Het bericht ‘Meldingen eergerelateerd geweld stijgen, opvang vol’ |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Meldingen eergerelateerd geweld stijgen, opvang vol»?1
Ja.
Klopt het dat het aantal meldingen van eergerelateerd geweld ten tijde van de pandemie is afgenomen en klopt het dat nu sprake is van een forse toename van het aantal meldingen van eergerelateerd geweld en het aantal slachtoffers wat daarvoor hulp en/of een verblijfplaats zoekt? Kunt u deze ontwikkeling cijfermatig weergeven?
Uit de cijfers van Veilig Thuis, politie en het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (LEC EGG) over het aantal meldingen eergerelateerd geweld over de jaren 2019 en 2020 blijkt het volgende:
Zowel de cijfers van Veilig Thuis als die van het LEC EGG laten zien dat sprake is van een beperkte stijging van het aantal meldingen van eergerelateerd geweld in 2020 ten opzichte van 2019. Cijfers over 2021 zijn nog niet beschikbaar. Een definitieve conclusie over de cijfermatige ontwikkeling kan pas worden getrokken als deze ook beschikbaar zijn.
Hoeveel plekken zijn er op dit moment in Nederland om slachtoffers van eergerelateerd geweld op te vangen? Klopt het dat deze opvangplekken op dit moment vol zitten? Wat doet u om het aantal opvangplekken te verruimen?
Slachtoffers van eergerelateerd geweld moeten kunnen worden opgevangen als dat in de individuele casus het beste voor hen is. Het zijn zeer zorgelijke signalen dat de maximale capaciteit van opvangplekken voor slachtoffers van eergerelateerd geweld bereikt zou zijn.
Gemeenten zijn op grond van de Wmo2015 gezamenlijk verantwoordelijk voor de beschikbaarheid van voldoende opvangplekken. De opvang voor slachtoffers van eergerelateerd geweld en loverboyproblematiek organiseren de gemeenten bovenregionaal. Het gaat hierbij om een specialistische vorm van opvang. De gemeenten Groningen en Tilburg financieren namens alle Nederlandse gemeenten op dit moment gezamenlijk 31 opvangplekken bij Fier en Sterk Huis.
Naar aanleiding van de informatie in het artikel van de NRC heb ik contact gehad met de VNG, Fier en Sterk Huis. Beide aanbieders gaven aan dat het aantal slachtoffers dat behoefte heeft aan een opvangplek, door het jaar heen fluctueert. Tijdens het piekmoment dat zich in juni voordeed was de behoefte aan opvangplekken groter dan het beschikbare aantal. De gemeenten Groningen en Tilburg hebben samen een eenmalige oplossing gevonden voor deze situatie, zodat de slachtoffers toch konden worden opgevangen. Er vinden nu gesprekken plaats tussen VNG, gemeenten en betrokken zorgaanbieders over de beschikbaarheid, bezetting en financiering van deze specialistische vorm van opvang, met als doel om tot een structurele oplossing te komen. Ik volg de ontwikkelingen en blijf daarover in gesprek met de VNG.
Bent u het eens dat het onacceptabel zou zijn als slachtoffers van ernstig eergerelateerd geweld door een tekort aan opvangplekken langer moeten verblijven in een onveilige situatie? Op welke manier worden de slachtoffers waarvoor geen directe opvangplek beschikbaar is nu opgevangen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijkheden heeft u om niet de slachtoffers maar de daders van eergerelateerd geweld te verwijderen uit de omgeving van het slachtoffer? In hoeverre is dit ook mogelijk voor de naaste omgeving die medeplichtig is aan eergerelateerd geweld? Hoe staat het in dat licht met de uitwerking van de motie-Van Wijngaarden/Peters (Kamerstuk 35 341, nr. 6) om hen die aanzetten tot eergerelateerd geweld ook te kunnen vervolgen?
Bij de aanpak van eergerelateerd geweld staat de veiligheid van het slachtoffer altijd voorop. In elke zaak wordt bekeken hoe de veiligheid van het slachtoffer voldoende gewaarborgd kan worden. Het strafrechtelijk kader biedt verschillende mogelijkheden om de pleger van eergerelateerd geweld uit de omgeving van het slachtoffer te houden.
Al voorafgaand aan een veroordeling kan een verdachte een contact- of locatieverbod worden opgelegd. Daarnaast wordt, conform de richtlijn voor strafvordering huiselijk geweld van het Openbaar Ministerie, in beginsel gedagvaard in zaken van eergerelateerd geweld. Strafrechtelijke vervolging kan leiden tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast kan een straf worden opgelegd in combinatie met een locatie- of contactverbod. Aan een locatieverbod kan ook elektronisch toezicht worden verbonden, zodat constant zicht is op de naleving van dit verbod. Deze mogelijkheden gelden ook voor medeplichtigen en medeplegers.
In de zesde voortgangsrapportage Geweld hoort nergens thuis is uw Kamer geïnformeerd over de wijze waarop invulling is gegeven aan de motie van
Van Wijngaarden en Peters.3 Kortheidshalve verwijs ik u naar deze brief. Voor de strafrechtelijke vervolging van andere betrokkenen bij eergerelateerd geweld kan gebruik worden gemaakt van de verschillende deelnemingsvormen in de artikelen 46, 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht. Als hieraan wordt voldaan, kunnen ook personen die aanzetten tot geweld worden vervolgd.
Welke lessen trekt u uit het feit dat tijdens de pandemie vooral jonge (potentiële) slachtoffers uit beeld zijn geraakt en bent u bereid met omringende landen ervaringen uit te wisselen over hoe hiermee om te gaan in de toekomst?
Vanwege het verhoogde risico op huiselijk geweld en kindermishandeling tijdens de coronacrisis, heb ik een aantal specifieke maatregelen genomen om te voorkomen dat (jonge) slachtoffers uit beeld zouden raken en op laagdrempelige wijze hulp konden zoeken. Zo is de landelijke chatfunctie gestart van Veilig Thuis. Dit heeft er toe geleid dat ongeveer 350 gesprekken per week extra worden gevoerd met voornamelijk een nieuwe, jonge doelgroep. Ten tijde van de avondklok was de chatfunctie ook ’s avonds beschikbaar, wat zorgde voor 200 chats per week extra. Op dit moment wordt onderzocht hoe de chatfunctie ook in 2022 kan worden voortgezet.
Een ander voorbeeld van een maatregel die is genomen tijdens de coronapandemie is het steunpakket voor mentaal welzijn van jongeren. Hiermee was het mogelijk voor een aantal organisaties, waaronder Fier, om in aanmerking te komen voor een tijdelijke financiële impuls voor de extra hulp- en informatievragen via telefoon of chat aan jongeren en volwassenen die te maken hebben met veiligheidsproblematiek in het gezin of huishouden.
Ook zet ik mij met de actieagenda schadelijke praktijken in op het eerder en beter signaleren van eergerelateerd geweld door professionals, waaronder in de zorg. In het kader hiervan werkt Pharos aan het opzetten van e-learnings voor professionals over schadelijke praktijken, waaronder eergerelateerd geweld, waarbij expertise van betrokken organisaties wordt samengebracht. De politie werkt met een aanpak voor het herkennen van eergerelateerd geweld, namelijk de «methode LEC EGG». De eerste stap is een automatische elektronische zoekslag op woorden die wijzen op zaken waarbij eergevoel wellicht een rol speelt. Deze zaken worden bekeken en vervolgens wordt nadere informatie verzameld. Vervolgens wordt een plan van aanpak gemaakt, zo nodig met ondersteuning van het LEC EGG.
Op verschillende momenten heeft uitwisseling tussen Nederland en andere EU-landen plaatsgevonden over de inzet voor slachtoffers tijdens de pandemie. Daarnaast wordt regelmatig uitgewisseld met verschillende landen in het kader van de Committee of Parties van het Verdrag van Istanboel.
Het codewoord bij apothekers is naar buitenlands voorbeeld op 1 mei 2020 ingevoerd. Het betreft een laatste redmiddel voor slachtoffers die geen kans zien om te bellen of chatten met Veilig Thuis. Op basis van de eerste ervaringen blijkt dat het codewoord voor een kleine groep slachtoffers een effectief middel is om laagdrempelig hulp in te schakelen. Daarom kijk ik hoe het codewoord kan worden meegenomen in de brede communicatie richting slachtoffers, als één van de mogelijkheden om contact op te nemen met Veilig Thuis.
Hoe zorgt u ervoor dat signalen van eergerelateerd geweld vaker en sneller herkend worden bij politie- en zorgmedewerkers en welke stappen neemt u om het codewoord «masker 19» meer bekendheid te geven?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe staat het met de toegezegde extra impuls aan de preventieve aanpak ter bevordering van het recht op zelfbeschikking, hoe wordt dit ingebed in de actieagenda en waarom komt u niet tot een meerjarig interdepartementaal actieprogramma eergerelateerd geweld zoals door de Kamer in meerderheid verzocht om recht te doen aan de complexiteit en omvang van dit probleem?
Ik heb uw Kamer op 18 maart 20214 en 30 april 20215 geïnformeerd over de uitvoering van de actieagenda schadelijke praktijken. In beide brieven is aangegeven op welke manier uitvoering is gegeven aan de verzoeken van uw Kamer over een interdepartementaal actieprogramma. De Minister van SZW laat, als aanvulling op de actieagenda schadelijke praktijken, een verkenning uitvoeren naar witte vlekken in de huidige preventieve aanpak. Het doel van deze verkenning is om te achterhalen welke gemeenschappen en/of risicogroepen aanvullend gerichte aandacht behoeven. Ook wordt in kaart gebracht welke effectieve instrumenten bestaan om binnen gesloten gemeenschappen mentaliteitsverandering te bevorderen. Uw Kamer wordt dit najaar geïnformeerd over de resultaten en de vervolgstappen.
Het bericht ‘Asielzoeker waarschuwde voor moordplan Iraanse geheime dienst' |
|
Ulysse Ellian (VVD), Dennis Wiersma (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «asielzoeker waarschuwde voor moordplan Iraanse geheime dienst1»?
Ja.
Klopt het dat de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) ten minste twee keer op de hoogte is gebracht door persoon «M.» dat hij in opdracht van het Iraanse regime naar Nederland is gestuurd om een liquidatie voor te bereiden en uit te voeren? Zo ja, welke acties zijn op dat moment door de IND ondernomen? Zo nee, waarom kan Argos dit onderbouwen aan de hand van schriftelijke stukken?
Zoals u weet doe ik over individuele zaken geen mededelingen.
In de «kleine vreemdelingenketen» (IND, COA en DT&V) is een meldstructuur ingericht waarbij signalen die mogelijk de nationale veiligheid kunnen raken worden doorgegeven aan de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Er wordt continu geïnvesteerd in het bevorderen van het veiligheidsbewustzijn van de medewerkers van de kleine vreemdelingenketen.
Hierbij benadruk ik dat ook organisatie zoals het OM, de politie, de KMar en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alert zijn op personen die mogelijk een dreiging voor de nationale veiligheid kunnen vormen. Bij het nemen van maatregelen wordt gekeken naar strafrechtelijke, vreemdelingrechtelijke en veiligheidsmaatregelen en worden altijd diverse belangen afgewogen. Ik wijs ook op de brief van 12 juni 2018 aan de Kamer, waarin is ingegaan op de maatregelen in de keten om alert te zijn op signalen die de nationale veiligheid kunnen raken2.
Welke acties moet de IND volgens u ondernemen als informatie voorhanden is waaruit direct gevaar jegens personen of de Nederlandse staat blijkt?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) daags voor de moord op Ahmad Mola Nissi door «M.» gewaarschuwd is voor een mogelijke aanslag? Zo ja, waarom is niets gedaan met deze cruciale informatie? Zo nee, waarom wordt dit gesteld door diverse Nederlandse en Deense media?
Er worden in het openbaar geen mededelingen gedaan over de werkwijze van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Welke acties moet de AIVD volgens u ondernemen als informatie voorhanden is waaruit direct gevaar jegens personen of de Nederlandse staat blijkt?
In het algemeen geldt dat de AIVD in een inlichtingenonderzoek zicht kan krijgen op een persoon of organisatie die zich mogelijk schuldig maakt aan ernstige strafbare feiten. In dat geval zal de AIVD een (schriftelijk) ambtsbericht verstrekken aan het Openbaar Ministerie (OM), zodat deze actie kan ondernemen.
Wat vindt u van de handelwijze van het Iraanse regime, dat bewust personen naar Nederland stuurt, om liquidaties uit te voeren en hoe moeten Nederland en de Europese Unie hierop reageren richting het Iraanse regime?
Het kabinet heeft duidelijk gemaakt dat deze handelwijze onaanvaardbaar is. Uw kamer is geïnformeerd over de Nederlandse reactie.3 De Europese Unie heeft, mede op voordracht van Nederland, in het kader van de EU-sanctielijst,4 sancties opgelegd tegen het Iraanse Ministerie van Inlichtingen en Veiligheid en twee Iraanse personen. Naast het instellen van de Europese sancties heeft Nederland in juni 2018 stevige diplomatieke maatregelen getroffen door de Iraanse ambassadeur te ontbieden en twee medewerkers van de Iraanse ambassade uit te wijzen.
Hoe beoordeelt u de positie van Iraanse dissidenten in Nederland, nu door Iran al jarenlang in Europa, en specifiek in Nederland, moordacties worden ondernomen tegen deze personen?
De rijksoverheid weet dat buitenlandse mogendheden zich binnen Nederland bezighouden met beïnvloeding, inmenging, desinformatie, verstoring, spionage en soms zelfs bedreiging. De overheid is daarom alert op dreigingen tegen personen die in Nederland wonen of verblijven. Dat betekent ook alertheid voor wat betreft druk of dreiging vanuit het land van herkomst. Wanneer er sprake is van mogelijke strafbare gedragingen, zoals bedreiging, dan roept het kabinet iedereen in Nederland op om altijd contact op te nemen met dan wel aangifte te doen bij de politie. Op grond van een aangifte kunnen de politie en het Openbaar Ministerie (OM) besluiten om een strafrechtelijk onderzoek te starten. De politie en het OM kunnen (als daarvoor aanleiding is) ook besluiten tot andere maatregelen, zoals beveiligingsmaatregelen. Aangezien geen enkel geval hetzelfde is, zijn beveiligingsmaatregelen altijd maatwerk. De politie en het OM geven geen informatie over beveiligingsmaatregelen, temeer omdat het niet in het belang is van degene die wordt bedreigd. Het kabinet doet sowieso geen mededelingen over eventuele dodelijke dreiging tegen personen noch over mogelijke analyses of maatregelen in dat verband.
Het bericht ‘Drie kinderen aangerand door tbs’er op onbegeleid verlof’. |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
Bent u bekend met het bericht dat afgelopen zaterdag in Venray drie minderjarigen van 5, 11 en 13 jaar zijn aangerand door een 42-jarige tbs’er van De Rooyse Wissel die op onbegeleid verlof was1?
Ja.
Klopt het dat het gaat om een man die eerder is veroordeeld voor aanranding?
Het past mij niet om op een individuele casus in te gaan. In zijn algemeenheid kan ik zeggen dat de tbs-maatregel met dwangverpleging kan worden opgelegd voor misdrijven waar minstens vier jaar gevangenisstraf op staat en waarbij de dader ten tijde van het misdrijf leed aan een psychische stoornis.
Zo ja, deelt u de conclusie dat het onverantwoord en een zeer ernstige dwaling is gebleken om deze zedendelinquent, die zich binnen enkele uren aan drie kinderen vergreep, op onbegeleid verlof te sturen? Zo nee, waarom niet?
Vooropgesteld is dit een ernstige verdenking. Mijn gedachten gaan uit naar de slachtoffers en hun ouders.
Het is nu van belang om helder te krijgen wat de toedracht van dit incident is. De tbs-kliniek waar betrokkene verblijft heeft een onderzoek ingesteld naar de gebeurtenissen. Daarbij wordt gekeken of de procedures rond het verlof correct zijn verlopen en of er signalen zijn geweest die in verband kunnen worden gebracht met het mogelijk plegen van het delict. Ik wacht de conclusies van dat onderzoek af.
Wat zijn de afwegingen geweest om dit te doen?
Aan elke verlofbeslissing in de tbs liggen een inhoudelijk onderbouwde verlofaanvraag van de behandelende kliniek en een uitgebreid advies van het onafhankelijke Adviescollege verloftoetsing tbs-gestelden (AVT) ten grondslag. De adviezen zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderbouwde risicotaxatie-instrumenten. Het AVT bestaat uit forensisch psychiaters en psychologen, juristen en wetenschappelijk adviseurs. De belangrijkste vraag die het AVT dient te beantwoorden, is of het toekennen van verlof aan een tbs-gestelde verantwoord is. De risico’s voor de veiligheid van de samenleving worden daarbij scherp in het oog gehouden. Mede dankzij deze zorgvuldige procedure verlopen verlofbewegingen veelal probleemloos. Ondanks deze maatregelen en zorgvuldige procedures kan helaas niet altijd worden voorkomen dat een tbs-gestelde recidiveert tijdens verlof. Uiteraard wordt er in de behandeling en in de periodieke risicotaxatie bij de patiënten tot aan het moment vlak voor het betreffende verlof er alles aan gedaan om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Het past mij niet om in te gaan op de specifieke afwegingen in deze individuele casus.
Welke consequenties verbindt u hieraan en gericht op wie?
Als een ernstig misdrijf wordt gepleegd moet de dader worden vervolgd en gestraft. De tbs-gestelde is direct na het incident aangehouden.
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 aangaf, wacht ik de uitkomsten van het onderzoek door de betreffende tbs-kliniek naar de toedracht van het incident af.
Deelt u de opvatting dat het huidige tbs-stelsel veel te eenzijdig is gericht op de belangen en bewegingsvrijheid van daders, waarmee de samenleving tot proeftuin wordt gereduceerd? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 4 worden in het tbs-stelsel de risico’s voor de veiligheid van de samenleving altijd scherp in het oog gehouden. De tbs-maatregel is gericht op het behandelen van de onderliggende stoornis en het voorkomen van recidive. Verlof is een essentieel onderdeel van de tbs-behandeling waarmee stapsgewijs en zorgvuldig meer bewegingsvrijheid wordt toegekend. Verlof tijdens de tbs-behandeling is alleen mogelijk na uitvoerige beoordeling door verschillende partijen. Hiermee kan worden toegewerkt naar een veilige terugkeer in de samenleving.
Bent u bereid per direct te stoppen met het toestaan van onbegeleide verloven voor tbs’ers die veroordeeld zijn voor (ernstige) zedendelicten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Een lading onderschepte munitie op vliegveld Beek |
|
Jasper van Dijk |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
Wat zijn de precieze feiten met betrekking tot de door de douane onderschepte munitie op vliegveld Beek, eind mei?1 Op welke dag had dit plaats?
Op zondag 10 januari 2021 heeft de Douane een zending munitie tegengehouden op Maastricht Aachen Airport. De zending voldeed niet aan Nederlandse vergunningverplichtingen uit de Wet wapens en munitie (Wwm) en het Besluit strategische goederen (Bsg). De Wwm is van toepassing omdat hier sprake is van binnenbrengen van munitie op Nederlands grondgebied (consentplichtig). Het Bsg is van toepassing omdat deze munitie valt onder het begrip militaire goederen waarvoor bij doorvoer door Nederland een vergunning is vereist.
Vanwege het ontbreken van een geldig consent (vergunningplicht in het kader van de Wwm) is in overleg met het OM besloten tot beslaglegging op de zending.
Klopt het dat het om 5.000 kilo gaat? Zo nee, om hoeveel gaat het dan?
De zending munitie bestaat uit 500.000 patronen en heeft een opgegeven netto gewicht van 5.800 kilo.
Om welk(e) soort(en) munitie gaat het hierbij?
Het gaat om 500.000 stuks 9X19mm parabellum 115 GR FMJ patronen.
Klopt het dat vliegveld Beek de vertrekluchthaven was? Zo nee, wat was dan de vertrekhaven?
De oorspronkelijk gekozen plaats van vertrek was Brussel, vliegveld Zaventem. Door logistieke problemen – het beoogde vliegtuig was overbeladen – is de zending op initiatief van de betrokken bedrijven vervoerd naar vliegveld Maastricht Aachen Airport met de bedoeling de zending vandaar te laten vertrekken. Bij deze last minute logistieke omlegging zijn de wettelijke verplichtingen (Wwm en Bsg) die in Nederland gelden bij het vervoeren van deze munitie naar Nederlands grondgebied door die bedrijven niet in acht genomen.
Waar zou de munitie heen worden gestuurd? Wat was de eindbestemming?
De munitie zou vanuit België naar eindbestemming Brunei worden vervoerd conform een door de Belgische autoriteiten afgeven exportvergunning.
Is voor de partij munitie een wapenexportvergunning aangevraagd? Zo ja, wanneer en door wie?
De zending werd bij aankomst op vliegveld Maastricht Aachen Airport vergezeld van een door de Belgische autoriteiten afgegeven uitvoervergunning. Die vergunning is echter niet geldig in Nederland; bij een vertrek van deze zending vanaf vliegveld Maastricht Aachen Airport (Nederland) naar de eindbestemming zou een Nederlandse vergunning op basis van het Bsg moeten worden aangevraagd. De bedrijven hebben besloten daarvan af te zien. Zij hebben in Nederland een consent op basis van de Wwm aangevraagd voor het terugsturen van de zending naar België.
Is een wapenexportvergunning verleend? Zo ja, op basis van welke criteria?
