumenten van de effecten voor dierenwelzijn mee te nemen. Daarnaast is er, via een andere methode waarbij schaduwprijzen zijn gehanteerd, gekeken naar de waardering van de milieueffecten en de effecten voor de volksgezondheid. Bij de aanpassing van de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid zal er aandacht zijn voor mogelijke andere methoden.
Bent u voornemens de in het artikel genoemde commentaarpunten, onder meer het expliciet meewegen van langetermijneffecten, mee te nemen bij de aanpassing van de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 7 en 8.
Bent u bereid voor het eind van het jaar de gewijzigde Beleidsregel mededinging en duurzaamheid naar de Kamer te sturen? Zo nee, wanneer kan de Kamer de gewijzigde Beleidsregel verwachten?
Ja. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven, verwacht ik de aangepaste Beleidsregel mededinging en duurzaamheid eind dit jaar vast te kunnen stellen (Kamerstukken II, 2014–2015, 30 196 nr. 354).
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overleg met de Europese Commissie over de Europese mededingingsregels in relatie tot duurzaamheid?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de plenaire behandeling van de begroting Economische Zaken, onderdeel Landbouw en Natuur?
Ja.
Het monopolie van softwareleveranciers van gemeenten |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA), Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Hebt u kennis genomen van het bericht «PinkRoccade en Centric «misbruiken marktmacht»»1? Hebt u tevens kennis genomen van het onderliggende onderzoek?
Ja. In het bedoelde artikel staat dat het gebaseerd is op «gezamenlijk onderzoek van NRC Handelsblad en Reporter Radio naar de gemeentelijke ICT- markt». Ik beschik niet over nadere informatie met betrekking tot dit onderzoek.
Herkent u het beeld dat er een duopolie is ontstaan in de levering van centrale software aan gemeenten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe beoordeelt u deze situatie?
Dat beeld herken ik deels.
Zoals in het NRC artikel is genoemd zijn er op deze markt twee partijen dominant aanwezig. Echter, op een toenemend aantal deelterreinen, bijvoorbeeld burgerzaken en financiën, zijn meer dan twee leveranciers actief. Hoewel vanuit het perspectief van mededinging een markt met vele partijen aantrekkelijk kan zijn, is het goed om te realiseren dat de gemeentelijke markt op dit moment slechts 393 afnemers telt en dat aantal neemt nog steeds af. Dat is een beperkte markt voor specifieke gemeentelijke software. Om de ontwikkelkosten te kunnen terugverdienen is een zekere schaal noodzakelijk. Het is daardoor niet waarschijnlijk dat er een situatie zal ontstaan waarin veel leveranciers zullen opereren als het gaat om de grote, complexe systemen waar gemeenten mee werken.
Uiteraard moeten klanten de vrijheid hebben om te kiezen uit het aanbod van de partijen. Er mag dus geen sprake zijn van een «vendor lock in», waardoor het voor de klant zeer moeilijk is om de producten van diverse leveranciers in technische zin te integreren. Dit beperkt de mededinging. Dit probleem is alleen op te lossen door het hanteren van standaarden en het organiseren van een goede sturing van de leveranciers door een goed opdrachtgeverschap, op lokaal en landelijk niveau.
De overweging dat standaardisatie en opdrachtgeverschap verbetering behoefde vormde in 2003 mede de aanleiding tot de start van het gezamenlijke BZK/VNG-programma EGEM. De taken van EGEM zijn overgedragen aan het in 2009 opgerichte Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten (KING).
VNG/KING is enkele jaren geleden gestart met het sluiten van convenanten met leveranciers. Door ondertekening van het convenant verklaren de leveranciers zich te houden aan de standaarden die nodig zijn voor interoperabiliteit. Inmiddels zijn met meer dan 170 leveranciers convenanten afgesloten. Met KING zijn de gemeenten naar mijn mening voldoende toegerust om invulling te geven aan het opdrachtgeverschap richting leveranciers.
Welke prijsontwikkeling hebben de softwarepakketten van PinkRoccade en Centric de afgelopen vijf jaren doorgemaakt? Zijn deze prijsstijgingen voor u reden om aan te nemen dat de markt faalt? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van BZK verricht geen onderzoek naar de prijsontwikkeling op de gemeentelijke softwaremarkt. Ik kan hierover daarom geen uitsluitsel geven.
