De praktijken binnen de zwaar gesubsidieerde hulpclub SNV |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
![]() |
Klopt het dat Robert de Jongh nog altijd SNV-directeur in Latijns-Amerika is1? Deelt u de mening dat gezien de onthullingen over een cultuur van vriendjespolitiek bij SNV in Latijns-Amerika Robert de Jongh beter niet meer als SNV-directeur actief kan zijn2? Zo nee, waarom niet?
Ja. Met dien verstande dat hij SNV binnenkort zal verlaten.
Ik acht het de verantwoordelijkheid van de toenmalige directie van SNV om af te wegen of de aan het licht gebrachte feiten over onrechtmatigheden bij SNV in Latijns-Amerika zodanig verwijtbaar waren aan de directeur, dat hij zijn werkzaamheden niet langer had kunnen voortzetten.
Klopt het dat oud SNV-directeur Dirk Elsen in september 2009 – na een voor SNV Latijns-Amerika en daarmee ook voor Robert de Jongh zeer negatieve interne audit uit mei 2009 – met SNV-directielid Annemiek Jenniskens heeft overlegd om Robert de Jongh te promoveren tot directeur van SNV in Azië? Hoe oordeelt u over de wereldvreemdheid van de (toenmalige) directie van SNV?
Ik kan op deze vraag geen antwoord geven. Het is ook niet mijn streven om op de hoogte te zijn van alle gesprekken die medewerkers van SNV met elkaar voeren.
Klopt het dat naast Joke Brandt, directeur-generaal Internationale Samenwerking bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en tevens oud SNV-medewerkster, ook Jan Remijn, senior beleidsmedewerker op het directoraat-generaal, als ambtenaar betrokken is (geweest) bij de perikelen rondom SNV? Klop het dat ook Jan Remijn een verleden heeft bij SNV? Deelt u de mening dat ambtenaren met een SNV-verleden beter niet op het SNV-dossier ingezet kunnen worden? Deelt u de mening dat elke schijn van verwevenheid tussen het ministerie en SNV vermeden zou moeten worden? Zo nee, waarom niet?
De betrokken ambtenaar was tot begin 2003 werkzaam op het hoofdkantoor van SNV.
Sinds 2007 heeft betrokkene zich onder meer bezig gehouden met zaken betreffende SNV. Zijn kennis van de organisatie kwam daarbij goed van pas. Het ministerie kent adequate regelgeving om belangenverstrengeling en partijdigheid te voorkomen. Die regels worden strikt toegepast.
Overigens was SNV tot 2003 een onderdeel van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit impliceert logischerwijze dat veel medewerkers van het Departement in hun carrière ook voor SNV werkzaam zijn geweest.
Klopt het dat SNV adviesbureau «Huijskens Communications» in de arm heeft genomen? Zo ja, wat zijn de kosten hiervan voor de Nederlandse belastingbetaler? Deelt u de mening dat het inschakelen van een extern adviesbureau door SNV geen pas geeft? Zo nee, waarom niet?
Ja. Tussen Huijskens Communications en SNV is een contract gesloten waarin is bepaald dat SNV dit jaar voor een bedrag van maximaal 75 000 euro gebruik kan maken van communicatie-advies van dit bureau.
Mijn voorkeur heeft het inhuren van externe bureaus over het algemeen niet, maar het is goed in dit geval rekening te houden met een Raad van Toezicht die zonder voorzitter was, zonder directievoorzitter en die zich tegelijkertijd met veel media-aandacht geconfronteerd zag.
De Nationale Commissie voor internationale samenwerking en Duurzame Ontwikkeling |
|
Ewout Irrgang |
|
Wat is uw reactie op het artikel» NCDO verdient corrigerende tik op de vingers»?1
Het geschetste beeld van een organisatie die enkel uit is op eigen profilering en op het beconcurreren van andere initiatieven en organisaties herken ik niet. In het nieuwe beleid voor Burgerschap & Internationale Samenwerking opereert de NCDO als kennis- en adviescentrum. De NCDO bevordert op een praktische en laagdrempelige wijze de toegankelijkheid en beschikbaarheid van kennis over en ervaringen op het terrein van Burgerschap & IS. De organisatie heeft daarin uitdrukkelijk een positie tússen overheid en samenleving. Zij hanteert naar mijn stellige indruk een open en op samenwerking gerichte houding naar overheid, politiek, de OS-sector en andere onderdelen in de samenleving. Dat brengt ook met zich mee dat zij naar buiten treedt.
Is het waar dat u eind juni uitsluitsel zult geven over de toekomst van de NCDO? Zo neen, wanneer dan wel?
Rol en taken van de NCDO nieuwe stijl zijn reeds vorig jaar2 vastgesteld als onderdeel van het vernieuwde beleid voor Burgerschap & Internationale Samenwerking . Het beleidsplan van de nieuwe NCDO voor de periode 2011–2014 is in december jl. goedgekeurd op voorwaarde van aanscherping op een aantal punten. Hieraan heeft de organisatie inmiddels voldaan. In 2011 staat de nieuwe NCDO voor € 9,6 mln op de begroting.
Welke taak ziet u voor het NCDO weggelegd?
Veel zaken die een direct Nederlands belang raken, hebben een internationale dimensie. De overheid investeert in de bevordering van het bewustzijn daarvan. Burgers moeten zelf weloverwogen keuzes kunnen maken. Dat kan niet zonder een publiek bewustzijn over vraagstukken van armoede en ontwikkeling en het belang van Nederland om op deze terreinen actief te zijn. Het kan evenmin zonder een geïnformeerd publiek debat over deze vraagstukken en over beleidskeuzes die ermee samenhangen. Tegen deze achtergrond omvat het werkterrein van de NCDO «nieuwe stijl» vier domeinen:
Bent u van mening dat in tijden van bezuinigingen op het budget voor ontwikkelingssamenwerking het budget voor draagvlakbeleid eveneens herzien moet worden? Zo ja, gaat u dit doen?