In Nederland is geen wapenexportvergunning in de zin van het Bsg aangevraagd (zie het antwoord op vraag 6), maar een consent om de zending terug te vervoeren naar België. Naar aanleiding van die aanvraag heeft het OM besloten het strafrechtelijke beslag op de zending op te heffen en is het consent door de Nederlandse autoriteiten afgegeven op 15 juni 2021. De goederen zijn medio juni 2021 onder begeleiding van dat consent (terug)vervoerd naar de Belgische producent.
Is er een strafrechtelijk onderzoek ingesteld door het Openbaar Ministerie (OM)?
Zoals u weet, doet de Minister van Justitie en Veiligheid geen uitspraken over de vraag of er strafrechtelijke onderzoeken (tegen bepaalde personen) lopen. Ook doet de Minister van Justitie en Veiligheid geen inhoudelijke uitspraken over eventuele lopende strafrechtelijke onderzoeken.
Zijn er mensen verdacht van strafbare feiten die verband houden met het aanbieden van deze partij?
Zie antwoord vraag 8.
Heeft het OM hierover contact met buitenlandse instanties? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 8.
Om hoeveel personen gaat het daarbij?
Zie antwoord vraag 8.
Zijn dat mensen met de Nederlandse nationaliteit? Zo nee, om welke nationaliteit gaat het dan?
Zie antwoord vraag 8.
Het terughalen van ontvoerde kinderen |
|
Michiel van Nispen , Barbara Kathmann (PvdA), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
In hoeverre herkent u het probleem dat de samenwerking tussen landen, specifiek de centrale autoriteiten, bij internationale kinderontvoering niet altijd adequaat en voortvarend verloopt?
In algemene zin verloopt de communicatie tussen en samenwerking met Centrale autoriteiten van landen die zijn aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag adequaat en voortvarend. Hierbij dient echter wel rekening gehouden te worden met communicatieverschillen (bijvoorbeeld formele brieven per post of e-mails).
Bent u bereid kennis te nemen van de casus van de heer De K. wiens dochter naar Thailand is ontvoerd?1
Ja, dat ben ik. De casus van de heer De K. is reeds bekend bij de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden van mijn ministerie.
Komt het vaker voor dat de weigering in het andere land om tijdig een besluit te nemen er toe leidt dat helemaal geen beslissing kan worden genomen?
De beslissing of een kind dient terug te keren naar zijn/haar land van gewoon verblijf is voorbehouden aan de rechterlijke of administratieve autoriteiten in het land waar het kind naartoe is overgebracht. Wanneer een dergelijke beslissing niet voortvarend genomen wordt, kunnen Centrale autoriteiten de rechter in het betreffende land vragen om een verklaring waarin de redenen voor de vertraging worden weergegeven (artikel 11 van het Haags Kinderontvoeringsverdrag). De Centrale autoriteiten kunnen zich echter niet mengen in de rechtsgang van een ander land. Wanneer een procedure de rechter later bereikt of wanneer deze langer duurt, betekent dit niet dat er geen beslissing kan worden genomen door de rechter.
Wat vindt u redelijke en voortvarende termijnen waarbinnen centrale autoriteiten in ander landen beslissingen zouden moeten nemen, gelet ook op het uitgangspunt van voortvarendheid in het Haagse Kinderontvoeringsverdrag?
In het verdrag is vastgelegd dat de rechterlijke of administratieve autoriteiten van het land waar het kind zich bevindt onverwijld een beslissing nemen op het verzoek tot teruggeleiding afkomstig van de achtergebleven ouder. Onverwijld wordt in het verdrag uitgelegd als binnen zes weken nadat het verzoek tot de rechter is gericht. Wanneer een beslissing niet binnen deze termijn is genomen, kunnen Centrale autoriteiten vragen om een verklaring voor de redenen van de vertraging. Voor wat betreft de centrale autoriteiten geldt dat niet gesproken kan worden van één termijn die voor alle zaken redelijk is. Dit komt omdat Centrale autoriteiten verschillende taken uitvoeren en de taken per land verschillen. Het kan hierbij gaan om het lokaliseren van het kind en het proberen te bewerkstelligen van onderlinge overeenstemming tussen ouders. De tijd die hiermee gemoeid is zal per land en per geval verschillen.
In hoeverre herkent u het risico dat bij gebrek aan voortvarendheid in andere landen, de tijd dermate verstrijkt dat door de centrale autoriteit in een ander land geoordeeld wordt dat teruggeleiding naar Nederland niet meer in het belang van het kind is?
Nee, ik herken dit niet. Worteling in het land waar naartoe het kind is meegenomen kan in principe alleen een rol spelen in de beoordeling van de rechter als het verzoek meer dan een jaar na de overbrenging of achterhouding bij de rechter wordt ingediend. Wellicht ten overvloede wijs ik er op dat een ouder te allen tijde de mogelijkheid heeft om zonder tussenkomst van de Centrale autoriteiten een gerechtelijke procedure aanhangig te maken in het betreffende land.
Welke mogelijkheden ziet u in algemene zin om bij kinderontvoering het teruggeleiden van het kind naar Nederland te bespoedigen?
Kinderontvoering is schadelijk voor een kind. Om kinderen te beschermen is het Haags Kinderontvoeringsverdrag2 tot stand gekomen. Hierin zijn civielrechtelijke procedures voor de teruggeleiding van het kind vastgelegd. De Centrale autoriteiten werken nauw met elkaar samen om de doelstelling van het verdrag, de onmiddellijke terugkeer van het kind, te verzekeren en bespoedigen. De Nederlandse Centrale autoriteit communiceert nauw met de Centrale autoriteit van het land waar het kind naartoe is ontvoerd. Onder andere vraagt zij het kind te lokaliseren en haalt zij informatie op over de verdere procedure tot terugkeer in het land waar het kind naartoe is ontvoerd. Ook wordt gevraagd in te zetten op een onderlinge overeenstemming tussen ouders. Dit zorgt voor een duurzame oplossing in het belang van het kind. Indien de achtergebleven ouder zelf, met behulp van een advocaat, een verzoek moet indienen bij de gerechtelijke autoriteit, dan zal de Centrale autoriteit hier informatie over verschaffen en indien nodig, de buitenlandse Centrale autoriteit vragen hoe de achtergebleven ouder ter plekke een advocaat kan vinden.
Over het functioneren van de regelingen vinden binnen het kader van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht en het Europees Justitieel Netwerk periodiek bijeenkomsten plaats waaraan alle verdragsstaten deelnemen en waarbij knelpunten in de uitvoering van kinderontvoeringszaken worden besproken en zo veel mogelijk worden weggenomen.
Welke mogelijkheden zijn er om in een concreet geval, zoals nu met Thailand, actie te ondernemen? Bent u bereid actie te ondernemen?
Thailand is net als Nederland partij bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Dit betekent dat de communicatie verloopt tussen de Centrale autoriteiten. Zonder in te gaan op de individuele casus kan ik u verzekeren dat de zaak van de heer De K. de volle aandacht van de Centrale autoriteit heeft.
Het bericht 'Loekasjenko neemt wraak en zet sluis naar Europa open voor vluchtelingen' |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Loekasjenko neemt wraak en zet sluis naar Europa open voor vluchtelingen» uit het Algemeen Dagblad van 13-06-2021?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van de berichtgeving. Vooropgesteld zij dat het kabinet elke poging van derde landen om migranten voor politieke doeleinden te gebruiken, veroordeelt en verwerpt.
Het klopt dat de irreguliere migratie van Belarus naar Litouwen in 2021 plots sterk is toegenomen en de regering van Litouwen hierom op 2 juli jl. de noodtoestand heeft uitgeroepen. Uit informatie van Litouwse autoriteiten en de Europese Commissie blijkt dat in de eerste helft van 2021 (tot 7 juli 2021) 1376 personen een poging hebben gedaan irregulier de grens tussen Belarus en Litouwen over te steken. Van 28 juni tot 4 juli betrof dit 608 aankomsten, bijna vier keer meer dan de week ervoor (157 aankomsten). Gedurende heel 2020 betrof dit 74 personen in totaal. In 2019 werden slechts 37 pogingen tot irreguliere aankomsten genoteerd. De meeste personen die irregulier de grens probeerden over te steken zijn staatsburgers van Irak, op afstand gevolgd door burgers uit Iran, Syrië en Belarus.
De Litouwse autoriteiten geven aan dat de toename van migranten via deze ongebruikelijke route verband heeft met de politieke crisis in Belarus. Gezien de uitspraken van het Belarussische regime op dit punt, acht het kabinet dit aannemelijk. Het regime heeft eind mei gedreigd niet langer «drugs en migranten» voor de EU tegen te houden. Begin juli stelde het Belarussische bewind bij monde van Loekasjenko, in reactie op het sanctiepakket dat de EU afkondigde vanwege de aanhoudende mensenrechtenschendingen in Belarus, wederom dat het niet langer irreguliere migranten zal tegenhouden.
Kunt u reageren op de berichtgeving in het artikel? Klopt het dat de Litouwse regering stelt dat zij nu al drie keer zoveel vluchtelingen vanuit Belarus binnen heeft gekregen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat het doorlaten van vluchtelingen inderdaad een wraakactie is van de Wit-Russische president naar aanleiding van geleverde kritiek?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat Wit-Russische grensbewakers betrokken zijn bij deze mensensmokkel? Is dit strafbaar?
Het kabinet heeft kennisgenomen van openbare berichtgeving waarin wordt gesuggereerd dat een Belarussisch staatsbedrijf pakketreizen vanuit Bagdad of Istanbul naar Minsk aanbiedt en van daaruit naar de Litouwse grens.
Een vergelijking met het aantal vluchten in het pre-COVID jaar 2019 laat een duidelijke toename van vluchten uit Irak en Turkije naar Minsk zien. Zo vonden van 1 tot 19 juni 2021 jl. 63 vluchten plaats van Istanboel naar Minsk, twee keer zo veel als in dezelfde periode in 2019. In dezelfde periode in 2021 (1 tot 19 juni) vertrokken 9 vluchten van Bagdad naar Minsk, vergeleken met slechts 4 in dezelfde periode in 2019.
In de Europese Unie is wetgeving van kracht over de definitie en preventie van mensensmokkel.2 Daaruit volgt dat iedere lidstaat passende sancties neemt tegen eenieder die een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat, opzettelijk helpt om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen of zich daarover te verplaatsen op een wijze die in strijd is met de wetgeving van die staat met betrekking tot de binnenkomst of doorreis van vreemdelingen.
Belarus en Litouwen zijn voorts beiden ondertekenaar van het Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht, tot aanvulling van het Verdrag van de VN tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad.3
Kunt u aangeven hoe de 680 kilometer lange grens tussen Litouwen en Belarus over het algemeen bewaakt wordt? Is er sprake van adequate grensbewaking van de Europese buitengrens aldaar? Ondersteunt Frontex bij de grensbewaking daar?
In reactie op de sterke stijging van irreguliere aankomsten heeft Litouwen direct het grensbeheer versterkt en de inzet van grenswachten aangepast om de grenscontrole op de meest kwetsbare delen te verzekeren. Ook wordt momenteel meer videobewaking geïnstalleerd. Litouwen zal na eerdere terughoudendheid nu ook het leger inzetten voor de uitvoering van grensbewakingstaken. Door de Litouwse premier Šimonytė is benadrukt dat inzet van wapens daarbij niet aan de orde is. Daarnaast heeft hij aangekondigd dat Litouwen begint met het opzetten van een fysieke afscheiding langs de grens met Belarus.
Litouwen heeft de EU om politieke, operationele en financiële steun verzocht. Ook heeft Litouwen het verzoek uitgesproken dat de EU met Irak en Turkije spreekt over het stoppen van vluchten waarmee migranten naar Belarus vliegen. Voorzitter van de Europese Raad Michel zei tijdens zijn bezoek aan Litouwen op 6 juli jl toe hierover in de week van 12 juli met de Minister-President van Irak te zullen spreken.
Frontex heeft een zogeheten dringende operationele reactie goedgekeurd om de Litouwse grenscontrolecapaciteit aan hun grens met Belarus te ondersteunen. Op 17-18 juni jl. heeft er een veldbezoek plaatsgevonden om de behoefte in kaart te brengen en overeenstemming te bereiken over de precieze operationele steun, met als doel om op 1 juli 2021 van start te gaan. Inmiddels zijn medewerkers van Frontex gearriveerd. Op 10 juli jl. is tevens door Litouwen het verzoek gedaan voor een zogeheten rapid border intervention. De Nederlandse bijdrage daaraan wordt momenteel geïnventariseerd. Ook EASO is van 29 juni tot 2 juli jl. op veldbezoek geweest voor een zogeheten joint needs assesment en zal concrete operationele steun voorstellen. Verder is de Europese Commissie in contact met de Litouwse autoriteiten over assistentie op technisch niveau.
Hoe is de situatie in het vluchtelingenkamp in Litouwen? Hoe zijn de omstandigheden daar?
De bestaande faciliteiten hebben vanwege de plotselinge en grote toestroom bijna hun maximale capaciteit bereikt en de Litouwse autoriteiten onderzoeken momenteel verdere mogelijkheden voor opvang. Er is daarom een tijdelijk kamp gebouwd op het terrein van het vreemdelingenregistratiecentrum in Pabradé, in het oosten van Litouwen. Het biedt additioneel plaats aan 350 personen en is inmiddels operationeel. De gesloten opvang draait al op volle capaciteit en de autoriteiten zijn begonnen met het opvangen van migranten in een kamp met militaire tenten. Diverse gemeenten in Litouwen zijn opgeroepen om accommodaties voor opvang beschikbaar te stellen.
Litouwen geeft zelf aan dat de migrantencentra (in Pabradé en Rukla) voldoen aan EU-normen.
De meerderheid van de irreguliere migranten vraagt asiel aan. Migranten doorlopen in Litouwen normaliter een asielgrensprocedure, waarbij de behandeling van niet-ontvankelijke of versnelde zaken in 28 dagen wordt afgedaan. Aanvragers in deze procedure krijgen geen toegang tot het grondgebied, kunnen zich niet vrij bewegen en wachten op de beslissing over asiel bij de grensfaciliteiten. Dit geldt niet voor kwetsbare groepen zoals families en kinderen. Als de procedure niet binnen 28 dagen wordt afgerond krijgt de vreemdeling toegang tot het grondgebied van Litouwen en wordt hij zonder bewegingsbeperking gehuisvest.
Door de landelijke noodsituatie vanwege de grote toestroom van migranten wordt de grensprocedure nu niet volledig toegepast. De asielzoekers die aan de grensdoorlaatposten asiel aanvragen en van wie de aanvraag onder de niet-ontvankelijkheids- of versnelde procedure valt, ondergaan echter wel de grensprocedure.
Vanwege de noodsituatie loopt Litouwen inmiddels enkele weken achter met het behandelen van asielaanvragen. Litouwen laat weten dat tot nu toe geen van de personen die via Belarus Litouwen zijn ingereisd een vluchtelingenstatus heeft gekregen.
Heeft Litouwen hier reeds aandacht voor gevraagd op Europees niveau? Zo ja, hebben zij ook om bijstand gevraagd?
Zie antwoord vraag 5.
Wat bent u voornemens aan deze situatie te doen? Wordt hier binnenkort in een Europees gremium over gesproken?
Het kabinet heeft al sinds de protesten volgend op de frauduleuze presidentsverkiezingen van augustus 2020 grote zorgen over de zeer grootschalige repressie waaraan het regime van Loekasjenko oppositieleden, activisten, leden van het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke journalisten onderwerpt. In reactie op deze voortdurende repressie heeft de EU reeds vier pakketten gerichte sancties aangenomen tegen personen en entiteiten in Belarus die hiervoor verantwoordelijk zijn. Bovendien zijn in juni ook sectorale economische sancties ingesteld die de financiële belangen van het regime raken. De EU heeft steeds gezegd dat verdere sancties zullen volgen als de repressie doorgaat. Het kabinet pleit in EU-verband voor de snelle voorbereiding van een volgend pakket sancties om de druk op het regime te verhogen. De EU heeft steeds gezegd dat deze verdere sancties zullen volgen als de repressie doorgaat. Het kabinet pleit in EU-verband voor de snelle voorbereiding van een volgend pakket sancties om de druk op het regime te verhogen, conform motie Brekelmans (Motie 21 501-02, nr. 2385).
Zoals hierboven beschreven deelt het kabinet uw zorgen ten aanzien van het gebruik van migranten voor politieke doeleinden door derde landen, en volgt de situatie in Litouwen nauwlettend.
In de Raadsconclusies van de Europese Raad van 24 en 25 juni jl. veroordeelt en verwerpt de Europese Raad elke poging van derde landen om migranten voor politieke doeleinden te gebruiken. Tijdens de Europese Raad is ook ingestemd met een nieuwe set sancties tegen Belarus.
Op de Raad Buitenlandse Zaken van 12 juli jl., waar de kwestie op verzoek van Litouwen geagendeerd stond onder Current affairs, heeft het kabinet solidariteit geuit met Litouwen vis-à-vis Belarus en het belang benadrukt van gesprekken met transit- en herkomstlanden. Ook heeft het kabinet hier aangegeven open te staan voor werk aan een vijfde sanctiepakket.
Zoals hierboven toegelicht wordt Litouwen door Frontex, EASO en de Commissie ondersteund. Het kabinet wenst Litouwen in EU-verband te blijven steunen. De plotselinge migratiestroom volgt op sancties die de EU eerder oplegde aan Belarus. Het kabinet wenst dan ook, naast de nodige operationele steun voor Litouwen, ook passende, politieke oplossingen te onderzoeken in Europees verband. Zo is het van groot belang dat de EU in gesprek treedt met de derde landen waaruit de vluchten opereren.
Bent u bereid bij andere EU-landen te peilen of er draagvlak is Loekasjenko hierop aan te spreken?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen apart van elkaar en tijdig beantwoorden?
Waar overlap bestond zijn vragen ten behoeve van de leesbaarheid samengevoegd. De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
De mogelijke uitbreiding van het aantal jeugdgevangenissen. |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Hoe verhouden de prognoses over bezetting van justitiële jeugdinrichtingen zich tot steeds vaker opgelegde gevangenisstraffen voor jeugdigen?
De capaciteitsbehoefte voor de Justitiële ketens, waaronder justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s), wordt geraamd met het Prognose Model Justitiële ketens (PMJ). Dit model liet jarenlang een daling in de capaciteitsbehoefte van JJI’s zien met een uiteindelijke stabilisatie in de PMJ-raming van 2019 van ongeveer 400 plekken, terwijl er 753 plekken beschikbaar waren.1 In de PMJ ten behoeve van de begroting 2021 was voor het eerst een stijging zichtbaar. Deze stijging zet zich door in de meest recente PMJ Prognose.2 De PMJ is een model dat de capaciteitsbehoefte voorspelt, maar bevat geen nadere verklaring van een toe- of afname. Wel is in de recente monitor Jeugdcriminaliteit tegelijkertijd zichtbaar dat de omvang van jeugdcriminaliteit stabiel is, maar dat er een stijging is in ernstige geweldsdelicten.3 Als deze delicten zwaarder worden bestraft, verblijft een jongere langer in een JJI en vraagt dit meer capaciteit van DJI. De trends in de jeugdcriminaliteit blijf ik continue onderzoeken. Uiteraard deel ik de bevindingen met uw Kamer.
Op basis van welke doorslaggevende argumenten is in het programma Vrijheidsbeneming op Maat besloten om twee justitiële jeugdinrichtingen te sluiten als onderdeel van een nieuwe werkwijze?
Na afronding van het beleidstraject Verkenning Invulling Vrijheidsbeneming Justitiële Jeugd (VIVJJ), heb ik uw Kamer in mijn brief van 28 juni 2019 aangegeven dat ik wil investeren in een duurzaam stelsel van vrijheidsbeneming met meer maatwerk door gerichte screening en differentiatie in beveiligingsniveau en zorgintensiteit.4 Dit heeft geresulteerd in het programma Vrijheidsbeneming op Maat (VOM).
Tot 2019 kende het stelsel één type instelling voor alle justitiële jongeren. De diversiteit van de doelgroep nam echter toe, mede gelet op de invoering van het adolescentenstrafrecht, net als de groep jongeren die een combinatie van verschillende ernstige problemen ondervond; meer psychische problemen, verstandelijke beperking, verslaving, school- en leerproblemen. Met de bijkomende verschillen in verblijfsduur, maakte dit dat er behoefte was, en is, aan meer variatie in zorgaanbod en beveiliging.
Daarbij was er jarenlang de trend dat het aantal jongeren dat in aanraking kwam met het strafrecht een daling vertoonde. De keerzijde hiervan was dat het leidde tot overcapaciteit bij de JJI’s. Het in stand houden van deze overcapaciteit ging gepaard met hoge kosten. Daar kwam bij dat de bezetting volgens de PMJ-ramingen toen ook de komende jaren verder zou afnemen. Dit was voor mij een belangrijke reden om de overcapaciteit af te bouwen, waarbij rekening is gehouden met de onzekerheidsmarges van de PMJ-ramingen. De financiële middelen die dit heeft opgeleverd maakt het mogelijk om te investeren in meer maatwerk op zowel lokaal als landelijk niveau.
Om deze stelselwijziging te bereiken, is het programma VOM gestart. Bij de verkenning is de keten rondom de jeugdige maar ook de wetenschap betrokken om tot een toekomstbestendige visie te komen. Een van de uitgangspunten van VOM is een flexibeler omgang met vraag en aanbod. Met het programma VOM worden de uitgangspunten tot en met 2024 verder uitgewerkt en in praktijk gebracht. We blijven kijken naar de ontwikkelingen in de zwaarte van straffen en vergrijpen van jongeren en nemen dit mee in de toekomstplannen voor VOM, zodat DJI hierop voorbereid is en de veiligheid en begeleiding niet in het geding komen.