Kunt u de bewering van PinkRoccade plaatsen dat de ontwikkeling van nieuwe functionaliteiten die door wetgeving later of niet ingevoerd is tot hoge kosten geleid heeft? Zo ja, vindt u dat deze kosten horen tot het ondernemersrisico of dat ze aan afnemers doorberekend kunnen worden?
Nee, ik weet niet op welke wetgeving die later of niet zou zijn ingevoerd hier wordt gedoeld.
De vraag gaat er overigens van uit dat er bepaalde normen gelden met betrekking tot de vraag welke kosten een ondernemer wel of niet in zijn kostprijs zou mogen doorberekenden. Deze prijsvorming is echter geheel vrij.
Bent u op de hoogte van signalen dat de koppelingen tussen softwarepakketten van verschillende leveranciers moeizaam werken, onder andere doordat open standaarden niet goed toegepast worden? Zo nee, wilt u bij de VNG en het Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten (KING) navraag doen naar deze problemen? Zo ja, deelt u de analyse dat leveranciers hiermee hun markt afschermen en de prijs op kunnen drijven?
In gemeentelijke kring worden dergelijke signalen inderdaad met enige regelmaat geuit. Ik kan niet beoordelen of leveranciers hiermee hun markt afschermen en hun prijs kunnen verhogen. Het is overigens een taak van de gemeenten zelf om, met behulp van VNG/KING, door standaardisatie en goed opdrachtgeverschap te voorkomen dat leveranciers hiertoe in staat zijn. Het is mij bekend dat VNG/KING inzet op het strenger controleren of software aan de standaarden voldoet.
Wilt u onderzoeken of de centrale software voor de gemeentelijke dienstverlening goedkoper aangeboden kan worden? Ziet u hierin mogelijkheden om gemeenten en rijksoverheid meer samen te laten werken in efficiëntere aanbesteding van deze software of een certificering van pakketten waardoor de samenwerking tussen verschillende pakketten gewaarborgd wordt en gemeenten niet afhankelijk worden van een aanbieder?
Ik beschouw een onderzoek naar de vraag of gemeentelijke software goedkoper zou kunnen worden aangeboden primair als een zaak voor de gemeenten. Het initiatief voor een dergelijk onderzoek zou daarom van gemeentelijke zijde moeten uitgaan.
De software waar het in het artikel om gaat is specifieke bestemd voor gemeentelijke taken en is daarom niet bruikbaar voor de rijksoverheid. Ik zie daarom geen mogelijkheden voor samenwerking bij de aanbesteding of certificering daarvan.
Wilt u in overleg gaan met VNG en KING om mogelijkheden voor goedkopere gemeentesoftware te onderzoeken en de Kamer hier voor 1 januari 2016 over berichten?
Indien VNG en KING het initiatief nemen tot een dergelijk onderzoek en mij daarbij zouden willen betrekken, wil ik graag bezien of ik daarbij eventueel behulpzaam zou kunnen zijn.
Veto op proef met gasolie in Twente |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Economische Zaken spreekt veto uit: streep door proef AkzoNobel met gasolie in Twentse zoutcavernes»?1
Ja.
Kunt u aangeven waarom de proef met de gasolie opslag in Twente is stopgezet?
Er is geen sprake van dat de proef met de gasolieopslag is stopgezet. AkzoNobel heeft op maandag 12 oktober 2015 de bovengrondse installatie getest door een kleine hoeveelheid gasolie door de bovengrondse leidingen te pompen. Dit is toegestaan op grond van de huidige omgevingsvergunning. Het testen van de ondergrondse installatie heeft niet plaatsgevonden omdat het door AkzoNobel ingediende veiligheidsrapport nog niet volledig was. De Veiligheidsregio Twente had aangegeven dat het veiligheidsrapport aangepast moest worden omdat het wat betreft mogelijke brandscenario’s nog niet eenduidig was.