Is bij de beslissing om de justitiële jeugdinrichtingen te sluiten ook meegewogen dat het minimaal een jaar kost om een leegstaande justitiële jeugdinrichting weer in gebruik te nemen om onder andere personeel aan te trekken, teams samen te stellen en onderwijs te organiseren? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Ja. Om tot een verantwoorde afbouw te komen, is niet alleen naar gekeken naar de behoefte aan capaciteit volgens de PMJ-ramingen, maar is extra (buffer)capaciteit aangehouden om te kunnen anticiperen op een eventuele toename van het aantal benodigde plaatsen in de toekomst. Aangezien het in gebruik nemen van buffercapaciteit tijd kost is er ook extra reguliere capaciteit aangehouden om in een grotere behoefte dan de PMJ-raming te voorzien.
Hoe beoordeelt u de toename van zware jeugdcriminaliteit in relatie tot de capaciteit bij justitiële jeugdinrichtingen?1
Zoals aangegeven in mijn brief van 23 juni 2021 over de ontwikkelingen en aanpak van Jeugdcriminaliteit verblijven jongeren langer in jeugdinrichtingen door zware delicten.6 Dit geeft druk op de capaciteit. De ontwikkelingen in de zwaarte van vergrijpen van jongeren en bijbehorende straffen hebben mijn blijvende aandacht.
Op welke wijze zou een toekomstbestendige visie op justitiële jeugdinrichtingen volgens u tot stand moeten komen?
Zie antwoord vraag 2.
Maken reeds gesloten penitentiaire inrichtingen, zoals bijvoorbeeld Almere, kans om als justitiële jeugdinrichting heropend te worden? Zo ja of zo nee, waarom?
Ik heb recent aangegeven, onder andere in het 2-minutendebat 6 juli j.l., dat ik aan het onderzoeken ben op welke wijze de oplopende capaciteitsbehoefte het beste kan worden opgelost binnen de DJI. In de loop van deze week zijn deze oplossingsrichtingen meer concreet geworden waarbij is gezocht naar geschikte locaties om op korte termijn gebruik van te kunnen maken. Als voorwaarde heb ik gesteld dat een locatie moet voldoen aan de eisen die worden gesteld aan een reguliere JJI. Daarom zijn de volgende voorwaarden gesteld:
Op basis van voorgenoemde vereisten heb ik de DJI verzocht een plan uit te werken en een locatie te zoeken en geschikt te maken. Deze week is de PI Zuid-Oost, locatie Ter Peel op basis van de gestelde eisen als meest geschikt naar voren gekomen. Daarbij zou capaciteit van het gevangeniswezen beschikbaar kunnen worden vrijgemaakt voor jeugd. Ik heb de DJI gevraagd deze oplossing voor de oplopende capaciteitsbehoefte de komende zomer verder uit te werken en voorbereiden.
Ik hecht er aan dat de Inspectie zich kan vinden in de geboden oplossing. Daarom heb ik de Inspectie verzocht de uitwerking van de plannen te toetsen. Ik vind het belangrijk dat de Inspectie de wijze waarop de tijdelijke dependance van de Rijks JJI wordt ingericht en zal gaan functioneren onderschrijft. Na het reces stuur ik uw Kamer een brief met daarin de verdere uitwerking van mijn voornemen voor de tijdelijke Rijks JJI.
Op welke wijze wordt er voor gezorgd dat de werkdruk en de veiligheid van de medewerkers in justitiële jeugdinrichtingen gewaarborgd blijft? Kunt u daarbij ook ingaan hoe zich dit verhoudt tot de fluctuatie van opening en sluiting van nieuwe locaties?
De veiligheid in een JJI staat altijd voorop en daarom zorgt DJI voor genoeg personeel op een groep. Binnen de JJI’s en kleinschalige voorzieningen justitiële jeugd (KVJJ’s) is er sprake van een maximale groepsgrootte en wordt er per jeugdige gekeken welke behandeling het best past. Zoals ik aangaf in mijn brief van 5 maart jl. aan uw Kamer is het programma «nieuw personeel» ingericht om actief personeel te werven bij DJI.7 Er werd en wordt blijvend geworven voor kwalitatief goed personeel. Daarnaast investeert DJI in goede inwerking van nieuwe medewerkers. Sinds kort wordt aan alle nieuwe medewerkers een basisopleiding aangeboden. Personeel wordt zo sneller en effectiever ingewerkt, wat bijdraagt aan meer veiligheid op de groepen.
Met de gesloten JJI’s was DJI in gesprek om het mogelijk te maken dat kwalitatief hoogwaardig personeel beschikbaar bleef voor de KVJJ’s.
Op welke wijze kunt u de mogelijke uitbreiding van de benodigde plekken in justitiële jeugdinrichtingen realiseren alvorens de maximale capaciteit bereikt is?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid het Prognosemodel Justitiële Ketens (PMJ) te herijken om te voorkomen dat in de toekomst te snel wordt overgegaan tot het sluiten van justitiële jeugdinrichtingen waardoor later een jaar later een groot capaciteitsgebrek kan ontstaan? Zo ja of zo nee, waarom?
Aan uw Kamer is gemeld dat voor de lange termijn een uitgebreid traject is gestart om de mogelijkheden voor het verbeteren van de ramingen te onderzoeken.8 De eerste fase is door een extern onderzoeksbureau onder verantwoordelijkheid van het WODC afgerond en bestaat uit een inventarisatie van de behoefte aan ramingsinformatie onder de betrokken organisaties en onderdelen van JenV. De conclusie is dat het instrument PMJ in technisch opzicht naar behoren functioneert. Gebruikers zien wel mogelijkheden om het instrument organisatorisch beter in te bedden en inhoudelijk verder te ontwikkelen. Op basis van de uitkomsten van deze inventarisatie wordt de vervolgfase momenteel vorm gegeven. Los hiervan worden de data en de verbanden in het econometrische model ieder jaar geactualiseerd, naast de verfijningen of uitbreidingen aan het model, zoals aangegeven bij de aanbieding van de meest recente PMJ-ramingen aan de Tweede Kamer op 17 juni jl.9
Het bericht dat Russen ten tijde van het MH17-onderzoek door een hack diep in de systemen van de politie zaten |
|
Lisa van Ginneken (D66), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het feit dat Russische hackers toegang hadden tot de politiesystemen door een hack?1
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving door de Volkskrant. Het is algemeen bekend dat (buitenlandse) statelijke actoren voortdurend proberen bij (overheids)organisaties binnen te dringen om toegang te krijgen tot organisatiegeheimen of gerubriceerde (staatsgeheime) informatie.
Het is geen geheim dat Nederland en andere Westerse landen in het vizier staan van onder meer Russische en Chinese inlichtingendiensten. Alle betrokken organisaties zijn zich bewust van de digitale dreigingen. Vanwege staatsveiligheid kan ik geen uitspraken doen over de specifieke maatregelen die de onder mij ressorterende diensten treffen.
Voor zover uw vragen zien op concrete incidenten met statelijke actoren zoals die in de berichtgeving van de Volkskrant worden beschreven, kan ik op deze vragen geen antwoord geven.
Wat vindt u van de uitspraak dat de politiesystemen voor de hack slecht beveiligd waren?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan het zijn dat de politiesystemen zo slecht beveiligd waren?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom monitorde de politie niet structureel of de systemen veilig waren?
Zie antwoord vraag 1.
Onderzoekt de regering structureel of de digitale beveiligingsystemen op orde zijn? Zo nee, waarom niet en bent u hiertoe bereid? Zo ja, zijn er meer overheidssystemen die slecht beveiligd zijn? Zo ja, welke?
Overheidsorganisaties zijn gehouden aan de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO). In de BIO worden eisen gesteld aan het beoordelen van de technische naleving van beveiligingsbeleid en -normen. Door middel van kwetsbaarheidsanalyses, pentesten of ethische hackoperaties (Red Teaming) wordt de feitelijke veiligheid van kritische systemen en netwerken regelmatig beproefd.
Daarnaast is door CISO Rijk in samenwerking met een groep experts binnen de rijksoverheid en de departementen een handreiking opgesteld en vastgesteld voor het inrichten van een doorlopende kwetsbaarhedenscan bij rijksoverheidsorganisaties. Dit wordt waar nodig ondersteund met praktische tooling.
Wat vindt u van de keuze van de politie om de Russen er eerst uit te jagen, gelet op het feit dat we niet weten waar de Russen naar op zoek waren?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat Russische hackers ook toegang hebben proberen te krijgen tot de digitale systemen van het Openbaar Ministerie (OM)? Zo ja, is dit gelukt?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de politie zelf controle houdt over het oplossen van de hack en dat daarom kostbare tijd verspild is?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat het aandringen van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) tot snelle beveiligingsmaatregelen bij de politie tot frictie leidde?
Er is geen sprake van frictie tussen de politie en veiligheidsdiensten, de samenwerking verloopt goed.
Net als iedere andere organisatie binnen het veiligheidsdomein, neemt ook de politie zowel organisatorische als technische maatregelen om blijvend te anticiperen op de veranderende dreigingen in de buitenwereld. Zoals in de bijlage bij het recent verstuurde Halfjaarbericht Politie staat, investeert de politie in de verbetering van detectie- en incidentenrespons2.
Er wordt onafgebroken geïnvesteerd in het steeds beter en sneller te kunnen omgaan met (pogingen tot) hacks. Zo heeft de implementatie van EDR (Endpoint Detection & Response) het afgelopen jaar een significante bijdrage geleverd aan de digitale veiligheid van de politie.
Is er vaker frictie tussen de politie en veiligheidsdiensten?
Zie antwoord vraag 9.
Wat doet u eraan om deze frictie op te lossen, zodat er in de toekomst sneller gehandeld kan worden bij hacks?
Zie antwoord vraag 9.
Klopt het dat niet alle voorgestelde beveiligingsvoorstellen zijn ingevoerd door de politie?
Zoals u zult begrijpen kan ik om veiligheidsredenen in het openbaar geen antwoord geven op deze vragen.
Welke beveiligingsmaatregelen zijn nog niet ingevoerd bij de politie?
Zie antwoord vraag 12.
Wat is het gevolg van het nog niet invoeren van beveiligingsmaatregelen op de digitale weerbaarheid van de politie?
Zie antwoord vraag 12.
Zijn de belangrijkste data van de politie nu wel veilig? Zo nee, welke data zijn niet veilig en wat doet u eraan om dit zo snel mogelijk op te lossen?
Geen enkele organisatie kan zich voor 100% wapenen tegen hacks of andere ongeoorloofde toegang tot systemen. Door een combinatie van verschillende maatregelen, van geavanceerde beveiligingsoplossingen tot personeel dat getraind is in en bekend is met technieken voor social engineering, wordt het beveiligingsniveau zo hoog mogelijk gehouden. Hierop wordt dan ook voortdurend ingezet door de politie.
De politieorganisatie heeft gezien de aard van de organisatie te maken met zogeheten Advanced Persistent Threats (APT). APT is een verzamelnaam voor dreiging door een groep aanvallers die niet alleen over geavanceerde technische middelen en voldoende geld beschikt, maar ook een sterke motivatie heeft om organisatiegeheimen of gerubriceerde (staatsgeheime) informatie te bemachtigen. Er zijn specifieke kenmerken (de Indicators Of Compromise, IOC) te onderscheiden van een aanval vanuit Advanced Persistent Threats. Deze IOC’s worden voortdurend vertaald naar detectie- en monitoringoplossingen zoals het optimaliseren van een Security Information & Event Management Systeem (SIEM).
Digitale kwetsbaarheid en hackpogingen om misbruik van te maken van die kwetsbaarheid nemen overal toe en de impact van hack- en ransomware aanvallen wordt steeds zichtbaarder. Met het Programma Cyber Security richt de politie zich op het digitaal weerbaarder maken van de politieorganisatie door onder andere extra beveiligingsmaatregelen te implementeren en bewustwording over de digitale dreigingen te vergroten. Daarbij wordt bijvoorbeeld geïnvesteerd in de verbetering van detectie- en incidentrespons.
Bent u bereid om structureel ethische hackers in te zetten om te zoeken naar gaten in de digitale systemen?
Binnen de politie worden – net als bij vrijwel alle overheidsorganisaties – ethische hackers ingezet. Dit wordt gedaan in de vorm van Red Teaming. Red Teaming zorgt voor een analyse van zwakke plekken en kwetsbaarheden in (hoog-risico) organisaties vanuit het perspectief van de opponent. Het geeft inzicht in de werkwijze van de tegenstander en in het beveiligingsniveau van de organisatie. Met dit inzicht kunnen op strategisch-, tactisch- en operationeel niveau beleidsbeslissingen worden aangescherpt en kan de veiligheid binnen de organisatie verder worden vergroot.
Seksueel geweld onder studenten |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van I&O Research waaruit blijkt dat «Een op negen studentes verkracht is tijdens studententijd»?
Ja, ik heb kennisgenomen van het rapport van I&O Research onder 1.059 studenten in het hoger onderwijs, dat werd uitgevoerd in opdracht van Amnesty International.1
Deelt u de mening dat dit een onacceptabel hoog aantal is? Zo ja c.q. zo nee, waarom?
Ja, die mening deel ik. Uit het onderzoek blijkt dat 11 procent van de 1.059 ondervraagde studenten ooit seksuele penetratie meemaakte zonder instemming. Dit betekent dat een flinke groep mensen al op jonge leeftijd geconfronteerd wordt met excessief seksueel geweld. In een vrije samenleving als de onze is dat een onacceptabele werkelijkheid die onderstreept dat de aanpak ervan urgent is en blijvende aandacht vergt.
Op welke manier gaat de nieuwe wet Seksuele Misdrijven zorgen voor een verbetering van deze cijfers?
Om de strafrechtelijke aanpak van seksuele misdrijven te versterken, heb ik op 8 maart 2021 het wetsvoorstel seksuele misdrijven in consultatie gegeven. Deze termijn is op 4 juni jl. gesloten. Op dit moment werkt mijn departement aan het verwerken van de adviezen. Een eerste inventarisatie daarvan onderstreept voor mij het belang van het wetsvoorstel. De aangescherpte maatschappelijke normen ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag, nopen tot aanpassing van het Wetboek van Strafrecht. Het voorstel voorziet in nieuwe (online) delictsvormen, maar ook in aanpassingen van de strafbaarstellingen van bestaande delicten, zoals die van aanranding en verkrachting. Waar naar huidig recht bij deze delicten de focus ligt op de vraag of een dwangmiddel is gebruikt, vertrekken de voorgestelde delicten vanuit de vraag wat de betrokken persoon wist of behoorde te weten omtrent het ontbreken van de wil bij de ander. Het onderzoek van I&O Research bevestigt het belang van deze aanpassingen; ook daaruit blijkt dat bij aanranding en verkrachting lang niet altijd een dwangmiddel wordt aangewend.
Met het actueel wettelijk kader waarin het wetsvoorstel voorziet, krijgen politie en openbaar ministerie meer mogelijkheden om op te treden tegen strafbaar gedrag. Slachtoffers worden beter beschermd en kunnen in meer situaties aangifte doen. Tegelijkertijd geeft dit wetsvoorstel een duidelijk signaal af aan (potentiële) daders dat seksueel grensoverschrijdend gedrag niet acceptabel is en streng wordt bestraft. Daarmee gaat van dit wetsvoorstel een onmiskenbare normerende en preventieve werking uit. Aangenomen wordt dat dit een afschrikwekkend effect heeft en bijdraagt aan een positieve gedragsverandering.
Voor de uitvoering van het wetsvoorstel is structureel zo’n 15 miljoen euro vereist. Thans bestaat geen dekking op de begroting van mijn departement; het vinden daarvan is aan een nieuw kabinet.
Hoe ziet u de verhouding tussen de strafrechtelijke normering van seksueel geweld en tijdige en consistente voorlichting over seksueel geweld?
Seksuele misdrijven vragen vanzelfsprekend om een strafrechtelijke reactie. Tegelijkertijd geldt dat het onderliggende gedrag dat de oorzaak vormt van het plegen van seksuele misdrijven, de inzet van meer dan enkel strafrechtelijke maatregelen indiceert. In de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 februari 2021, die ik mee heb ondertekend, is een beschrijving en een overzicht opgenomen van de interdepartementale inzet op het terrein van de preventie en de aanpak van seksueel geweld.2 Het wijdvertakte karakter van de problematiek, zo wordt ook in die brief duidelijk, maakt dat het strafrecht weliswaar een onmisbaar sluitstuk is van de aanpak, maar tegelijkertijd onderdeel van een bredere set aan middelen die nodig zijn om seksueel geweld te voorkomen en bestrijden. Ook bewustwordingscampagnes en voorlichting spelen daarbij, zoals ook in het overzicht van interdepartementale activiteiten te zien is, een belangrijke rol.
Daarnaast beoog ik in het traject met betrekking tot de implementatie van het wetsvoorstel seksuele misdrijven niet alleen aandacht te hebben voor het strafrecht, maar ook andere domeinen te betrekken. Daarin zal aandacht zijn voor het belang van voorlichting en bewustwording. Uiteindelijk gaat het erom de sociale normen die in het wetsvoorstel gestalte krijgen, breed in te bedden in de maatschappij.
Wat is er nodig om de signalering van seksueel geweld onder studenten en de nazorg voor studenten die seksueel geweld hebben meegemaakt te verbeteren?
Bewustwordingscampagnes en voorlichting helpen om ook onder studenten en in het hoger onderwijs de signalering van seksueel geweld te verbeteren. Hogescholen en universiteiten moeten een veilige omgeving bieden waar studenten die seksueel geweld hebben meegemaakt hun verhaal kunnen doen, bijvoorbeeld bij een vertrouwenspersoon of studieadviseur. Die kunnen hulp bieden of hiernaar verwijzen.
Het is belangrijk dat burgers over informatie beschikken waar zij terecht kunnen als zij te maken krijgen met seksueel geweld. Uit het groeiend aantal slachtoffers dat zich jaarlijks meldt bij het Centrum Seksueel Geweld (CSG) blijkt dat zij die hulp goed kunnen vinden. Ook is voor het CSG met grote regelmaat aandacht in de (sociale) media. Met de overheidscampagne watkanmijhelpen.nl, die in 2019 door mijn departement is gestart, worden burgers gestimuleerd om na seksueel contact dat niet goed voelde, snel professionele hulp te zoeken.
Iedereen die kort of langer geleden te maken heeft gehad met seksueel geweld kan terecht bij het CSG. Het is mogelijk om anoniem te bellen (via 0800-0188), te chatten met het CSG of direct een afspraak te maken. Voor slachtoffers van seksueel geweld dat korter dan 7 dagen ervoor plaatsvond, bieden artsen, verpleegkundigen, politie en hulpverleners gezamenlijk de zorg die nodig is. Dat betreft zowel fysieke als psychische zorg. Mocht langere, intensievere nazorg nodig zijn dan verwijst het CSG door naar de reguliere GGZ-zorg.
De bejegening van een journalist in de uitoefening van de journalistieke taak |
|
Corinne Ellemeet (GL) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Kent u de column «Hoe de agressie van FDF-voorman Mark van den Oever ruimte wint»? Zo ja, wat vindt u van deze column?1
Ja.
Klopt het dat de bedoelde manifestatie is aangepast naar aanleiding van een vlog van FDF-voorman Van den Oever? Zo ja, waarom? Zo nee, wat was precies de aanleiding om de manifestaties te verplaatsen?
Conform de Wet Openbare Manifestaties (WOM) kan de burgemeester voorschriften verbinden aan demonstraties en manifestaties, waaronder het aanwijzen van een plek waar de demonstratie plaats mag vinden. Hierbij kunnen onder andere de openbare orde en veiligheid, de (verkeers-)veiligheid en de veiligheid vanwege Covid-19 een rol spelen. De politie vervult hierbij een adviserende rol. Het uiteindelijke besluit is aan de burgemeester van de betreffende gemeente.
De locatie van de onderhavige manifestatie is aangepast op basis van een analyse van de ter plaatse ontstane situatie. Daarbij is op geen enkele manier inbreuk gemaakt op het recht op demonstratie of het recht op vrijheid van meningsuiting.
Klopt het dat tijdens de manifestatie zelf een tractor met hoge snelheid en duidelijk provocerend langsreed (zie de foto bij de column)? Zo ja, is hiertegen opgetreden? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat klopt. Het is aan het lokale gezag om te bepalen hoe hiertegen wordt opgetreden.
Klopt het dat de journalist is begeleid door een politiefunctionaris en dat deze vooraf al te kennen gaf geen gesprek toe te staan tussen de betrokken boer en de journalist? Zo ja, wat vindt u daarvan? Bent u het met de mening eens dat hiermee de vrije nieuwsgaring ernstig wordt beperkt? Bent u het ook met de mening eens dat hiermee een beloning wordt gegeven op intimidaties? Zo nee, waarom niet?
Persvrijheid is een groot goed. Er kunnen zich echter situaties voordoen, zoals ook hier het geval was, waar de politie of het bevoegd gezag een journalist een advies geeft, bijvoorbeeld voor de veiligheid van de journalist, voor de openbare orde of om escalatie te voorkomen. Het is daarbij nooit de bedoeling intimidatie te belonen. De veiligheid staat voorop.
Wat vindt u ervan dat het aantal bedreigingen van journalisten toeneemt? Plaatst u de situatie uit het artikel in de context van «een nieuwe orde»? Welke acties kunt u ondernemen om journalisten beter te beschermen en om persvrijheid te beschermen?
Ik zet mij stevig in voor de persvrijheid. Het is een zorgelijke ontwikkeling dat journalisten ervaren dat zij meer en vaker met bedreiging, agressie en geweldsincidenten te maken krijgen, zoals ik u mede namens de Minister voor BVOM onlangs per brief schreef in reactie op een verzoek van uw Kamer.2 In die brief, en in de eerdere brief van 31 maart jl., kunt u lezen welke acties wij ondernemen om journalisten en de persvrijheid te beschermen en om te voorkomen dat iets als een nieuwe orde ontstaat.3 Onlangs sprak ik hierover nog met de Nederlandse Vereniging van Journalisten en het Genootschap van Hoofdredacteuren.
Ik herhaal hier graag waarmee wij de brief eindigden: het is van cruciaal belang dat wij als gehele samenleving respect voor elkaar en elkaars mening blijven tonen. Het oneens zijn met een ander mag, maar het is nooit of te nimmer acceptabel om journalisten te bedreigen, te intimideren of verbaal of fysiek agressief te bejegenen, enkel omdat zij hun werk doen. Wij roepen eenieder dan ook op om verantwoordelijkheid te nemen in het tonen van tolerantie en respect voor elkaar.
Bent u bereid om deze vragen te beantwoorden voorafgaande aan het komende plenaire debat over bedreigingen tegen journalisten? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het bericht 'Amnesty: 1 op 10 Nederlandse studentes slachtoffer seks zonder instemming' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Amnesty: 1 op 10 Nederlandse studentes slachtoffer seks zonder instemming»?1
Ja.
Wat is uw appreciatie van de conclusie van het onderzoek dat 11 procent van de vrouwelijke studenten en één procent van de mannelijke studenten tijdens de studententijd slachtoffer is geworden van verkrachting?
Ik ben geschrokken van de cijfers en vind het zorgwekkend dat zo veel studenten slachtoffer zijn geworden van seks zonder instemming.
Zijn er meer onderzoeken geweest naar seksueel geweld onder studenten? Is bekend hoe vaak studenten in andere landen te maken hebben met seksueel geweld en hoe onderwijsinstellingen in andere landen hiermee omgaan? Zo nee, wilt u dit in kaart brengen?
In het in mijn opdracht uitgevoerde onderzoek Seksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs (augustus 2020)2 wordt melding gemaakt van een uitgebreide studie naar seksueel misbruik en seksueel wangedrag binnen het hoger onderwijs, uitgevoerd door de Association of American Universities (AAU) en Westat. Door middel van een online survey ondervroegen zij 150.072 studenten van zevenentwintig verschillende Amerikaanse universiteiten (Cantor, et al., 2015).3 Bijna twaalf procent van de ondervraagde studenten rapporteert dat ze vanaf het moment van inschrijving aan de universiteit te maken hebben gehad met (i.e. een eigen ervaring) verkrachting of aanranding.4
Deelt u de constatering van Dagmar Oudshoorn, directeur van Amnesty Nederland, die stelt dat hoger-onderwijsinstellingen veel meer verantwoordelijkheid moeten nemen voor de veiligheid en het welzijn van hun studenten? Zo ja, hoe zou dat er volgens u uit moeten komen te zien?
Ik acht het van het grootste belang dat hoger onderwijsinstellingen een veilige omgeving bieden aan studenten. Het seksuele geweld ligt voor het overgrote deel in de privésfeer van de studenten, voor dit seksuele geweld kunnen studenten het beste terecht bij professionele zorginstanties voor hulp en de politie voor aangiften. Instellingen kunnen hier ook in ondersteunen door een veilig omgeving te bieden waar studenten hun verhaal kunnen doen en hen doorverwijzen naar deze instanties. Daarnaast kunnen instellingen extra begeleiding en ondersteuning in de studie bieden.
Hoe wordt op dit moment kenbaar gemaakt aan studenten wat de procedure voor melding op de onderwijsinstelling zelf is omtrent seksueel geweld? Hoe worden studenten geïnformeerd over de vertrouwenspersonen op de instellingen? Hoe kunnen de onderwijsinstellingen gestimuleerd worden om de zichtbaarheid van en informatie omtrent de vertrouwenspersoon te verbeteren?
Studenten worden erop gewezen dat zij met problematiek rond hun studie of persoonlijke omstandigheden die effect hebben op hun studievoortgang terecht kunnen bij bijvoorbeeld studentdecanen, studieadviseurs van de opleiding en bij vertrouwenspersonen. Ook een mentor of een docent kan een vertrouwensrol vervullen. Belangrijker dan dat iedere student de procedures kent, vind ik dat een instelling een veilige omgeving is, zodanig dat een student zijn of haar verhaal kwijt kan en verder wordt geholpen.
Bent u hierover in gesprek met de landelijke studentenorganisaties? Wat geven zij aan als verbeterpunten en hoe gaat u hier uitvoering aan geven?
Het rapport van Amnesty zal zeker besproken worden met de landelijke studentenorganisaties.
Denkt u dat het onderscheid tussen «verkrachting» en «seks tegen wil» een negatief effect heeft op de meldingsbereid onder studenten? Zo nee, waarom niet?
Uit het rapport blijkt dat slechts 1% van de studenten die seksuele penetratie zonder eigen toestemming heeft meegemaakt hierover contact heeft gehad met de politie. 60% van de studenten die seksuele penetratie zonder eigen toestemming heeft meegemaakt beschouwt dit niet als verkrachting, bijvoorbeeld omdat dit plaatsvond binnen een relatie of omdat ze vinden zelf onvoldoende te hebben duidelijk gemaakt niet te willen. Of meer van deze studenten naar de politie zouden zijn gegaan als zij het ondervonden seksueel geweld wel als verkrachting beschouwen, wordt uit het rapport niet duidelijk, maar ligt wel voor de hand.
Is bekend of er onderzoek is gedaan naar seksueel geweld onder mbo-studenten? Zo nee, bent u bereid om dat te gaan doen? Zo nee, waarom niet?
Diverse onderzoeken en monitoringsactiviteiten besteden aandacht aan seksuele veiligheid in het mbo, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen seksuele intimidatie en seksueel geweld en/of misbruik.
Zo biedt de Monitor Sociale Veiligheid (2017–2018) inzicht in de mate van seksuele intimidatie door medestudenten. De wettelijk verplichte meldingen van vertrouwensinspecteurs bij de Inspectie van het Onderwijs geven aanvullend inzicht in de seksuele veiligheid in het mbo. Verder biedt het in mijn opdracht uitgevoerde onderzoek Seksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs (augustus 2020) inzicht in seksuele intimidatie en seksueel geweld in de hiërarchische context van personeel richting de (minderjarige) mbo-student.
Bovenstaande onderzoeken en monitoringsactiviteiten bieden inzicht in de seksuele veiligheid in het mbo. Zo geeft in de Monitor Sociale Veiligheid (2017–2018) ruim 3% van de mbo-studenten aan slachtoffer te zijn geweest van seksuele intimidatie. Het gaat hier in driekwart van de gevallen om seksueel getinte opmerkingen. In 65% van de gevallen ging het om een student die deze opmerking maakte. 0.8% van de mbo-studenten geeft aan slachtoffer te zijn geweest van online seksuele intimidatie. Er is een afname in het totaal aantal meldingen van seksueel misbruik en seksuele intimidatie in het mbo bij de vertrouwensinspecteur in de periode 2018/2019 ten opzichte van het schooljaar daarvoor. In deze periode kwamen vijf meldingen van seksueel misbruik en negen van seksuele intimidatie binnen. Ondanks deze waardevolle inzichten ligt het werkelijke aantal gevallen waarschijnlijk hoger. Het is van belang om dit beter in kaart te brengen. De Monitor Sociale Veiligheid wordt momenteel doorontwikkeld. Hoewel nog wordt bezien welke bronnen als input worden gebruikt voor de nieuwe versie van de monitor, ben ik voornemens om met de betrokken partijen te onderzoeken of, en hoe, er opnieuw aandacht kan worden besteed aan seksueel geweld.
Elk geval van seksuele intimidatie is er één te veel. Ik steun onderwijsinstellingen daarom in hun taak om een veilige omgeving aan te bieden middels subsidies aan Stichting School en Veiligheid (SSV). SSV biedt advies, interventies en lesmateriaal gericht op studenten, docenten, vertrouwenspersonen en bestuurders voor de signalering en het voorkomen van (online) seksuele intimidatie en seksueel geweld in brede zin en specifiek onder studenten. Momenteel werk ik nauw samen met partners zoals de vertrouwensinspectie, MBO Raad en SSV om de bewustwording over dit thema te vergroten en het aanbod van interventies, tools en het lesmateriaal onder de aandacht te brengen bij onderwijsinstellingen.
Wat is de rol van de nieuwe universitaire ombudsfunctionaris bij seksueel geweld, als universiteiten niet verplicht zijn om de ombudsfunctie voor studenten toegankelijk te maken?
De ombudsfunctionaris heeft een onderzoeksbevoegdheid en kan patronen van bijvoorbeeld ongewenst gedrag binnen een instelling onderzoeken en het college van bestuur hier gevraagd en ongevraagd over adviseren. Amnesty heeft ervaringen met seksueel geweld tijdens de studententijd onderzocht. Dit geweld vond merendeels plaats in de privésfeer. Er wordt geen melding gemaakt van docent-studentverhoudingen. Zoals gezegd in vraag 4 en 5 vind ik het vooral van belang dat een student die seksueel geweld heeft meegemaakt zich gehoord en gesteund voelt door de instelling, in de zin van een luisterend oor, hulp bij doorverwijzing en als nodig het bieden van extra begeleiding en ondersteuning in de studie. Hierbij kan een vertrouwenspersoon, studentendecaan of studieadviseur een rol spelen.
De introductie van de ombudsfunctie zoals vastgelegd in de cao Nederlandse universiteiten ziet toe op medewerkers, zoals alle cao-afspraken, en niet op studenten. Daarnaast heeft een aantal universiteiten al eerder een ombudsfunctionaris voor studenten ingesteld. Een ander deel van de universiteiten richt de ombudsfunctie voor studenten in vóór eind 2021. De overige universiteiten onderzoeken of zij dit op termijn ook zullen doen.
In de huidige structuur is er bij alle instellingen in ieder geval een eenduidige en toegankelijke faciliteit ingericht waar studenten met klachten terecht kunnen. Dit is een wettelijk vereiste dat is vastgelegd in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (art. 7.59a). Daarnaast is de zorg- en hulpstructuur, waaronder vertrouwenspersonen en de commissie ongewenst gedrag, ook toegankelijk voor studenten.
In welk opzicht verschilt de rol van de vertrouwenspersoon bij de universiteiten van de hbo-instellingen?
De rol van de vertrouwenspersoon bij universiteiten en hbo-instellingen is dezelfde en zal dus dezelfde hulp of bijstand kunnen verlenen.
Het artikel ‘Hoe een verkrachter opnieuw kon toeslaan alle alarmsignalen ten spijt’ |
|
Michiel van Nispen , Ulysse Ellian (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Hoe een verkrachter opnieuw kon toeslaan alle alarmsignalen ten spijt»? Wat is uw reactie op deze reconstructie?1
Ja. Ik kan me voorstellen dat de inhoud van het artikel vragen oproept. In onderstaande beantwoording zal ik hier nader op ingaan.
In hoeverre is het volgens u van belang dat verdenkingen van (ernstige) strafbare feiten tijdig en adequaat bij de reclassering gemeld worden, indien die persoon onder toezicht van de reclassering staat?
In beginsel wordt de reclassering (en andere partners) door de politie op de hoogte gesteld van een opsporingsonderzoek op het moment dat een verdachte in verzekering is gesteld. Bij zwaarwegende redenen kan, in overleg met de Officier van Justitie, de reclassering op een eerder moment in het opsporingsonderzoek worden geïnformeerd. In deze casus is de reclassering voor zowel de steekpartij als de verkrachting geïnformeerd ten tijde van de aanhouding en inverzekeringstelling van betrokkene.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin meerdere reclasseringsvoorwaarden werden geschonden, maar het de persoon kennelijk toch werd toegestaan in zijn oude woonwijk bij zijn moeder te wonen, terwijl ook de evidente keuze aanwezig was om hem in de cel te zetten wegens het schenden van die reclasseringsvoorwaarden?
In deze casus hebben de betrokken partijen de betreffende persoon toestemming gegeven om als tijdelijke noodoplossing bij zijn moeder te verblijven, omdat er nog geen geschikte huisvesting voor hem gevonden was. Dit was passend binnen de geldende voorwaarden. Indien deze tijdelijke oplossing niet aan de betrokkene was toegestaan, zou hij op straat zijn beland. Ingeschat werd dat dit een groter risico op zou leveren, omdat hij in dat geval mogelijk uit zicht zou zijn geraakt. Er was op dat moment geen sprake van het schenden van reclasseringsvoorwaarden en betrokkene toonde zich coöperatief. Er was dan ook geen aanleiding om (alsnog) tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de in 2012 opgelegde jeugddetentie te vorderen.
Wat vindt u van de reactie van Reclassering Nederland die stelt dat het probleem van het huisvesten van ex-gedetineerden ook in andere zaken speelt? Hoe groot is dit probleem en wat wordt daar beleidsmatig aan gedaan?
Uit de zesde monitor nazorg (Kamerstukken II, 2020/21, 29 270, nr. 144) blijkt dat 22% van de ex-gedetineerden een maand na uitstroom uit detentie niet op een adres staat ingeschreven. Veel ex-gedetineerden hebben problemen op meerdere basisvoorwaarden tegelijk, dus niet alleen op huisvesting. Ook blijkt uit die monitor dat het hebben van met name werk, stabiele huisvesting en een geldig identiteitsbewijs de recidivekans verkleint. Het is daarom zaak de basisvoorwaarden al tijdens detentie op orde te krijgen. Die afspraak is vastgelegd in het bestuurlijk akkoord «Kansen bieden voor re-integratie» tussen de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), reclassering en gemeenten uit 2019. Uitgangspunt is dat meteen bij aanvang van detentie wordt nagegaan op welke basisvoorwaarden, zoals onderdak, ondersteuning nodig is. Dit wordt vastgelegd in een persoonlijk en integraal Detentie- & Re-integratieplan (D&R-plan). De invoering van de Wet straffen en beschermen per 1 juli 2021 voorziet in een verruiming van de wettelijke grondslag voor gegevensdeling tussen DJI, reclassering en de gemeenten ten behoeve van het D&R-plan. Dit laat onverlet dat woonruimte schaars is en verdeeld moet worden onder meer doelgroepen dan alleen gedetineerden.
Deelt u de mening dat de fysieke veiligheid van mensen niet onnodig in gevaar mag worden gebracht en het daarom van groot belang is om te onderzoeken wat er in deze zaak precies is gebeurd en hoe dit in de toekomst voorkomen kan worden?
Gelet op de mij bekende informatie over het handelen van de reclassering en de andere betrokken instanties in deze casus zie ik geen aanleiding om dit als onzorgvuldig te bestempelen en de zaak nader te (laten) onderzoeken. De Inspectie heeft aangegeven nochtans geen aanleiding te zien om onderzoek te verrichten. Mocht de Inspectie die aanleiding wel zien, dan informeer ik uw Kamer daarover.
Bent u bereid deze zaak onafhankelijk te laten onderzoeken, bijvoorbeeld door de Inspectie Justitie en Veiligheid? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De delicten die Bredanaar J. B. onder toezicht van de Reclassering pleegde |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wist u op het moment van antwoord geven op 25 oktober 2017 dat de tikkende tijdbom J.B. uit Breda niet alleen op 14 september 2017 een vrouw had neergestoken, maar een week daarvóór op 7 september 2017 in Breda ook een vrouw meermaals heeft verkracht, terwijl hij op dat moment onder toezicht van de Reclassering stond?1
Het was de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie bij de beantwoording van de schriftelijke vragen op 25 oktober 2017 niet bekend dat betrokkene een week vóór de steekpartij een ander ernstig strafbaar feit had gepleegd.
Waarom heeft u in de beantwoording van uw schriftelijke vragen op 25 oktober 2017 niets gezegd over deze verkrachting van 7 september 2017?2
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat er sprake is geweest van falend toezicht door de Reclassering, aangezien voorkomen had kunnen worden dat deze levensgevaarlijke crimineel slachtoffers kon maken? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. De reclassering spant zich dag in dag uit in om het toezicht zo goed en professioneel mogelijk uit te voeren binnen de mogelijkheden die zij hebben. Dit gebeurt, afhankelijk van de casus en de gestelde bijzondere voorwaarden, in samenspraak met één of meerdere ketenpartners. Ook in deze casus is dat gebeurd.
Op het moment dat de reclassering door het OM geïnformeerd werd over de aanhouding en inverzekeringstelling van de betrokkene vanwege de steekpartij, was bij de reclassering niet bekend dat betrokkene zich een week daarvoor schuldig had gemaakt aan een ander ernstig strafbaar feit. Het opsporingsonderzoek hierin door de politie liep op dat moment nog.
Hoe kan het dat, zoals u in uw eerdere antwoorden stelt, de Reclassering samenwerkte met het Veiligheidshuis, het Openbaar Ministerie (OM) en de politie en dat deze levensgevaarlijke crimineel toch binnen één week twee keer kon toeslaan?3
Zie antwoord vraag 3.
U stelt in uw eerdere antwoorden dat men geprobeerd heeft de «risicofactoren te ondervangen»; kunt u in een feitenrelaas van dag tot dag aangeven hoe dit toezicht er in september 2017 uitzag, welke instantie op welk moment verantwoordelijkheid droeg en welke informatie de verschillende instanties op welk moment deelden? Zo nee, waarom niet?
Het past mij niet om in detail in te gaan op een individuele zaak. Wel kan ik uw Kamer het volgende melden. Zoals is aangegeven in de beantwoording van de schriftelijke vragen op 25 oktober 2017, heeft de reclassering deze casus tijdens het toezicht regelmatig besproken met instanties als het Veiligheidshuis, het OM en de politie.4 De reclassering, politie en het OM hebben betrokkene toestemming gegeven om als tijdelijke noodoplossing bij zijn moeder te verblijven, omdat er nog geen geschikte huisvesting voor hem gevonden was. Indien deze tijdelijke oplossing niet aan de betrokkene was toegestaan, zou hij op straat zijn beland. Ingeschat werd dat dit een groter risico op zou leveren, omdat hij in dat geval mogelijk uit zicht zou zijn geraakt. Van belang is te vermelden dat de reclasseringsvoorwaarden op dat moment niet werden geschonden en betrokkene zich coöperatief toonde. Er was dan ook geen grond om (alsnog) tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de in 2012 opgelegde jeugddetentie te vorderen.
Deelt u de mening dat deze serieverkrachter in september 2017 helemaal nooit vrij rond had mogen lopen? Zo nee, waarom niet?
Het past mij niet om mij uit te laten over de strafeis of opgelegde straf in individuele zaken. Het openbaar ministerie en de rechter zijn onafhankelijk in het bepalen van respectievelijk de strafeis en de straf.
Deelt u de mening dat de vier jaar gevangenisstraf die het OM vorige maand heeft geëist een onacceptabel lage straf is voor deze gevaarlijke serieverkrachter, dat deze straf geen recht doet aan het leed dat deze verkrachter heeft veroorzaakt bij verschillende slachtoffers en al helemaal niet afschrikwekkend is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Beseft u dat alleen het invoeren van zware minimumstraffen de maatschappij maximaal beschermt tegen dit soort gevaarlijke criminelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer begint u met het invoeren van zware minimumstraffen?
Nee. Zoals bekend is dit kabinet geen voorstander van de invoering van minimumstraffen, omdat daarmee een te grote inbreuk wordt gemaakt op de vrijheid van de onafhankelijke rechter in zijn oordeelsvorming over de strafoplegging. De strafrechter levert steeds per individueel geval maatwerk en legt een passende straf op. Naar mijn mening doet de strafrechter dat uiterst consciëntieus en professioneel.
De fraudezaak bij het kantoor van Pels Rijcken. |
|
Renske Leijten , Michiel van Nispen |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Fraude bij Pels Rijcken – de onderste steen moet boven»?1
Ja.
Wat vindt u van de suggestie van de auteurs van het artikel om wettelijk te regelen dat het Hof bij de afwikkeling van massaclaims meer/beter toezicht moet houden; bijvoorbeeld door benoeming van een rechter-commissaris die, net als bij de afwikkeling van een faillissement door een curator, toezicht houdt op de afwikkeling van de boedel en betalingen aan crediteuren?
Het belang van een goede afwikkeling van collectieve schikkingen onderschrijven wij volledig. Hierbij spelen verschillende wettelijke waarborgen en toezichtmechanismen een rol. Het gaat dan allereerst om de toets van de rechter bij de verbindend verklaring van de schikking. Daarbij toetst de rechter onder meer of de schikking voldoende waarborgen bevat voor de wijze waarop gedupeerden een aanspraak onder de schikking kunnen doen en de wijze waarop de vergoeding wordt vastgesteld en kan worden verkregen (zie hieromtrent verder het antwoord op vraag 3). Het gaat ook om het toezicht en tuchtrecht op advocaten en notarissen betrokken bij de afwikkeling van collectieve schikkingen. Samen zijn deze mechanismen erop gericht de kwaliteit van de collectieve schikking en van degenen betrokken bij de afwikkeling te bevorderen en ook om fraude te voorkomen. Op de details van de onderhavige casus kan ik nog niet ingaan, omdat ik die nog niet ken. Duidelijk lijkt wel dat deze mechanismen een omvangrijke fraude niet hebben kunnen voorkomen. In de wetenschap dat het onmogelijk is om elke vorm van fraude volledig uit te bannen, is deze casus voor ons wel een signaal dat wij vanuit de systeemverantwoordelijkheid uiterst serieus nemen. Om een volledig beeld te krijgen van wat is misgegaan in de onderhavige casus, willen wij eerst de uitkomsten van de diverse lopende onderzoeken afwachten. Daarna kunnen wij in dat licht bezien of het geheel aan wettelijke waarborgen en toezichtmechanismen nog altijd volstaat om fraude zoveel mogelijk te voorkomen. Zie daaromtrent verder het antwoord op vraag 22.