Hoe beoordeelt u de houding van Akzo Nobel dat zonder goedgekeurd rapport toch door wilde gaan? Vindt u dat het beleid dan klopt indien je zonder de nodige toestemmingen toch wilt doorgaan?
AkzoNobel heeft zorgvuldig gehandeld. Op 12 oktober 2015 heeft AkzoNobel het bovengrondse deel van de gasolie opslaginstallatie getest waarvoor reeds een omgevingsvergunning was verleend.
Het ondergronds opslaan van gasolie is een activiteit waarvoor men moet beschikken over een volledig veiligheidsrapport. Aan AkzoNobel is medegedeeld dat men op 12 oktober 2015 nog niet met het vullen van de cavernes mocht starten omdat het veiligheidsrapport nog niet door mij volledig was verklaard. AkzoNobel heeft daarop aangegeven nog niet met de ondergrondse opslag te beginnen zolang men nog niet beschikt over een volledig verklaard veiligheidsrapport.
Kunt u aangeven waarom het veiligheidsrapport niet tijdig was goedgekeurd?
Het door AkzoNobel ingediende veiligheidsrapport was nog niet volledig verklaard omdat de Veiligheidsregio Twente had aangegeven dat het veiligheidsrapport niet eenduidig was wat betreft de mogelijke brandscenario’s. In overleg met mij en de Veiligheidsregio Twente heeft AkzoNobel op 16 oktober 2015 een aangepaste versie van het veiligheidsrapport ingediend. De vernieuwde versie van het veiligheidsrapport is gestuurd naar de Veiligheidsregio Twente, het Waterschap Vechtstromen, Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) en de gemeenten Hengelo en Enschede met het verzoek om over het rapport te adviseren. Op 2 november 2015 heb ik van alle adviseurs een reactie ontvangen. Zij zijn van mening dat het veiligheidsrapport volledig is. Ik zal op korte termijn het veiligheidsrapport dan ook volledig verklaren.
Welke analyses van de veiligheid zijn er gemaakt en acht u het 100% veilig om gasolie in de zoutcavernes te pompen?
Een industriële activiteit gaat altijd gepaard met enig risico. Op basis van de bestaande wet- en regelgeving is de veiligheid zo goed mogelijk geborgd. Behalve het veiligheidsrapport zijn er diverse analyses gemaakt overeenkomstig de op ondergrondse opslag van gasolie van toepassing zijnde wet- en regelgeving.
In het kader van de omgevingsvergunning is een milieueffectrapport, een opslagplan en een monitoringplan opgesteld. Ik heb van SodM, TNO en van de Mijnraad een advies gekregen op basis waarvan ik in december 2014 heb geconcludeerd dat de ondergrondse opslag van gasolie veilig uitgevoerd kan worden. De installatie valt onder het toezicht van SodM.
Wie is er aansprakelijk indien er nu of over 40 jaar een caverne gaat lekken en er grote schade optreedt?
Indien er schade optreedt als gevolg van verontreiniging van lucht, water of bodem door het lekken van een caverne is, overeenkomstig de Mijnbouwwet en -regelgeving en het Burgerlijk Wetboek, de houder van de opslagvergunning daarvoor aansprakelijk. Ingevolge het Burgerlijk Wetboek verjaart de rechtsvordering tot vergoeding van de schade dertig jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan. Bestaat de gebeurtenis uit een voortdurend feit, dan begint de termijn van dertig jaren te lopen nadat dit feit is opgehouden te bestaan. Bestaat de gebeurtenis uit een opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, dan begint deze termijn te lopen na dit laatste feit.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat er een besluit genomen wordt om verder te gaan?
Ik heb van alle eerder genoemde adviseurs een reactie ontvangen op het door AkzoNobel op 16 oktober 2015 ingediende veiligheidsrapport. De adviseurs zijn van mening dat het veiligheidsrapport volledig is. Ik zal dan ook op de korte termijn het veiligheidsrapport volledig verklaren. Vanaf dat moment kan AkzoNobel beginnen met de opslag van gasolie in de cavernes. Het veiligheidsrapport zal gepubliceerd worden op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (www.rvo.nl/subsidies-regelingen/opslagprojecten) en zal ook ter inzage worden gelegd in de gemeente Enschede.