Kunt u uiteenzetten welke eisen het Hof precies stelt aan de voorwaarden voor uitkering, de behandeling van de groep benadeelden en andere waarborgen, bij de afhandeling van massaclaims? Zou het niet wenselijk zijn om deze eisen wettelijk vast te leggen, zodat dit voor alle partijen duidelijk is?
Artikel 907 lid 2 van Boek 7 BW bevat de voorwaarden voor het verbindend verklaren van een collectieve schikking. De overeenkomst bevat in ieder geval een omschrijving van de gebeurtenis of de gebeurtenissen waarop de overeenkomst betrekking heeft, een omschrijving voor welke groep gedupeerden de schikking is gesloten (naar gelang van de aard en de ernst van hun schade), een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van het aantal gedupeerden dat tot deze groep of groepen behoort, wat de vergoeding is die aan de gedupeerden wordt toegekend, aan welke voorwaarden zij moeten voldoen om voor die vergoeding in aanmerking te komen en de wijze waarop de vergoeding wordt vastgesteld en kan worden verkregen. Deze eisen liggen al wettelijk vast en het hof toetst hieraan daadwerkelijk bij een verzoek tot verbindendverklaring van een schikking. Het hof kan verbindendverklaring weigeren als de schikking niet voorziet in een onafhankelijke geschilbeslechting door een ander dan de rechter.
Waarom is het notarissen toegestaan om voor een collega-notaris van hetzelfde kantoor naamswijzigingen van stichtingen (met maar één bestuurder) te verrichten? Acht u een dergelijke handelwijze wenselijk? Bent u het ermee eens dat een notaris van een ander kantoor waarschijnlijk kritischer is bij dergelijke constructies?
De notaris wordt geacht in alle gevallen zorgvuldig, onpartijdig en onafhankelijk te handelen (artikel 17 lid 1 van de Wet op het Notarisambt). Dit geldt dus zeker ook voor transacties van een collega notaris of een bekende van de notaris. In de Wet op het Notarisambt is in artikel 19 Wna opgenomen onder welke omstandigheden de notaris een akte niet mag verlijden. Hier is expliciet niet opgenomen dat passeren voor een collega notaris van hetzelfde kantoor niet is toegestaan. Wij beschouwen die handelwijze dus niet per definitie als onwenselijk zolang de notaris zorgvuldig, onpartijdig en onafhankelijk handelt.
Wat is uw mening over de bestuurlijke bemensing van de via Pels Rijcken opgerichte claimstichtingen waarin regelmatig aan het kantoor gerelateerde personen fungeren maar ook die van het accountantskantoor dat Pels Rijcken controleert? Wat is uw mening van de ons-kent-onscultuur (waarin notarissen, advocaten en accountants elkaar de bal toespelen) die deze casus kenmerkt?
Op de feiten van de casus bij Pels Rijcken kunnen wij gegeven de onderzoeken die nog lopen nu niet in gaan. In zijn algemeenheid heeft de KNB duidelijk naar de leden gecommuniceerd het onwenselijk te vinden dat notarissen in stichtingen zitting nemen als enig bestuurder, indien in die stichtingen zogenoemde liggende gelden zijn ondergebracht.2 De KNB onderzoekt momenteel of er mogelijkheden zijn om regels te stellen rond de rol die notarissen hierin vervullen, en schenkt daarbij ook aandacht aan de governance met betrekking tot dit soort stichtingen: door het toezicht scherper vorm te geven, mutaties in nevenbetrekkingen goed en snel te actualiseren en notariskantoren voor te schrijven om relevante checks and balances in te voeren.
Heden heeft de KNB aangegeven, mede naar aanleiding van de recente fraudezaak bij Pels Rijcken, versneld vernieuwingen door te voeren binnen het notariaat. Daarbij ligt de nadruk op de registratie van nevenfuncties, het beheer van stichtingen en de controle van derdengeldenrekeningen (zie www.knb.nl).
Vindt u het een goed idee om, analoog aan faillissementen, in de wet op te nemen dat bij zaken in het kader van de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM) concept-uitdelingslijsten aan de rechtbank worden toegezonden, zodat deze aldaar gecontroleerd kunnen worden om daarna te worden gedeponeerd, waarna crediteuren daartegen nog bezwaar kunnen maken en zich desnoods alsnog kunnen melden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kunnen we een dergelijke wijziging van de wet verwachten?
Bij zaken in het kader van de WCAM is voorzien in een vorm van rechterlijke toetsing. In het antwoord op vraag 3 is aangegeven welke rol de rechter heeft bij het verbindend verklaren van collectieve schikkingen op basis van de WCAM. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 moet de schikking voorzien in duidelijkheid over de groep gedupeerden en zo nauwkeurig mogelijk hun aantal aanduiden. Na verbindendverklaring kunnen de individuele gedupeerden zich melden voor een vergoeding op de manier die in de schikking is vermeld. Als zij niet krijgen waarop zij recht denken te hebben, voorziet de schikking in een onafhankelijk geschilbeslechtingsmechanisme bij een ander dan de rechter. De rechter toetst de wijze waarop deze kwesties in de schikking zijn opgenomen.
Aangezien in faillissementen per definitie sprake is van een failliet die niet in staat is al zijn schulden te voldoen, is het toezicht op de afwikkeling van een faillissement door de curator terecht belegd bij de rechter. Bij discussie over de hoogte van een ingediende vordering ter verificatie kan de rechter de zaak verwijzen naar een renvoiprocedure, waarin een andere rechter over de hoogte van deze ingediende vordering beslist. Bij de afwikkeling van een collectieve schikking is dit anders. Daar moet de schikking zelf juist voorzien in de wijze van afwikkeling op basis van categorieën gedupeerden en vergoedingen en in onafhankelijke geschilbeslechting door een ander dan de rechter. Dit is ook wenselijk met het oog op de aantallen gedupeerden; in sommige schikkingen gaat het om honderdduizenden gedupeerden.
Wij beschikken niet over aanwijzingen dat dit systeem in zijn algemeenheid niet goed functioneert. Er zijn dan ook op dit moment geen voornemens om, analoog aan faillissementen, in de wet op te nemen dat bij zaken in het kader van de WCAM concept-uitdelingslijsten aan de rechtbank worden toegezonden, zodat deze aldaar gecontroleerd kunnen worden om daarna te worden gedeponeerd.
Heeft het Bureau Financieel Toezich (BFT) voldoende financiële middelen om zijn toezichtstaak naar behoren uit te kunnen voeren, met name als het gaat om het toezicht op het notariaat? Graag een uitgebreide reactie.
Er is de afgelopen jaren flink geïnvesteerd in het BFT. Zo heeft het BFT er extra budget bijgekregen voor de doorontwikkeling van de organisatie.
Zoals in het jaarverslag BFT 2020 is te lezen was de verstrekte subsidie in 2019 € 7.060.789 en in 2020 € 7.865.000.3 In 2018 bedroeg de subsidie nog € 5.864.701.Deze structurele extra middelen zijn beschikbaar gesteld voor de doorontwikkeling Bureau Financieel Toezicht.4 Wij gaan er gezien de recent doorgevoerde versterkingen van uit dat het BFT op dit moment voldoende capaciteit heeft voor haar taken. Zie verder het antwoord op
vraag 8.
Dit laat onverlet dat, zoals op 9 maart jl. in antwoord op vraag drie van de leden Van Nispen en Leijten is aangegeven, altijd geldt dat de middelen om toezicht te houden en onderzoek te verrichten uit de aard der zaak beperkt zijn en dat prioriteren noodzakelijk is. Het BFT is een onafhankelijke toezichthouder en handelt/werkt conform zijn regulier risicogericht toezichtsmodel. Dit houdt in dat het BFT aan de hand van signalen de risico’s analyseert en hierbij prioriteiten vaststelt.
Vindt u dat de 6 fte die het BFT heeft aan toezichtcapaciteit voldoende is voor het financieel toezicht op het notariaat? Zo ja, kunt u dit onderbouwen en ook garanderen dat andere kantoren hun zaakjes dus wel op orde hebben?
Het BFT houdt integraal toezicht op het notariaat. Dat wil zeggen dat naast het financiële toezicht het BFT tevens toezicht op de kwaliteit en integriteit houdt. Het genoemde fte-cijfer kwam uit het jaarverslag 2019.5 Zoals bij het antwoord op vraag 7 is aangegeven, heeft het BFT de afgelopen twee jaar door verschillende inspanningen het toezicht versterkt.
Met de toegekende extra subsidie (zie het antwoord op vraag 7) is de capaciteit van het BFT uitgebreid. Dit was nodig om het toezicht kwantitatief te versterken, kwalitatief relevanter en impactvoller te maken voor de onder toezicht staande beroepsgroepen en om de extra initiatieven op te pakken die zijn gedefinieerd binnen het programma Doorontwikkeling Bureau Financieel Toezicht. Met de extra middelen zijn onder andere extra toezichthouders, juristen en data-analisten geworven.
Het is nooit te garanderen dat alle ondertoezichtstaanden alles tot in detail op orde hebben. Het BFT beoordeelt aan de hand van periodiek (per kwartaal) indiende cijfers hoe het met de notariskantoren is gesteld en waar mogelijke risico’s zitten. In de door het kantoor (of door de accountant) ingediende (kwartaal)cijfers, ziet het BFT bijvoorbeeld of er op dat moment minder geld op de derdengeldenrekening staat dan de verplichtingen aan derden (negatieve bewaringspositie). Voor de jaarstukken is het notariskantoor verplicht de cijfers vergezeld te laten gaan van een verklaring dan wel mededeling die is afgegeven door een accountant.
Kan het BFT het verloop van derdenrekeningen bij alle notariskantoren adequaat onderzoeken?
Elk notariskantoor is verplicht om per kwartaal financiële gegevens aan het BFT te verstrekken, onder meer over de bewaringspositie van het kantoor. Indien het BFT daarbij een risico signaleert, kan het BFT nader onderzoek doen. Hierbij kan het verloop van een derdengeldenrekening worden meegenomen. Gegevens over het verloop van derdengeldenrekeningen worden niet standaard bij het BFT aangeleverd. Het BFT kan dergelijke informatie wel opvragen en doet dat wanneer daartoe aanleiding wordt gezien. Alleen de saldi worden aangeleverd (zie ook hierna het antwoord op vraag 10).
Toetst het BFT slechts de bewaringspositie van notariskantoren en of deze positief is of wordt ook nadrukkelijk gekeken naar mutaties op derdenrekeningen? Controleert het BFT ook het verloop van alle escrow-rekeningen die door notarissen niet gekoppeld zijn aan de reguliere notariële kwaliteitsrekening van het kantoor?
Wanneer er minder geld op de derdengeldenrekening staat dan de verplichtingen aan derden (bewaarplicht), spreken we van een negatieve bewaringspositie. Op basis van de ingediende kwartaalcijfers signaleert het BFT dit en doet het bij een geconstateerde negatieve bewaringspositie altijd nader onderzoek. Hierbij kan het verloop van een derdengeldenrekening worden meegenomen en kan er dus, als daartoe aanleiding is, naar mutaties op de rekening worden gekeken. Het gebeurt dus niet standaard bij ieder notariskantoor. Als daartoe aanleiding bestaat, kan het BFT het verloop van alle rekeningen, inclusief escrow-rekeningen, meenemen in zijn onderzoek.
Zoals het BFT in zijn jaarverslag 2019 heeft aangegeven wordt het financiële toezicht uitgevoerd door de beoordeling van periodieke financiële gegevens en door onderzoeken ter plaatse. Het periodiek analyseren van (minimaal) vier kwartaal- en jaarlijkse financiële gegevens is een belangrijk onderdeel van het financiële toezicht en bestond uit ongeveer 4.000 toetsingen per jaar bij de ongeveer 770 notariskantoren en minimaal ongeveer 1.260 toetsingen bij de privécijfers van notarissen. Deze toetsingen leiden tot risico-indicaties en risico-classificaties. Sommige kantoren dienen als gevolg hiervan bijvoorbeeld wekelijkse (bewarings)overzichten te verstrekken aan het BFT.
Hierbij is van belang te realiseren dat kantoren bij het indienen de saldo’s opgeven. Het BFT heeft geen zicht op de opbouw daarvan.
Dagelijks gaan er enorme bedragen af en bij, uitgaande van de vele miljarden die er dagelijks op deze rekeningen staan. Zoals het BFT in zijn jaarverslag 2020 aangeeft, bedraagt het totale saldo op notariële kwaliteitsrekeningen dagelijks gemiddeld enkele miljarden euro’s. Het saldo derdengeld bij de notariskantoren (exclusief IDS-kantoren) was eind 2020 € 8,3 miljard.
Controleert het BFT jaarlijks welke (neven)functies notarissen vervullen – bijvoorbeeld bij stichtingen zoals degene die door de notaris van Pels Rijcken is gebruikt – en ook of zij daarmee al dan niet in een positie verkeren om gelden oneigenlijk te onttrekken aan kantoorcliënten?
Notarissen zijn verplicht hun nevenfuncties door te geven aan de KNB en de Kamer voor het Notariaat (o.b.v. artikel 11 Wet op het notarisambt). De Kamer kan de uitoefening door de notaris van een nevenbetrekking ongewenst verklaren, indien hierdoor zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid wordt of kan worden beïnvloed dan wel de eer of het aanzien van het ambt wordt of kan worden geschaad. De nevenfuncties worden geregistreerd in het Basisregister Notariaat. Indien daartoe aanleiding is, neemt het BFT de aanwezigheid van (opgegeven) nevenfuncties mee in zijn onderzoek.
De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) gaat, mede naar aanleiding van de recente fraudezaak bij Pels Rijcken, versneld vernieuwingen doorvoeren binnen het notariaat onder meer ten aanzien van de registratie van nevenfuncties. Notarissen zijn opgeroepen om de opgave van hun nevenfuncties te actualiseren. Dit is verplicht. Op die manier kunnen de KNB en het Bureau Financieel Toezicht (BFT) deze meldingen controleren. Zij gaan dit nu jaarlijks doen. Daarnaast inventariseert de KNB welke notarissen staan geregistreerd als enig bestuurder van stichtingen.6
Klopt het dat Pels Rijcken in het verleden in de hoedanigheid van landsadvocaat ook optrad voor het BFT?
Advocaten van Pels Rijcken hebben het BFT bijgestaan, met name ten aanzien van algemene juridische kwesties (zoals met betrekking tot de Wet Openbaarheid van bestuur en civielrechtelijke aansprakelijkheid) en arbeidsrechtelijke vraagstukken. Bij gerechtelijke procedures bij tuchtkamers of in het kader van bestuursrechtelijke procedures doet het BFT in beginsel zijn eigen vertegenwoordiging.
Welke partij staat het BFT nu – indien nodig – bij, gegeven het feit dat Pels Rijcken, het kantoor van de landsadvocaat, nu zelf nadrukkelijk onderwerp is van onderzoek door het BFT? Welke voorzieningen zijn er in dezen getroffen sinds het moment van de start van het BFT-onderzoek?
Het BFT is een zelfstandig bestuursorgaan met gekwalificeerde toezichthouders en juristen. Het BFT heeft aangegeven vooralsnog geen noodzaak te zien om hier voorzieningen voor te treffen.
Kan de overheid wel zaken blijven doen met Pels Rijcken, zolang de onderste steen in deze fraudezaak nog niet boven is? Zo ja, waarom?
Het is van groot belang dat de Staat in rechte effectief kan optreden en zich ook in rechte kan verdedigen. Daarvoor zijn de diensten van een advocaat onontbeerlijk. De Staatspraktijk vergt specifieke ervaring, kennis en kunde. Het werken met een vaste advocaat voor de behandeling van het grootste deel van de zaken die de Staat betreffen is wenselijk uit een oogpunt van vertrouwelijkheid en uniformiteit in de behandeling. Als criterium voor het beantwoorden van de vraag of de Landadvocaat belangen van de Staat kan behartigen hanteren wij of de betrouwbaarheid van deze dienstverlening op dit moment en voor de voorzienbare toekomst voldoende gewaarborgd is. Op dit moment beschikken wij niet over aanwijzingen dat dat niet het geval is. Ik verwijs u hieromtrent ook naar mijn antwoord d.d. 9 maart7 jongstleden op de vragen 7, 8 en 9 tevens van de leden Van Nispen en Leijten (nr. 1947).
Van de kant van de Staat bestond – gezien de ernst van de vermeende feiten – behoefte eigen onderzoek te doen om te bezien of er aanwijzingen waren dat de notariële werkzaamheden van betrokkene ten behoeve van de rijksoverheid voldeden aan de daaraan te stellen notariële standaarden. In dit onderzoek zijn dossiers die de rijksoverheid betreffen onder de loep genomen. Daaronder vielen ook de dossiers met betrekking tot het op afstand stellen van zakelijke belangen van enkele bewindslieden voor het aantreden van het huidige kabinet. U Kamer is over dit onderzoek ingelicht bij brieven van 2 maart8 en 9 maart9 jongstleden.
Ter nadere toelichting hechten wij eraan te benadrukken dat dit onderzoek evenwel – zeker in vergelijking met de onderzoeken die nu nog lopen – een beperkte reikwijdte had. Het had enkel tot doel als cliënt zelf binnen korte tijd en in afwachting van de resultaten van de andere onderzoeken te beoordelen of er aanleiding was acute problemen te verwachten in zaken waarin de Staat cliënt is of recentelijk was. In dat kader heeft het kantoor ohoff onderzocht of de notariële werkzaamheden, zoals deze de afgelopen vijf jaar verricht zijn door de desbetreffende notaris ten behoeve van de rijksoverheid, betrekking hebbend op gevoelige kwesties zoals werkzaamheden ten behoeve van bewindspersonen (mits daartoe verkregen toestemming van die bewindspersonen), maar ook andere mogelijk gevoelige dossiers ten behoeve van de rijksoverheid, voldoen aan de daaraan te stellen notariële standaarden.
Als bericht in de brief van 2 maart jongstleden heeft dat onderzoek geen enkele aanwijzing opgeleverd dat in de onderzochte zaken niet naar daaraan te stellen notariële standaarden is gehandeld. Om duidelijkheid te verschaffen over de exacte reikwijdte en resultaten van dit onderzoek heb ik de rapportage bij deze brief gevoegd10.
Deze bevindingen laten onverlet dat ermee rekening moet worden gehouden dat onverhoopt uit andere nog lopende onderzoeken iets anders kan blijken. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd zodra wij over de uitkomsten daarvan beschikken (zie daaromtrent verder het antwoord op vraag 22).
Ondertussen hebben vragen die uit deze kwestie voortkomen aanleiding gegeven advies van externe deskundigen in te winnen met betrekking tot de vraag wat passende eisen en verantwoordingsverplichtingen zijn op het gebied van praktijkuitoefening en bedrijfsvoering die de Staat als cliënt kan stellen aan (het kantoor van) de Landadvocaat in het licht van de publieke functie van de Staat. Wij hechten er aan ons hierop aan de hand van extern deskundigenadvies te beraden, ongeacht de uitkomsten van de diverse onderzoeken naar de feiten en omstandigheden van de specifieke casus. Deze zullen vanzelfsprekend waar relevant geacht en beschikbaar gesteld bij het advies worden betrokken.
Ter beantwoording van de onderzoeksvraag is gezocht naar een bundeling van expertises op het terrein van zowel het recht en de praktijkuitoefening van advocaten en notarissen, als naar bedrijfskundige expertise op het gebied van fraudebestrijding, fraudepreventie, governance en compliance, gecombineerd met kennis en inzicht in de bijzondere positie van de Staat als cliënt met publieke belangen. Het advies wordt opgesteld door prof.mr. T.R. Ottervanger en prof.dr. A.B. Hoogenboom. Gestreefd wordt naar een afronding van dit advies voor 1 september aanstaande. Het advies zal ik ook met uw Kamer delen. Zie ook het antwoord op vraag 22 waarin wij verder ingaan op de informatieverstrekking aan uw Kamer.
Klopt het dat het Openbaar Ministerie (OM) in deze zaak aan het wachten is op het «zelfonderzoek» van Pels Rijcken en tot die tijd geen actie onderneemt? Zo ja, wat vindt u van die opstelling? Is dat hoe het OM volgens u aan waarheidsvinding zou moeten doen?2
Wij kunnen niet ingaan op de wijze waarop het Openbaar Ministerie aan een lopend strafrechtelijk onderzoek invulling geeft.
Was de stelling van het OM in maart dat Pels Rijcken «slachtoffer» zou zijn in deze zaak niet wat voorbarig? Ziet het OM Pels Rijcken nog steeds louter als slachtoffer, ook nu Pels Rijcken zelf heeft aangegeven dat naar aanleiding van het Deloitte-onderzoek maatregelen nodig waren om dergelijke fraude in de toekomst te voorkomen?
Wij kunnen niet vooruitlopen op de resultaten van een lopend onderzoek. In zijn algemeenheid geldt dat door het OM als slachtoffer wordt aangemerkt degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. Daaraan doet de vaststelling dat maatregelen nodig zijn om dergelijke feiten in de toekomst te voorkomen niet af.
Worden er, nu de bij de fraude betrokken notaris is overleden en deze niet meer kan worden vervolgd, nog handhavingsmaatregelen overwogen door het OM en/of het BFT tegen andere individuen en/of Pels Rijcken?
De onderzoeken lopen nog. Wij kunnen geen antwoord geven op de vraag of toekomstige strafrechtelijke vervolging of handhavingsmaatregelen jegens rechtssubjecten (al dan niet) aan de orde is.
Wordt er ook nader onderzoek ingesteld naar het (dis)functioneren van het accountantskantoor dat Pels Rijcken controleerde, maar dat ook andere rollen in deze casus had? Zo nee, waarom niet? Zo ja, heeft u daartoe een verzoek aan de Autoriteit Financiële Markten (AFM) gedaan?
Zie het antwoord op vraag 17.
Bent u bereid te laten onderzoeken hoe het toezicht vanuit het notariaat en de advocatuur in deze kwestie heeft gefunctioneerd, welke lessen er moeten worden getrokken en welke maatregelen moeten worden genomen om misstanden in de toekomst te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Bij de onderzoeken die nu door de onafhankelijke toezichthouders worden uitgevoerd zal ook het functioneren van het toezicht zelf worden betrokken. De wens om lessen te trekken uit het gebeurde staat niet ter discussie. Of het functioneren van het toezicht nader moet worden onderzocht, zal worden beoordeeld aan de hand van de resultaten van de nu nog lopende onderzoeken. Uw Kamer wordt daar nader over geïnformeerd. Zie ook het antwoord op vraag 22.
Voor wat betreft het toezicht op de advocatuur merk ik op dat het toezicht wordt uitgeoefend door de lokale deken en dat daarop systeemtoezicht wordt uitgeoefend door het College van Toezicht. Wij hebben er kennis van genomen dat de deken van Den Haag op 10 maart jl. een onderzoek is gestart dat zal worden uitgevoerd door een commissie van drie personen.12 Dit onderzoek is naar mijn weten nog niet afgerond. Het College van Toezicht heeft in de eerste voortgangsrapportage13 over de opvolging van de aanbeveling van de evaluatie van de Wet positie en toezicht advocatuur (Wpta) melding gemaakt van het onderzoek. Het College van Toezicht geeft daarin aan dat hij na afronding van het onderzoek zal beoordelen hoe het toezicht heeft gefunctioneerd en of er bredere lessen zijn te trekken in het licht van de evaluatie van de Wpta.14
Bent u op de hoogte van het feit dat het BFT heeft laten weten dat zijn onderzoek naar Pels Rijcken vanwege de wettelijke geheimhoudingsplicht niet openbaar gemaakt zal worden en evenmin aan u mag worden verstrekt? Waarom schreef u op eerdere schriftelijke vragen dan toch in antwoord op vraag 10 en 11 dat u na afronding van het BFT-onderzoek nader in zou gaan op deze kwestie?3 Krijgt u dat onderzoek nu wel of niet te zien?
In het kader van zijn wettelijke geheimhoudingsplicht verstrekt het BFT geen toezichtsrapporten aan externe partijen. Wel kan het BFT aan de Minister alle voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen verstrekken. Waar nodig geeft het BFT aan welke gegevens een vertrouwelijk karakter dragen (zie artikel 20 Kaderwet ZBO’s).
Bent u bereid een beroep te doen op Pels Rijcken om het onderzoek dat het heeft laten uitvoeren door Deloitte alsnog openbaar te maken, juist omdat het hier een kantoor betreft dat ook de landsadvocaat levert? Zo nee, waarom niet?
De onderzoeken die in opdracht van het kantoor worden verricht, zijn nog niet volledig afgerond. Nadat de Staat als cliënt over de resultaten daarvan is ingelicht, zal Uw Kamer worden geïnformeerd. Het kantoor Pels Rijcken is verantwoordelijk voor hetgeen het kantoor zelf naar buiten brengt. Wij twijfelen er evenwel niet aan dat ook het kantoor zeer hecht aan transparantie ten aanzien van het gebeurde en de maatregelen die het kantoor naar aanleiding daarvan heeft getroffen.
Wilt u de Kamer laten weten op welke termijn zij nader wordt geïnformeerd over de afloop, reikwijdte, inhoud en bevindingen in de diverse onderzoeken die naar aanleiding van deze kwestie zijn ingesteld?
Wij hechten er aan uw Kamer volledig en volstrekt open te informeren over deze kwestie. Wij weten ons evenwel op dit moment belemmerd door het feit dat nog diverse onderzoeken lopen, ten aanzien waarvan wij over de resultaten nog niet zijn ingelicht. Wij informeren uw Kamer zo volledig mogelijk, met in achtneming van deze nog lopende onderzoeken. Het is van groot belang dat deze onderzoeken in volledige onafhankelijkheid plaatsvinden. Na afronding ervan kunnen de resultaten in het publieke en politieke debat worden betrokken.
Tegelijkertijd hechten wij eraan uw Kamer in te lichten over ons eigen handelen in deze kwestie en over hetgeen de Staat als cliënt ter kennis komt. Om die reden is uw Kamer geïnformeerd over deze kwestie bij brieven van 2 en 9 maart jongstleden en voegen wij nu de resultaten van het door Houthoffuitgevoerde beperkte onderzoek bij. Ook zijn er momenteel verzoeken op basis van de Wet openbaarheid van bestuur bij het Ministerie in behandeling. Deze verzoeken zullen ruimhartig worden beoordeeld. Uw Kamer wordt over de afdoening ervan geïnformeerd en u zal de daarbij openbaar te maken stukken ook ontvangen. Naar verwachting zal dit in juli of augustus zijn.
De Landadvocaat heeft bericht half juli te verwachten de definitieve resultaten van de door het kantoor ingezette onderzoeken de Staat te kunnen berichten. Daarbij zullen ook de te treffen en getroffen maatregelen worden genoemd. Uw Kamer wordt daarover ingelicht, zo spoedig mogelijk na ontvangst van de resultaten. Daarna zal nog enige tijd nodig zal zijn om de resultaten van de onderzoeken en de verbetermaatregelen van het kantoor te bestuderen. De verbetermaatregelen zullen ook worden beoordeeld in samenhang met het externe deskundigen advies (zie het antwoord op vraag 14). Het streven is u over de appreciatie van de bevindingen als cliënt, de eventuele implicaties van de bevindingen en het externe advies in september uitgebreid in te lichten.
Het is ons niet bekend wanneer de onderzoeken van het BFT en het OM gereed zullen zijn. Zodra deze zijn afgerond en wij over de resultaten daarvan zijn geïnformeerd, wordt uw Kamer bericht. Als gezegd wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of er aanleiding is voor nader onderzoek naar het functioneren van het toezicht. Zie het antwoord op vraag 19.
Hierbij merken wij ook op dat de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid de Minister van Justitie en Veiligheid op 10 juni jongstleden heeft verzocht te reageren op het artikel «Fraude bij Pels Rijcken» (Nederlands Juristenblad, 25 mei 2021) nadat de lopende onderzoeken van onder andere het BFT zijn afgerond. Voor zover er nog elementen uit dit artikel zijn waarop wij op dat moment nog niet zijn ingegaan, zal dat alsnog gebeuren zodra deze zijn afgerond en wij over de resultaten daarvan zijn geïnformeerd. Op dat moment zullen wij ook bezien of het geheel aan wettelijke waarborgen en toezichtmechanismen bij de afwikkeling van massaclaims nog altijd volstaat om fraude zoveel mogelijk te voorkomen.
Het bericht dat een asielzoeker uit Iran in korte tijd meerdere meisjes heeft aangerand |
|
Gidi Markuszower (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u ervan op de hoogte dat een 35-jarige asielzoeker uit Iran een 18-jarig meisje in Assen heeft aangerand en twee minderjarige meisjes zijn geslachtsdeel heeft laten zien?1
Bovenstaande vragen gaan over een individuele zaak. Zoals u bekend kan ik niet ingaan op individuele zaken.
In algemene zin wil ik benadrukken dat wetsovertreding onacceptabel is en delicten zoals beschreven in de vragen verwerpelijk zijn. Of het gaat om vreemdelingen of andere personen maakt daarbij geen verschil. Een ieder dient zich aan de wet te houden.
Het is aan de rechter om te oordelen over schuldigverklaring en, bij schuldigverklaring, over een op te leggen sanctie. Het is niet aan mij als Staatssecretaris om te oordelen over de beslissing van een onafhankelijke rechter.
Als een vreemdeling vluchtelingrechtelijke vervolging of ernstige schade te vrezen heeft, kan de verblijfsvergunning asiel enkel worden geweigerd of ingetrokken als er sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf. Uw Kamer is hierover op meerdere momenten geïnformeerd, laatstelijk in mijn brief van 1 juli 20202. Indien het verblijfsrecht wordt beëindigd dan dient de vreemdeling Nederland te verlaten. Bij voorkeur gebeurt dit zelfstanding waarbij de vreemdeling ondersteund kan worden door de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V), de Internationale Organisatie voor Migratie of non-gouvernementele organisaties. Indien nodig kan de DT&V overgaan tot gedwongen terugkeer.
Bent u ervan op de hoogte dat deze asielviezerik tijdens de afgelopen jaarwisseling ook al een meisje in Coevorden zou hebben aangerand?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u ervan op de hoogte dat deze asielviezerik vorige zomer een medewerkster van het AZC in Assen bij haar borsten heeft gegrepen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u ervan op de hoogte dat deze asielviezerik in 2017 al is veroordeeld tot drie maanden cel voor aanranding?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u verklaren hoe het in hemelsnaam mogelijk is dat dit stuk asieltuig niet al lang is uitgezet na zijn straf?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de straf die nu tegen hem wordt geëist van één jaar cel, waarvan de helft voorwaardelijk, schandalig laag is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het te zot voor woorden is dat deze aanrander in een procedure zit voor zijn tweede asielaanvraag? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid een nieuwe aanranding te voorkomen en deze asielviezerik na zijn straf direct uit te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het opsporen van gestolen kunst |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het boek «Tussen Kunst en Cash» van Pieter van Os en Arjen Ribbens?
Ja.
Klopt het dat het Team Kunst en Antiek van de Landelijke Eenheid slechts zeven fte telt? Zo nee, hoeveel zijn het er dan?
De uitgangspunten voor de inrichting van toezicht, handhaving en opsporing van kunstcriminaliteit zijn in 2012 vastgelegd. In een brief aan uw Kamer bent u daarover door mijn voorganger geïnformeerd1. Deze uitgangspunten gelden onverkort.
Kunst- en antiekcriminaliteit is als herkenbaar proces ingebed binnen de dienst Landelijke Informatie Organisatie van de Landelijke Eenheid. Bij een groep medewerkers zijn taken belegd op het terrein van het bestrijden van kunstcriminaliteit en het informatie- en coördinatieproces. Ook een expertise en intelligence-functie is bij deze groep beschikbaar. Feitelijke opsporingsinspanningen zijn niet bij deze groep belegd.
Naast de medewerkers bij de Landelijke Eenheid zijn er in de eenheden taakaccenthouders aangewezen, die als schakel dienen met de collega’s uit de Informatie Organisatie van de Landelijke Eenheid en de intake, noodhulp en opsporing uit de regionale eenheid. Volledigheidshalve merk ik op dat ook zes inspecteurs van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed aangewezen zijn als buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA, domein 6).
Bent u van mening dat het Team Kunst en Antiek op dit moment haar taken en verantwoordelijkheden voldoende kan uitvoeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat het Team Kunst en Antiek vaak samenwerkt met een privédetective omdat deze soms effectiever kan opereren dan het Team zelf?
Publiek-private samenwerking ter bestrijding van criminaliteit is algemeen aanvaard. Zeker wanneer de politie daardoor effectiever kan optreden is dit toe te juichen.
Klopt het dat er voor daadwerkelijk onderzoek naar gestolen kunst eigenlijk geen capaciteit is? Kunt u aangeven welke taken het Team Kunst en Antiek nu moet laten liggen vanwege beperkte of gebrek aan capaciteit?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u cijfers verschaffen wat de (gemiddelde) pakkans is bij kunstdiefstal? Hoe beoordeelt u deze cijfers?
Er zijn ter zake van het criminaliteitsfenomeen kunstdiefstal onvoldoende gegevens voorhanden om op basis van een gedegen analyse een concrete uitspraak te doen over de pakkans.
Hoe vaak wordt de dader van een kunstdiefstal ook daadwerkelijk aansprakelijk gesteld voor de geleden schade?
Aansprakelijkheidsstelling van daders voor kunstdiefstal is aan de eigenaar van het object. Hierover worden voor zover mij bekend geen gegevens bijgehouden.
Welke verbeteringen ziet u bij de opsporing en berechting van kunstdiefstal?
De politie ziet zich regelmatig geconfronteerd met het feit dat slachtoffers van een kunstdiefstal bij de aangifte niet beschikken over een adequate beschrijving van het gestolen object. Dit feit maakt een succesvolle opsporing vrijwel onmogelijk. Een goede registratie van het object inclusief een foto, evenals die van andere waardevolle goederen, kan het succes van de opsporingsinspanningen bevorderen.
Het bericht dat er jaarlijks tientallen meldingen binnenkomen over financiële uitbuiting van ouderen. |
|
Liane den Haan (Fractie Den Haan) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tientallen meldingen zijn «topje van de ijsberg»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Zijn er al resultaten bekend van de uitvraag die u samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) bij verschillende gemeenten heeft gedaan over wat zij nodig denken te hebben voor het versterken van de aanpak ouderenmishandeling, inclusief financieel misbruik? Zo ja, heeft u al concrete stappen genomen naar aanleiding van de resultaten? Zo niet, wanneer verwacht u de resultaten en wanneer verwacht u dan concrete stappen te kunnen nemen naar aanleiding van die resultaten?
De uitvraag bij gemeenten is inmiddels afgerond. Uit deze uitvraag blijkt dat gemeenten behoefte hebben aan praktische ondersteuning op maat met concrete uitkomsten tot gevolg. Daarom werk ik momenteel samen met de VNG aan een plan van aanpak om een expertpool op het gebied van ouderenmishandeling, inclusief financieel misbruik, in te stellen. Het doel is dat regio’s en (centrum)gemeenten op maat expertise kunnen inhuren om hen te ondersteunen bij het (door)ontwikkelen van een aanpak ouderenmishandeling, met een inhoudelijke focus die bij de lokale context past. Kennisdeling en uitwisseling zullen onderdeel worden van dit traject, zowel tussen beleidsmakers als betrokken professionals en organisaties in de signalering en aanpak van ouderenmishandeling. Naar verwachting is de expertpool begin oktober beschikbaar.
Kunt u aangeven hoeveel gemeenten nog geen concrete aanpak hebben om financiële uitbuiting van ouderen te voorkomen en te signaleren? Zo niet, bent u bereid dat uit te zoeken? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten zijn onder de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld. Het is aan gemeenteraden om hun college op de gekozen aanpak te bevragen en aan te spreken. Ik heb niet precies in beeld hoeveel gemeenten wel of geen aanpak hebben op het gebied van ouderenmishandeling, en specifiek financieel misbruik. Dit najaar voert het programmateam Geweld Hoort Nergens Thuis gesprekken met regionaal projectleiders en ambtenaren van de 28 regio’s. Hierin worden de vragen voorgelegd of de regio’s een aanpak ouderenmishandeling hebben, en welke stappen er worden gezet om de aanpak verder vorm te geven. De resultaten zal ik aan uw Kamer rapporteren in de voortgangsrapportage eind dit jaar.
Bent u samen met de VNG al in gesprek geweest met de welzijnsorganisaties over wat de inzet van hun netwerk van vrijwilligers zou kunnen betekenen voor lokale allianties? Wanneer wordt de Kamer over de resultaten van deze gesprekken geïnformeerd?
Het gesprek met de ouderenbonden en welzijnsorganisaties, met als doel om te kijken wat hun netwerk van vrijwilligers zouden kunnen betekenen voor lokale allianties, heeft nog niet plaatsgevonden. Ik ben voornemens dit onderwerp komende maanden bij verschillende overlegtafels (zoals met de KBO-PCOB, Anbo en andere organisaties) te agenderen, en zal uw Kamer in de volgende voortgangsrapportage Geweld hoort nergens thuis hierover informeren.
In hoeverre heeft u zicht op de werkwijze, resultaten en best practices van de lokale allianties?
De vorm en uitwerking van de lokale allianties en de betrokken partners daarbij, zijn voor elke lokale alliantie verschillend en afhankelijk van de lokale context. De kracht van lokale allianties is dat zij «bottom-up» ontstaan, met betrokken mensen en organisaties die intrinsiek gemotiveerd zijn en zich op lokaal niveau willen inzetten voor de bescherming van ouderen. Er is dan ook geen landelijke sturing op de werkwijze en resultaten van de lokale allianties. Wel zijn er verschillende initiatieven geweest op landelijk niveau, zoals het aanstellen van een «aanjaagteam» in de opstartfase en het delen van contactinformatie van lokale allianties op de website www.aanpak-ouderenmishandeling.nl. Daarnaast heeft Regioplan in 2018 in opdracht van het Ministerie van VWS onderzoek gedaan naar de opzet en het functioneren van de lokale allianties.2
Hoe is de financiering geregeld van lokale allianties?
Lokale allianties zijn een unieke samenwerking tussen publieke en private partijen, met organisaties die elkaar niet vanzelfsprekend tegenkomen, zoals ouderenbonden, banken, notarissen en de lokale verpleeghuizen. De financiering van lokale allianties is afhankelijk van de lokale context, bijvoorbeeld met een subsidie van de gemeente.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat er eisen gesteld worden aan gemeenten over de invulling van de verplichting vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) om huiselijk geweld te voorkomen en te bestrijden en daarbij specifieke vormen, zoals (financiële) ouderenmishandeling, te betrekken?
Nee, die mening deel ik niet. De Wmo2015 bevat geen gedetailleerde eisen over hoe deze verplichting moet worden ingevuld voor specifieke vormen van geweld, waaronder ouderenmishandeling. Het beleggen van deze verantwoordelijkheid bij gemeenten heeft als doel dat zij beleid kunnen inrichten naar lokale omstandigheden en met lokale samenwerkingspartners.
Ouderen zijn kwetsbaar, en vanwege hun hoge mate van afhankelijkheid van hun directe omgeving lopen zij risico op ouderenmishandeling, waaronder financieel misbruik. Gemeenten zetten zich daarom binnen hun wettelijke taak in om deze groep te beschermen. Om die reden is bijvoorbeeld bij elke Veilig Thuis-organisatie een aandachtsfunctionaris ouderenmishandeling actief, door middel van financiering vanuit de gemeenten. Deze aandachtsfunctionarissen wisselen ook onderling kennis en ervaringen uit, en hebben bijvoorbeeld contacten met banken om financieel misbruik aan te pakken.
Hoe staat het met de bewustwordingscampagne die ten tijde van het project «ouderen in veilige handen» liep? Wat heeft dit opgeleverd aan bewustwording? Is er een verschil in het aantal meldingen dat binnenkomt bij Veilig Thuis nu de bewustwordingscampagne is gestopt?
Tot en met 2018 was de kwaliteit van de data van Veilig Thuis nog niet voldoende op niveau om de gegevens onderling te kunnen vergelijken of bij elkaar op te kunnen tellen. Het aantal meldingen van de periode voor het «ouderen in veilige handen» project is daarom niet goed te vergelijken met nu. Wat echter onveranderd is gebleven, is het feit dat er nog steeds weinig meldingen zijn van ouderenmishandeling (ter illustratie: 2.580 meldingen in 2020 en 2.420 in 2019).3 Het blijft daarom onverminderd belangrijk om in te zetten op bewustwording en doorbreken van de taboesfeer waar het gaat om het herkennen en bespreekbaar maken van ouderenmishandeling. Daarom is ook nu weer ouderenmishandeling meegenomen in de publiekscampagne tegen huiselijk geweld die is gestart op 5 juli.
Welke uitdagingen ziet u, in samenspraak met de Minister van Justitie & Veiligheid, voor de komende jaren op het gebied van financieel misbruik van ouderen?
Vanwege de vergrijzing wordt de groep ouderen in Nederland steeds groter, en blijven zij langer zelfstandig wonen. Ouderen worden hiermee sterker afhankelijk van hun omgeving, en er zijn helaas mensen die hier misbruik van maken, zoals familie, buren of derden. Het risico op financieel misbruik van ouderen neemt hiermee toe. Naarmate digitalisering toeneemt, zoals internetbankieren en het online regelen van (financiële) zaken, lopen ouderen ook steeds meer risico om slachtoffer te worden van cybercriminaliteit, en praktijken zoals phishing en hulpvraagfraude.
Het is met betrekking tot al deze risico’s van belang om in te zetten op de weerbaarheid van ouderen waar het gaat om het veilig regelen van hun geldzaken, en hen te behoeden voor risico’s die gepaard gaan met internetbankieren en het online regelen van zaken. Een van de acties die hierop zijn gericht, is het beschikbaar stellen van de informatiebox Financieel Veilig Ouder Worden. Deze box is samengesteld met banken, notarissen, Veilig Thuis, ouderenbonden, mentorschap en vrijwilligersorganisaties. Het heeft als doel om ouderen te helpen bij het veilig regelen van hun financiële zaken en geeft bijvoorbeeld advies over bescherming tegen babbeltrucs. De informatiebox wordt regelmatig in grote hoeveelheden besteld. Daarnaast vraagt het Ministerie van Justitie en Veiligheid met de campagne «senioren en veiligheid» aandacht voor verschillende vormen van criminaliteit waar ouderen regelmatig slachtoffer van worden. In dit kader is bij de afgelopen seniorenmaand ook een (ook digitale) brochure uitgebracht die eenvoudig te raadplegen is via de website maakhetzeniettemakkelijk.nl.
Het bericht dat meer dan 50 landen seksuele misstanden binnen de WHO melden |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht: «Meer dan vijftig landen slaan alarm om berichten seksueel geweld WHO»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat 53 landen in een verklaring hun bezorgdheid hebben geuit over seksueel misbruik door hulpverleners van onder meer de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)?
Ja.
Kunt u genoemde verklaring delen met de Kamer?
Ja, de verklaring is toegevoegd als bijlage2 bij deze brief.
Wat hebben deze 53 landen die de verklaring hebben ondertekend zelf ondernomen om de misstanden aan te pakken?
Dat is niet voor alle 53 landen na te gaan. Voor die landen die zich aansloten bij de DAC-OECD SEAH recommendation3 is er een verplichting om te rapporteren over aanpassingen in eigen organisaties en contracten met partnerorganisaties om preventie en aanpak SEAH te verbeteren.
Is Nederland één van de landen die deze verklaring heeft ondertekend? Zo ja, op basis van welke bevindingen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Nederland is actief betrokken geweest bij het opstellen van de verklaring zoals ook al aangekondigd in de inzetbrief die uw Kamer ontving van Minister van Ark en mijzelf op 20 mei 2021 (Kamerstuknummer 35 570 XVI, nr. 192). Daarin hebben we aangegeven dat Nederland een spoedige afronding van het onafhankelijke onderzoek zou bepleiten en samen met gelijkgestemden het belang zou signaleren dat we hechten aan een solide aanpak van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (zero tolerance for not acting). Dit was mede naar aanleiding van recente nieuwe berichten in de media over vermeend seksueel misbruik door hulpverleners van onder meer de WHO in de Democratische Republiek Congo tussen 2018 en 2020.
Nederland heeft sinds het begin van deze kwestie de WHO om meer informatie gevraagd en aangedrongen op snel en kwalitatief onafhankelijk onderzoek. We hebben in meerdere gremia aangegeven dat we dit zeer serieus volgen en verwachten dat de organisaties er alles aan doen om de waarheid z.s.m. boven tafel te krijgen. Dit blijven we doen zolang nodig.
Is het ondertekenen van de verklaring door de EU besproken in een van de Raden Buitenlandse Zaken Ontwikkelingssamenwerking? En is de Kamer op enig moment geïnformeerd over deze participatie van de EU in genoemde verklaring?
Nee. Tijdens de World Health Assembly worden verschillende statements afgegeven in EU verband over allerhande onderwerpen. De afstemming voor deze statements vindt plaats in Geneve tussen de gezondheidsattaches, in overleg met de experts in de 27 hoofdsteden.
De Kamer is geïnformeerd middels de inzetbrief over de intentie van Nederland om dit actief op te brengen tijdens de World Health Assembly(Kamerstuknummer 35 570 XVI, nr. 192).
Op basis van welke bevindingen heeft de EU besloten deze verklaring te ondertekenen?
Zie ook vraag 5. De verklaring is door 53 lidstaten van de WHO ondertekend naar aanleiding van de recente nieuwe berichten in de media over vermeend seksueel misbruik door hulpverleners van onder meer de WHO in de Democratische Republiek Congo tussen 2018 en 2020.
Was u sinds oktober op de hoogte van het instellen van een onafhankelijke onderzoekscommissie door de WHO, die opzoek moet naar feiten, slachtoffers en dader? En kunt u aangeven wie deze onafhankelijke onderzoekscommissie vormen?
Ja. De WHO heeft middels briefings de lidstaten op de hoogte gehouden van hun aanpak om opvolging te geven aan de berichten in de media. De onafhankelijke commissie staat onder co-voorzitterschap van Aïchatou Mindaoudou, voormalig Minister van Buitenlandse Zaken en Sociale Ontwikkeling in Niger, die ook senior posities binnen de Verenigde Naties heeft bekleed in Ivoorkust en Darfur, en Julienne Lusenge, een internationaal bekende mensenrechtenactivist uit DRC die opkomt voor de slachtoffers van seksueel geweld in conflicten.
Bent u bereid de resultaten van deze onderzoekscommissie te voorzien van een appreciatie en met de Kamer te delen zodra deze beschikbaar zijn?
Ja, voor zover de resultaten openbaar zijn, zal ik ze voorzien van een appreciatie en met de Kamer delen.
Kunt u aangeven welke acties de WHO heeft ondernomen sinds de aantijgingen, aangezien WHO-baas Tedros Adhanom Ghebreyesus beweert de aantijgingen serieus te nemen?
De WHO heeft tijdens de World Health Assembly bij monde van Directeur Generaal Tedros Adhanom Ghebreyesus o.a. de volgende acties aangekondigd:
Kunt u achterhalen of de WHO medewerkers op non-actief heeft gesteld?
De WHO deelt ons mede dat ze, zodra het onafhankelijke onderzoek dit rechtvaardigt, hier consequenties aan zal verbinden voor de betrokken medewerkers. Bij gebrek aan officiële klachten is het vooralsnog lastig om medewerkers op non-actief te stellen.
Kunt u het onderzoek van The New Humanitarian en Thomson Reuters Foundations met de Kamer delen, waarin meer dan vijftig vrouwen in Congo hebben verklaard dat mannelijke hulpverleners, die daar waren voor de bestrijding van het ebolavirus, hun werk aanboden in ruil voor seks?
De bevindingen van deze organisaties zijn publiekelijk toegankelijk op de website van The New Humanitarian.
Wanneer is dit onderzoek van The New Humanitarian en Thomson Reuters Foundation gepresenteerd? En wat heeft Nederland daarmee gedaan?
In september 2020. Nederland heeft hier in coördinatie met andere donoren op gereageerd in het kader van bestaande internationale platforms, zoals de OECD-DAC en de technische werkgroep opgericht na deSafeguarding Summit 2018 maar ook middels de permanente vertegenwoordiging in Geneve. Samen met andere donoren is informatie opgevraagd en gekregen en is aangedrongen op onafhankelijk onderzoek en op zorgvuldige opvolging.
Kunt u bevestigen dat ook medewerkers van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en Unicef zich schuldig zouden hebben gemaakt aan seksuele misstanden?
N.a.v. de berichten van The New Humanitarian werd een onderzoek ingesteld door de VN-brede interne onderzoeksdienst, die een onderzoek leidde namens de betrokken organisaties. Uit o.a. 70 interviews volgde de identificatie van mogelijke daders, onder wie een voormalig Unicef medewerker die momenteel onderzocht wordt. Er is vooralsnog geen indicatie dat er een medewerker van IOM bij betrokken was.
Kunt u hierover bij IOM en Unicef nadere informatie opvragen en met de Kamer delen?
Nederland heeft geregeld bilateraal contact met multilaterale partners, waaronder Unicef en IOM, over de preventie van seksuele misstanden en het bevorderen van een veilige werkcultuur waarin medewerkers zich veilig voelen om mistanden te melden. Tevens wordt dit onderwerp multilateraal met grote regelmaat besproken in de bestuursvergaderingen van deze partners, zo ook recent in de Unicef Uitvoerende Raad van juni 2021.
Kunt u daarbij ook ingaan op welke acties er ondernomen zijn door genoemde organisatie?
Unicef heeft direct ingezet op het gezamenlijk onderzoeken van de aantijgingen en het versterken van haar Protection Against Sexual Exploitation and Abuse (PSEA) beleid en uitvoering. Unicef heeft samengewerkt met het Inter-Agency Standing Committee (IASC), het VN secretariaat, WHO en IOM om op een gecoördineerde en efficiënte manier onderzoek te doen en om er voor te zorgen dat slachtoffers en getuigen centraal staan in de gekozen benadering. Om deze reden is de VN-brede interne onderzoeksdienst (OIOS) gevraagd om onderzoek te doen. Dit onderzoek heeft geleid naar de identificatie van een voormalige Unicef medewerker die momenteel onderzocht wordt. Meer informatie over het onderzoek is op dit moment niet beschikbaar, omdat het nog loopt. Ook IOM wacht de resultaten van het OIOS onderzoek af en kan tot die tijd geen uitspraken doen over de beschuldiging. Er zijn geen verdere indicaties dat er IOM medewerkers betrokken zijn bij deze zaak.
Op het Unicef landenkantoor in de DRC heeft een evaluatie plaatsgevonden van het PSEA beleid en de uitvoering daarvan, om SEA in de toekomst te voorkomen en slachtoffers goed bij te staan wanneer misbruik plaats heeft gevonden. Dit heeft o.a. geresulteerd in het aanstellen van PSEA aanspreekpunten op landenkantoren, trainingen, strategieën om de genderbalans te verbeteren en klachten beter op te pakken. Tijdens de laatste Ebola uitbraak heeft Unicef preventieve stappen gezet door in te zetten op actieve betrokkenheid van vrouwen en meisjes in de uitvoering van beleid, trainingen en bewustwordingscampagnes.
IOM heeft recentelijk het «we are all-in» platform geïntroduceerd met een klachtenmechanisme voor het melden van onder andere SEAH. Deze introductie ging gepaard met een uitgebreide informatiecampagne over wangedrag, waaronder SEAH. Ook heeft IOM in dit kader een trainingspakket opgesteld dat ook is gedeeld met verschillende andere internationale organisaties en wordt gebruikt voor training van hun implementerende partnerorganisaties. Dit beleid is in uitvoering.
Welke stappen heeft de internationale hulpverleningswereld volgens u nu werkelijk gezet sinds 2018? Hebben organisaties als de WHO, IOM en Unicef zich gecommitteerd aan VN-initiatieven om seksueel misbruik door hulpverleners te voorkomen?
Er zijn veel stappen gezet, maar we zijn er nog niet. De SGVN heeft dit tot zijn persoonlijke prioriteit gemaakt en brengt jaarlijks verslag uit over voortgang en uitdagingen. VN-organisaties zijn verplicht jaarlijks te rapporteren aan de SGVN over hun voortgang op de preventie en aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het belang van dit onderwerp wordt inmiddels bij alle organisaties onderkend. Alle VN-organisaties hebben op basis van nieuwe richtlijnen van de Chief Executives Board for Coordination hun beleid aangescherpt om seksueel misbruik door eigen staf en implementerende partners te voorkomen en op te volgen, waaronder de genoemde organisaties. Er is meer kennis en bewustzijn bij personeel over hoe misstanden te herkennen en rapporteren. Mede door de druk van donoren worden de meeste gevallen van misbruik transparant gerapporteerd, o.a. genoemde organisaties hebben zich hieraan gecommitteerd, daardoor is controle op tijdige opvolging makkelijker.
Er is daarnaast door veel organisaties, waaronder de betrokken organisaties, hard gewerkt aan het versterken van meldpunten voor slachtoffers daar waar zij zich bevinden; in de gemeenschappen, in vluchtelingenkampen etc. IOM heeft de voor eigen staf ontwikkelde training nu beschikbaar gesteld aan andere VN-organisaties. IOM en Unicef trainen en ondersteunen ook het netwerk van PSEA-coördinatoren in het veld. Gezamenlijk – in het kader van de PSEA Working Group van Inter-Agency Standing Commitee – wordt effectief gewerkt aan verbeterde richtlijnen, maar ook monitoring en evaluaties ter bestrijding van seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Ik zie inmiddels veel uitwisseling tussen de verschillende OS- en humanitaire organisaties en initiatieven vanuit het gehele VN-systeem en de sector als geheel. Dat was in 2018 niet het geval. Op hoog niveau vindt coördinatie plaats zodat elke organisatie niet steeds het wiel opnieuw hoeft uit te vinden, zowel tussen donoren als tussen VN-entiteiten en andere actoren in de sector.
Hoeveel middelen heeft Nederland in 2020 bijgedragen aan de WHO? En kunt u aangeven waar deze bedragen gealloceerd zijn?
Onderstaande tabel geeft de bijdrage aan WHO weer vanuit VWS, BZ (hfdst 5) en BHOS (hfdst 17) begrotingen.
Hfdst Begroting
Verplichte bijdrage
Algemene vrijwillige bijdrage
Overige bijdrage
Totaal
hoofdstuk 5 (BZ)
0
0
973.948
973.948
hoofdstuk 17 (BHOS)
6.218.016
4.450.000
23.920.855
34.588.871
VWS
0
0
4.098.000
4.098.000
Totaal
6.218.016
4.450.000
28.992.803
39.660.8191
Hiervan was 14.521.006 Covid gerelateerd.
Welke consequenties heeft deze verklaring voor onze relatie met de WHO? Welke eis stelt Nederland aan de WHO-autoriteiten hoe hier mee om te gaan?
NL hanteert het beleid van «zero tolerance for not acting». Dat houdt in dat wij de partnerorganisaties beoordelen op hoe ze hun beleid en procedures op orde hebben, en hoe ze omgaan met misstanden. Het onafhankelijke onderzoek zal helpen beoordelen of de WHO hieraan heeft voldaan en pas dan zullen eventuele consequenties volgen. Te vroeg hiermee starten heeft een verlammend effect op de potentiele meldingsbereidheid van klokkenluiders, met negatieve gevolgen voor de organisatiecultuur.
Kunt u nagaan of Nederlandse middelen bij de projecten waar misstanden zijn geconstateerd zijn uitgegeven?
Op dit moment is niet bekend voor welke projecten de personen tegen wie de beschuldigingen zijn geuit, werkzaam waren. Wel dat het om personen gaat die volgens de slachtoffers werkzaam waren voor UNICEF, IOM en WHO.
Nederland draagt via de verplichte bijdrage/contributies en de Algemene Vrijwillige Bijdragen bij aan de (algemene) middelen van de betrokken organisaties. Dit is ongebonden geld dat vrijelijk kan worden besteed door de betrokken organisaties. Directe toerekening van Nederlands middelen aan de betrokken projecten is derhalve niet aan de orde. Ook ontvingen de genoemde organisaties in afgelopen jaren uit het o.a. door Nederland gesteunde Central Emergency Response Fund (CERF) bijdragen ten behoeve van de humanitaire respons in de DRC, waaronder voor projecten ter bestrijding van Ebola. Gezien de aard van dit fonds, waarin bijdragen van donoren worden gebundeld, is ook hier vaststelling of Nederlandse middelen zijn ingezet niet mogelijk.
Kunt u nagaan of er hulpverleners met de Nederlandse nationaliteit zijn betrokken bij de misstanden bij de WHO, IOM of Unicef?
Daar zijn geen aanwijzingen voor maar het onderzoek loopt nog.
Hoe staat het met de mogelijkheid internationale vervolging van hulpverleners die verdacht worden van seksueel misbruik?
Er is in niet direct een internationaal Hof of Tribunaal dat bevoegd is te oordelen over seksueel misbruik door VN officials. De WHO, UNICEF en IOM kunnen wel disciplinaire maatregelen nemen tegen stafleden wegens misdragingen. De meest vergaande maatregel is ontslag op staande voet. Of een VN-hulpverlener die verdacht wordt van seksueel misbruik door een nationale rechter vervolgd kan worden, hangt af van een aantal factoren, waaronder immuniteiten. Immuniteiten kunnen namelijk van toepassing zijn op medewerkers van VN organisaties en dit kan de mogelijkheid tot vervolging beperken. Het standpunt van Nederland is wel dat seksueel misbruik nooit gezien kan worden als een officiële handeling in de uitoefening van de functie. Nederland zal dan ook geen functionele immuniteit toekennen en indien volledige immuniteit geldt, zal Nederland erop aandringen dat hiervan afstand gedaan wordt.
Bent u nu wel bereid om de Kamer middels een aparte uitgebreide brief over de voortgang van de internationale agenda van de bestrijding van seksueel misbruik door hulpverleners te informeren?
Ja, ik ben steeds bereid geweest om over de voortgang van deze agenda te rapporteren. Zoals ik aangaf in mijn Kamerbrief van 9 maart 2020 op dit onderwerp, rapporteer ik desgewenst jaarlijks, indien de Kamer daarom zou vragen en/of er voldoende nieuwe ontwikkelingen zijn. Zoals toegezegd tijdens het recente Commissiedebat Noodhulp zal ik de Kamer een brief sturen over de huidige stand van zaken. Deze zal ik uw Kamer na het reces doen toekomen.
Kunt u aangeven hoe u de bestrijding van seksuele misstanden door hulpverleners opnieuw gaat agenderen in internationale gremia?
Nederland heeft een actieve rol in verschillende internationale gremia. Vanaf oktober 2020 organiseerde ik samen met USAID een internationaal kennisplatform voor uitwisseling van good practices ter bestrijding van seksueel grensoverschrijdend gedrag en het «recyclen» van daders in de sector. Dat platform droeg ik recent samen met de nieuwe USAID administrator, Samantha Power, over aan de OECD-DAC. Nederland zal binnen OECD-DAC een actieve rol blijven spelen om dit unieke platform, waarvan ook de EU en VN-organisaties deel uitmaken, te laten functioneren als katalysator van goede initiatieven. Ook voert Nederland samen met het VK actief afspraken uit die zijn gemaakt op de Safeguarding Summit 2018.
Vanzelfsprekend zal Nederland eventuele misstanden en SEAH actief blijven opbrengen tijdens de bijeenkomsten van de Uitvoerende Raden van VN-organisaties en andere besluitvormingsgremia, als ook tijdens de beleidsdialoog met onze partners. Nederland is ook nog steeds trekker van initiatieven van donoren om samen kennis en informatie uit te wisselen en in gezamenlijkheid op te treden, steeds vaker ook bij het agenderen van de problematiek.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat Noodhulp d.d. 10 juni 2021 beantwoorden?
Nee, het zorgvuldig en volledig beantwoorden van alle 25 vragen kostte meer tijd.
Het bericht ‘Broekers-Knol is suikertante van indringers’. |
|
Dennis Wiersma (VVD) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel »Broekers-Knol is suikertante van indringers»?1
Ja.
Herkent u zich in de cijfers uit dit artikel? Hoeveel migranten krijgen jaarlijks een terugkeerbesluit, inreisverbod of ongewenstverklaring? Hoeveel van hen hebben deze opgelegd gekregen in verband met het plegen van een misdrijf?
In het artikel wordt gerefereerd aan 950 vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS), de zogenaamde VRIS’ers2, die Nederland zo spoedig mogelijk moeten verlaten. Dit aantal betreft het aantal VRIS’ers dat door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) als aantoonbaar of niet-aantoonbaar vertrokken is geregistreerd. In 2020 zijn circa 1.070 VRIS’ers ingestroomd in de caseload van de DT&V.
In 2020 ontvingen ketenbreed circa 20.000 vreemdelingen een terugkeerbesluit. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (ND) heeft in 2020 circa 2.800 inreisverboden opgelegd en de Koninklijke Marechaussee (KMar) circa 1.700. De inreisverboden uitgereikt door de IND en KMar kunnen dezelfde vreemdelingen betreffen. Het aantal inreisverboden dat door de politie is opgelegd kan nog niet geautomatiseerd uit de gegevenssystemen worden verkregen. Tot slot heeft de IND 360 ongewenstverklaringen opgelegd. Hoe vaak het VRIS’ers betreft kan nog niet uit de geautomatiseerde gegevenssystemen worden geconcludeerd.
Wat is uw reactie op de cijfers uit het artikel dat in 2020 op 34% van de criminele vreemdelingen die Nederland hadden moeten verlaten, geen toezicht op is geweest of zij ook daadwerkelijk zijn vertrokken? Kunt u het percentage van 21% in 2019 in verhouding tot de 34% in 2020 toelichten?
Ondanks de beperkingen vanwege COVID-19 zijn uit de caseload van de DT&V in 2020 circa 630 VRIS’ers gecontroleerd vertrokken en ca. 320 zelfstandig vertrokken zonder toezicht. Het percentage aantoonbaar vertrek in 2020 was 66% en het zelfstandig vertrek zonder toezicht 34%. Ter vergelijking, over heel 2019 zijn er circa 970 VRIS’ers gecontroleerd vertrokken en circa 260 zelfstandig zonder toezicht. Het percentage aantoonbaar vertrek van VRIS’ers in 2019 was daarmee 79% en het percentage zelfstandig vertrek zonder toezicht 21%.
De DT&V verricht samen met de andere ketenpartners maximale inspanningen om het vertrek van VRIS’ers zonder verblijfsrecht te effectueren. De inzet is deze doelgroep aantoonbaar te laten vertrekken, waar mogelijk aansluitend aan de strafrechtelijke detentie en anders vanuit vreemdelingenbewaring. De vele reisbeletselen en de overige beperkingen die voortvloeien uit COVID-19 hebben echter geleid tot minder aantoonbaar vertrek van vreemdelingen en VRIS´ers in 2020.
In hoeverre is sprake van begeleid toezicht bij criminele migranten die uit Nederland moeten vertrekken? Wordt dit automatisch gekoppeld aan het zwaar inreisverbod of ongewenstverklaring of wordt altijd in het individueel geval bekeken welke toezichtsmaatregel het meest effectief is? Welk beleidskader is hierop van toepassing?
In de ketenprocesbeschrijving Vreemdelingen in de Strafrechtketen (VRIS) staan de werkafspraken tussen de betrokken partijen van de strafrechtketen en vreemdelingenketen beschreven. Conform de ketenprocesbeschrijving VRIS wordt, indien een vreemdeling een strafbaar feit heeft gepleegd, beoordeeld of dit consequenties heeft voor zijn verblijfsrecht in Nederland. Gepleegde delicten kunnen betekenen dat een verblijfsvergunning wordt geweigerd of ingetrokken. Als de vreemdeling niet of niet langer rechtmatig verblijft in Nederland, kan op basis van de Vreemdelingenwet 2000 een terugkeerbesluit en inreisverbod worden opgelegd aan de vreemdeling. Betreft het een EU-onderdaan, Dublinclaimant of derdelander die niet in Nederland verblijft dan kan een ongewenstverklaring worden opgelegd. Het uitgangspunt van de ketenprocesbeschrijving VRIS is dat criminele, onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, na het uitzitten van hun straf Nederland aantoonbaar verlaten, bij voorkeur vertrekkend vanuit de strafrechtelijke detentie of, indien juridisch haalbaar, vanuit vreemdelingenbewaring. Voor vreemdelingenbewaring is zicht op uitzetting een vereiste.
Bij gedwongen vertrek, na de eventuele oplegging van vreemdelingenbewaring in aansluiting op de strafrechtelijke detentie, wordt erop toegezien dat de vreemdeling effectief het Nederlandse grondgebied verlaat. Daarbij wordt de vreemdeling in kwestie indien nodig begeleid door medewerkers van de KMar en overgedragen aan de autoriteiten van het land van herkomst. Toepassing van gedwongen vertrek (al dan niet via vreemdelingenbewaring) is niet altijd haalbaar, bijvoorbeeld als er geen zicht is op uitzetting of als de vreemdeling juridisch gezien niet verwijderbaar is. Indien vreemdelingenbewaring juridisch niet haalbaar is, kunnen eventueel lichtere toezichtsmaatregelen worden opgelegd om de vreemdeling beschikbaar te houden voor vertrek en daarop aan te sturen, zoals een meldplicht en een gebiedsgebod.
Bent u het eens dat zo snel mogelijk vertrek uit Nederland centraal moet staan bij vertrek van illegaal verblijvende vreemdelingen, zeker als het gaat om veroordeelde criminelen? In hoeverre is een lichtere toezichtmaatregel dan effectief? Deelt u voorts de mening dat vreemdelingendetentie en/of de inzet van artikel 197 Sr effectiever kan zijn dan lichtere toezichtsmaatregelen om hen tot vertrek te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik volledig. Het is staand beleid dat aan een strafrechtelijke veroordeling van een vreemdeling vreemdelingrechtelijke gevolgen worden gegeven daar waar mogelijk. Om dit te borgen, werken de ketenpartners van de strafrechtketen en vreemdelingenketen samen conform eerdergenoemde Ketenprocesbeschrijving VRIS.
Bij vreemdelingen op wie een vertrekplicht rust die in het toezicht worden aangetroffen, of wiens strafrechtelijke detentie afloopt voordat vertrek gerealiseerd kan worden, wordt bezien of vreemdelingenbewaring kan worden opgelegd. Dit blijft wel een individuele afweging. Vreemdelingenbewaring is het ultimum remedium om te voorkomen dat de vreemdeling zich aan het toezicht onttrekt dan wel de voorbereiding van het vertrek belemmert. Bij het opleggen van vreemdelingenbewaring zal altijd worden afgewogen of ook zou kunnen worden volstaan met een lichtere toezichtsmaatregel. Bovendien kan, volgens vaste Afdelingsjurisprudentie, het feit dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit meestal niet als dragende grond worden meegewogen bij de vraag of er redenen zijn om een vreemdeling in bewaring te stellen ter fine van uitzetting; steeds zal moeten gemotiveerd dat er een risico is inzake het onttrekken aan toezicht waarbij de strafbare feiten in beginsel geen rol spelen. Als er een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan toezicht zal onttrekken, is vreemdelingenbewaring effectiever in vergelijking met de oplegging van een lichter middel omdat het gevaar dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het overheidstoezicht hiermee wordt weggenomen. Het is echter niet zo dat vreemdelingenbewaring en/of strafrechtelijke detentie in alle gevallen sneller leidt tot terugkeer. De ACVZ heeft onlangs in haar adviesrapport «Samen werken aan terugkeer» aangegeven dat vreemdelingenbewaring zich niet één-op-één verhoudt tot hogere vertrekcijfers. Vertrek is vaak afhankelijk van de medewerking van de vreemdeling en/of het land van herkomst.3 Om dezelfde reden kan niet zonder meer gezegd worden dat een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden voor de schending van een ongewenstverklaring volgens artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht per definitie leidt tot hogere vertrekcijfers. Dit laat onverlet dat ik van mening ben dat het instrumentarium dat de toezichthouder in het vertrekproces kan toepassen breed moet zijn en zowel positieve prikkels in de zin van terugkeerondersteuning, als sancties, zoals een boete of zelfs een gevangenisstraf, moet omvatten. Daarmee kan per geval de in de ogen van de professional de meest effectieve maatregel worden genomen om het vertrek van de vreemdeling te realiseren. De ongewenstverklaring en daaropvolgend de strafvervolging is een instrument om op lokaal niveau de meest problematische casuïstiek van criminele, overlastgevende en onrechtmatig verblijvende vreemdelingen aan te pakken. Dit licht ik onder vraag 6 nader toe.
Hoe staat het met de verkenning naar de mogelijkheden van een wetswijziging om artikel 197 Sr te koppelen aan de ongewenstverklaring? Wanneer kan de Kamer onderzoek naar deze mogelijkheid verwachten en bent u voornemens met een wetswijziging te komen om deze koppeling te realiseren?
Op 16 december 2020 heb ik een plan van aanpak van illegaliteit met uw Kamer gedeeld4. Hierin heb ik het huidige beleid voor de aanpak van illegaliteit toegelicht, en tevens aanvullende maatregelen aangekondigd om illegaliteit verder te ontmoedigen. Een maatregel was dat ik zou laten onderzoeken onder welke modaliteiten het zinvol zou zijn om de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) zo te wijzigen dat de ongewenstverklaring weer gemakkelijker toepasbaar wordt. Deze wijziging zou behelzen dat de koppeling tussen de ongewenstverklaring en het inreisverbod, die in 2011 aan de Vw 2000 is toegevoegd bij de implementatie van de Terugkeerrichtlijn, ongedaan wordt gemaakt.
In het afgelopen tijdvak is gewerkt aan een grove schets van de noodzakelijke aanpassingen om de ontkoppeling tussen inreisverbod en ongewenstverklaring in de Vw 2000 mogelijk te maken. Het ontvlechten van de in de loop van 10 jaar ontstane praktijk heeft aanzienlijke consequenties voor de werkwijze van de uitvoering. Aangezien het onderliggende doel is het vergroten van de slagvaardigheid van de uitvoering, is van belang bij een wijziging een goede balans te vinden tussen mogelijke baten en lasten.
Tegen deze achtergrond wil ik uw Kamer informeren over de stand van zaken van dit traject en de modaliteiten die thans worden bezien. Daarbij is de vraag op welke wijze kan worden bereikt dat de effecten van een ongewenstverklaring in het binnenlands rechtsverkeer weer worden versterkt. Dit betreft in de kern nationale bevoegdheden. Het inreisverbod blijft het centrale instrument om vreemdelingen gedurende een periode na vertrek wederinreis te beletten, op basis van het unierecht. Het gaat daarbij in de kern om een herstel van de situatie zoals door de wetgever oorspronkelijk was beoogd in 2011. Ik hecht er aan wel op te merken dat een maatregel als de ongewenstverklaring alleen kan worden gezien in combinatie met het bredere pallet aan maatregelen om vertrek te bewerkstelligen. In veel gevallen zal het aanbieden van ondersteuning effectiever, goedkoper en minder belastend zijn dan dwang. Ik acht het echter van belang dat ook repressieve maatregelen in het instrumentarium kunnen worden benut. De veroordeling op zich is nooit een doel. Het doel is de vreemdeling te laten inzien dat niet in zijn onrechtmatige verblijf wordt berust.
De eerste beoordeelde modaliteit is het aanpassen van de wijze waarop het inreisverbod doorverwijst naar de strafbepaling in artikel 197 Wetboek van Strafrecht (Sr). Dat zou echter ook grote aantallen vreemdelingen betreffen die niet eerder met het strafrecht in aanraking zijn gekomen. De doelgroep zou daarmee afwijken van hetgeen oorspronkelijk met de ongewenstverklaring is bedoeld. Dat artikel legt een nadrukkelijke link met de openbare orde of nationale veiligheid. Een dergelijke wijziging zou verder gaan dan het herstellen van de oorspronkelijk door de wetgever beoogde situatie. Om deze redenen heeft deze modaliteit niet de voorkeur bij de verdere verkenning.
De tweede modaliteit komt het dichts bij het «ongedaan maken» van de koppeling tussen de ongewenstverklaring en het inreisverbod die in de wet is neergelegd. De inzet van deze wijziging is het herstellen van de ongewenstverklaring zodat die naast en onafhankelijk van het inreisverbod kan bestaan. Het inreisverbod blijft leidend voor wat betreft het weren van een vreemdeling uit de EU ná het vertrek. De ongewenstverklaring maakt dat vóór het vertrek voortgezet verblijf voor de vreemdeling minder aantrekkelijk wordt, door een aantal procedurele voordelen uit te schakelen, en door de strafbaarstelling van het verdere verblijf in artikel 197 Wetboek van Strafrecht (Sr). De ongewenstverklaring als competentie van de nationale wetgever en de in het EU recht geregelde inreisverbod worden zo duidelijk van elkaar gescheiden. De verwachting is dat het Europese Hof een dergelijke scheiding van bepalingen kan accepteren, al is het uiteindelijke oordeel daarover aan de rechter.
De laatste modaliteit is het buiten toepassing laten van de Terugkeerrichtlijn voor het deel van de criminele en onrechtmatig verblijvende vreemdelingen dat veroordeeld is voor een strafbaar feit. Deze modaliteit kent echter meerdere juridische en praktische onzekerheden. Het zou betekenen dat verschillende terugkeerprocessen naast elkaar zouden moeten bestaan; voor de gevallen die onder de Terugkeerrichtlijn vallen en voor de gevallen die daarbuiten vallen. De vraag is of en hoe dit in een efficiënt uitvoeringsproces kan worden ingericht.
Op basis van een grove schets voor een wetswijziging zullen de uitvoeringsorganisaties, te weten de IND, Politie, KMar en het OM, worden verzocht de uitvoeringsconsequenties verder in kaart te brengen. In dit proces worden in eerste instantie alle drie de modaliteiten meegenomen en onderzocht. Ik kan niet vooruitlopen op dit proces. Daarbij hecht ik eraan op te merken dat, gezien haar demissionaire status, het niet in de rede ligt dat dit wetsvoorstel door het huidige kabinet ingediend wordt. Dat neemt niet weg dat voorbereidende stappen gezet worden.
Komen op dit moment nog vreemdelingen met een inreisverbod, zwaar inreisverbod en/of ongewenstverklaring voor in de landelijke vreemdelingenvoorziening? Zo ja, om welke aantallen gaat dit? In welke gemeenten maken zij gebruik van deze opvang en welke convenantsafspraken worden daarmee geschonden?
Het doel van de Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV) is het vinden van een bestendige oplossing voor het illegale verblijf van vreemdelingen. De doelgroep is dan ook vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang. Vreemdelingen in deze groep hebben vrijwel allemaal een inreisverbod met een duur tot en met 2 jaar. Dit wordt immers in de regel opgelegd aan onrechtmatig verblijvende vreemdelingen die onmiddellijk uit Nederland moeten vertrekken of waarvan de eerder opgelegde vertrektermijn is verstreken. Op 1 mei 2021 verbleven er 862 vreemdelingen in de pilot-LVV’s.
In de convenanten is afgesproken dat onder andere vreemdelingen met een zwaar inreisverbod van 10 jaar en hoger en ongewenstverklaarden geen onderdak zullen krijgen in de LVV’s, maar ook dat in uitzonderlijke gevallen kan worden besloten om in een individueel geval iemand die niet voldoet aan de doelgroep toch toe te laten en begeleiding te bieden. Hiernaast zijn er, naast de landelijke doelstellingen, met de afzonderlijke pilotgemeenten verschillende subdoelstellingen afgesproken in de convenanten. Met Groningen is onder andere afgesproken dat in de pilot in Groningen wordt gewerkt aan het bieden van opvang en begeleiding aan personen met een (zwaar) strafblad en/of een (zwaar) inreisverbod. Dit gebeurt na beoordeling en deze begeleiding is uitdrukkelijk gericht op het realiseren van terugkeer. Groningen doet dit vanuit het perspectief van bescherming van de openbare orde en veiligheid. In Groningen verbleven er eind mei 2021 zes personen met een zwaar inreisverbod in de LVV. In de overige pilotgemeenten verbleven er eind mei 2021 geen personen met een zwaar inreisverbod en/of ongewenstverklaring in de LVV’s.
Hoe staat het met de ontwikkeling van een integraal plan van aanpak ten aanzien van de politiële migratietaken waarmee u voornemens bent de bestrijding van illegaliteit en met name het aanpakken van onrechtmatig verblijf van criminele vreemdelingen prioriteit wil geven? Is dit reeds in werking en kunt u de Kamer het komend half jaar informeren over de resultaten van deze aanpak?
Voortvloeiend uit de Politiewet 2012, legt de politie samen met gemeentes de lokale prioriteiten voor de bescherming van de openbare orde vast. Zo worden er ook afspraken over vreemdelingentoezicht vastgelegd door de lokale gezagsdriehoek, bestaande uit de burgemeester, het OM en de politie.
De aanpak van criminele en overlastgevende vreemdelingen behoeft prioritering en (keten)samenwerking zoals ook in de resultaatafspraken over de politiële migratietaken 2019–2022 is vastgelegd. Tijdens het gezagsdragersoverleg met de politie zal ik dit opnieuw benadrukken en ook bij burgemeesters en het OM zal ik doorlopend aandacht blijven vragen voor deze prioritering. Ik zal uw Kamer op de hoogte houden van de voortgang en resultaten van deze aanpak.
Het bericht dat documentatie van woningen zeer gemakkelijk op te vragen is |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de reportage van Vrije Vogels op Youtube van 29 april 2021 «Inbreken bij BN’ers heel makkelijk»?1
Ja.
Bent u er bekend mee dat het erg gemakkelijk is om documentatie van woningen op te vragen, ook in het geval dat het niet iemands eigen woning is?
Ja. De openbaarheid volgt uit de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en de Archiefwet (zie ook de antwoorden op de vragen 4 tot en met 6). Bouwtekeningen worden vooral geraadpleegd wanneer mensen een woning of ander gebouw willen verkopen, kopen of verbouwen. Het gaat niet alleen om woningeigenaren, maar ook om huurders, kandidaat-kopers, makelaars, projectontwikkelaars, aannemers en architecten. Bouwtekeningen worden daarnaast geraadpleegd door heemkundigen en anderen die historisch onderzoek doen in archieven. Verder raadplegen gemeentelijke hulpdiensten zoals politie en brandweer soms bouwtekeningen van gebouwen.
Vindt u ook dat het onwenselijk is om, in het bijzonder van publieke figuren die te maken hebben met bedreiging, gegevens van de privéwoning op te kunnen vragen?
In zijn algemeenheid is het wenselijk dat mensen toegang hebben tot bouwtekeningen, zie hiervoor de antwoorden op vraag 2 en 4. Bouwdossiers zijn bij gemeenten geordend en opvraagbaar op adressen en niet op namen van personen die de betreffende bouwvergunningen oorspronkelijk hebben aangevraagd. Iemand die bouwtekeningen wil opvragen van de woning van een publieke figuur en/of een persoon voor wie de overheid beveiligingsmaatregelen heeft getroffen, moet dus eerst op een andere wijze achterhalen wat het huisadres is van deze persoon.
Welke controles zijn er ingebouwd ten aanzien van het opvragen van documentatie van woningen? Is dat verschillend geregeld per gemeente?
Bouwtekeningen die in het kader van een vergunningaanvraag aan gemeenten zijn verstrekt, zijn in principe openbaar voor eenieder, ongeacht het belang dat een verzoeker heeft bij inzage. Voor bouwtekeningen inzake een reguliere omgevingsvergunning volgt dit uit de Wob. Voor vergunningaanvragen waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is, geldt dat zij in het kader van de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag gedurende zes weken ter inzage worden gelegd en als de vergunning is verleend nogmaals zes weken ter inzage worden gelegd om belanghebbenden de gelegenheid te geven beroep tegen de vergunning in te stellen. Na het verstrijken van die termijnen zijn de bouwtekeningen op te vragen bij de gemeente op grond van de Wob.
Voor oudere bouwdossiers die zijn overgebracht naar de gemeentelijke archiefdiensten – dit zijn meestal bouwtekeningen van meer dan twintig jaar oud – volgt openbaarheid uit de Archiefwet. Bij de meeste gemeenten kunnen mensen een aanvraag indienen en bouwtekeningen ter plaatse inzien, en al dan niet tegen betaling een (analoge of digitale) kopie krijgen. Sommige gemeenten publiceren oude bouwtekeningen online.
Op bouwtekeningen zelf staan alleen namen van de architect of tekenaar en deze worden niet geanonimiseerd mede vanwege het auteursrecht. In andere documenten die deel uitmaken van bouwdossiers, zoals de vergunningsaanvraag, komen wel persoonsgegevens voor die worden afgeschermd bij het verstrekken van een kopie, mede in verband met de Algemene verordening gegevensbescherming.
In hoeverre wordt er een belangenafweging gedaan in een gemeente bij het verstrekken van huisdocumentatie?
Uit de Wob en de Archiefwet volgt dat bouwtekeningen in principe openbaar zijn voor eenieder, ongeacht het belang dat een verzoeker heeft bij raadpleging. Een belangenafweging is alleen aan de orde indien er redenen zijn om de openbaarheid van bouwtekeningen te beperken. Zie het antwoord op vraag 6.
Op basis van welke wet- en regelgeving worden deze gegevens beschermd? Is hier sprake van een maas in de AVG of andere privacywetgeving?
Zowel onder de Wob als de Archiefwet is het mogelijk de openbaarheid te beperken. Artikel 10 van de Wob en artikel 15 van de Archiefwet zijn daarbij van toepassing, waarbij onder meer gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken (zoals namen, adressen, geboortedata, handtekening en BSN) kunnen worden geanonimiseerd. Ook gedurende een eventuele terinzagelegging op grond van de Awb kan de openbaarheid worden beperkt (artikel 3:11, tweede lid, Awb). Voor bouwtekeningen is inmiddels onderkend dat er gebouwen zijn met een verhoogd veiligheidsrisico, zoals politiebureaus, gevangenissen, militaire objecten, voetbalstadions, risicovolle (fabricage)bedrijven, of de woning van de burgemeester. Daarom hanteren gemeenten steeds vaker een zogenaamde uitsluitingenlijst of lijst van risico-objecten. Bouwtekeningen van gebouwen op zo’n lijst worden alleen verstrekt als de eigenaar of gebruiker van het pand de verzoeker hiervoor toestemming heeft gegeven, en anders niet. Dit wordt voor (oudere) bouwtekeningen die zijn overgebracht naar archiefdiensten ook aanbevolen in de handreiking van de VNG: «Beperkt waar het moet» (https://vng.nl/sites/default/files/2019-11/beperkt-waar-het-moet_20190726.pdf)
In de praktijk blijkt het moeilijk te zijn om de uitsluitingenlijst actueel te houden en verschilt het beleid per gemeente. Sommige gemeenten bieden de mogelijkheid aan belanghebbenden (eigenaren, gebruikers) om hun pand zelf aan te melden voor een uitsluitingslijst of lijst van risico-objecten; bouwtekeningen hiervan worden dan niet aan derden verstrekt als daar een goede reden voor is. De gemeente maakt een belangenafweging.
Zijn de gegevens van personen die bewaakt worden ook dermate gemakkelijk op te vragen? Acht u dat wenselijk?
Of bouwtekeningen van woningen – van personen die beveiligd worden door de overheid in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen – op te vragen zijn, is afhankelijk van het feit of de desbetreffende panden op een gemeentelijke uitsluitingslijst staan. Zoals aangegeven onder vraag 6 bieden sommige gemeenten de mogelijkheid aan belanghebbenden om panden aan te melden voor een dergelijke uitsluitingslijst. In geval van dreiging en risico kan de overheid aanvullende bewakings- & beveiligingsmaatregelen treffen ten behoeve van de veiligheid van personen. Deze zichtbare en onzichtbare maatregelen worden getroffen op basis van een dreigingsinschatting. De maatregelen zijn erop gericht om weerstand te bieden tegen de dreiging in kwestie. Mede gelet daarop is het vanuit veiligheidsperspectief niet noodzakelijk om standaard te voorkomen dat bouwtekeningen van woningen opgevraagd kunnen worden. Om te komen tot een eenduidige werkwijze van het doel en het gebruik van de uitsluitingslijst ga ik, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, met betrokken partijen en de VNG in gesprek. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Bent u bekend met casussen waarbij bouwtekeningen van woningen zijn opgevraagd en gebruikt bij inbraken of andere vormen van het illegaal inbreken in een woning?
Nee, ik ben niet bekend met dit fenomeen. Echter, ik kan ook niet uitsluiten dat er gevallen zijn waar bouwtekeningen zijn of zullen worden gebruikt.
Indien er nog geen procedures zijn ingericht om effectief te controleren op iemands identiteit en iemands belang bij de opgevraagde documenten, bent u voornemens om daar procedures voor in te richten? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het verstrekken van bouwtekeningen is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Zoals hierboven aangegeven, volgt uit de Wob en de Archiefwet dat bouwtekeningen in beginsel kunnen worden geraadpleegd door eenieder, zonder daarin een belang te hoeven stellen. Wel achten wij het wenselijk dat gemeenten aan eigenaren en gebruikers van panden de mogelijkheid biedt deze op een uitsluitingslijst voor risico-objecten te zetten, zoals de VNG aanbeveelt, zodat gemeenten de betrokken belangen op een juiste wijze kunnen afwegen. Ik ben graag bereid om, samen met de bij dit vraagstuk betrokken partijen, met de VNG in gesprek te gaan, mede om de mogelijkheden tot harmonisatie van het doel en het gebruik van de uitsluitingslijst te bezien.