Er is op het budget voor dit beleidsterrein een forse korting doorgevoerd. In 2010 was voor de NCDO «oude stijl» een bedrag van € 27 mln beschikbaar. Daarbovenop besteedden andere particuliere organisaties nog eens een ongeveer even groot bedrag uit de MFS I-subsidie aan zogenoemde draagvlakactiviteiten. Dat laatste is onder MFS II niet meer mogelijk. Voor 2011 staat voor het nieuwe beleid voor Burgerschap & Internationale Samenwerking een totaalbedrag van € 22,6 mln op de begroting (€ 13 mln voor Subsidiefaciliteit Burgerschap & OS (SBOS) en € 9,6 mln voor de nieuwe NCDO). In de Begroting voor 2012 zal ik uitsluitsel geven over het beschikbare budget in 2012 en de jaren daarna.
Bent u van mening dat op een totaalbedrag van 30 miljoen euro voor draagvlakbeleid inderdaad een kenniscentrum nodig is dat van dat bedrag tussen de 9–11 miljoen euro per jaar opsoupeert? Zo ja, waarom?
De kwalificatie «opsouperen» laat ik voor rekening van de vragensteller. De vernieuwde NCDO heeft in het nieuwe beleid anders dan voorheen niet langer de rol van subsidieverstrekker. De verdeling van het beschikbare budget tussen de nieuwe Subsidiefaciliteit Burgerschap & OS (SBOS) en de NCDO als centrum voor kennis en advies (zie vraag 4) is gebaseerd op een door beide ingediend, goed onderbouwd beleids- en activiteitenplan.
Hoe wilt u voorkomen dat de NCDO anderen gaat beconcurreren?
De nieuwe NCDO heeft een eigen verantwoordelijkheid, maar uit haar beleidsplan voor 2010–2014 blijkt expliciet dat niet concurrentie, maar samenwerking de rode draad is. Dat sluit aan op de beleidsbrief «Investeren in mondiaal burgerschap» en het subsidiekader «Kennis voor Burgerschap en OS». Daarin worden complementariteit en samenwerking benadrukt.
Acht u het wenselijk dat IS zonder overheidssubsidie wordt gemaakt? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wanneer wilt u dit gaan invoeren?
Het publieksmagazine IS is één van de instrumenten waarmee de NCDO mondiaal burgerschap bevordert. Het magazine slaagt er in een grote en brede doelgroep te bereiken. Dat een deel van de subsidie daarvoor wordt gebruikt acht ik logisch. Wel is het van belang oneigenlijke concurrentie met andere niet-gesubsidieerde bladen over internationale samenwerking te voorkomen. In regulier beleidsoverleg met de NCDO en in de Redactieraad van IS (waarin het ministerie vertegenwoordigd is) zie ik daarop toe. Ook de mogelijkheid van diversificatie van inkomstenbronnen, waardoor de subsidieafhankelijkheid verkleind kan worden, staat daarbij expliciet op de agenda.
De verwevenheid van hulpclubs en het ministerie van Buitenlandse Zaken |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
![]() |
Bent u ermee bekend dat Joke Brandt, directeur-generaal Internationale Samenwerking bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, is aangesloten bij Worldconnectors1, een linkse pro-immigratie en pro-hulp club met leden als Tariq Ramadan, Doekle Terpstra, Ad Melkert, Jan Pronk, Dirk Elsen en Pieter Broertjes?2
Ja. Overigens neem ik afstand van uw kwalificaties van Worldconnectors.
Bent u ermee bekend dat Joke Brandt in de periodes 1985–1989 en 1998–2000 werkzaam was voor hulpclub SNV?
Ja, uiteraard. In deze periode was SNV onderdeel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Hoe waardeert u het feit dat Joke Brandt is aangesloten bij Worldconnectors en zich zo nadrukkelijk afficheert met de linkse zaak? Wat zegt dat over de geloofwaardigheid van het ministerie van Buitenlandse Zaken?
Als onderdeel van haar werkzaamheden is mevrouw Brandt actief betrokken bij externe netwerken, zoals de Worldconnectors. Actieve betrokkenheid van ambtenaren bij maatschappelijke ontwikkelingen en hun deelname in netwerken versterken de geloofwaardigheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en verhogen de kwaliteit van het beleid. Overigens neem ik afstand van de gebruikte terminologie.
Is of was Joke Brandt als directeur-generaal Internationale Samenwerking betrokken bij de perikelen rondom SNV? Zo ja, deelt u de mening dat zij gezien haar SNV-achtergrond daar beter niet bij betrokken kan of had kunnen zijn?
Het behoort tot de taken van Joke Brandt, die sinds 2008 werkzaam is als Directeur-Generaal Internationale Samenwerking, om het beleid op het terrein van ontwikkelingssamenwerking, met inbegrip van de relaties met niet-gouvernementele organisaties zoals de SNV, ambtelijk voor te bereiden en uit te voeren. Dat zij in het verleden bij SNV werkzaam was, vormt voor de uitvoering van deze taken op geen enkele wijze een belemmering.
Hoe waardeert u het feit dat Dirk Elsen, de man die een puinhoop maakte van SNV, nog altijd is aangesloten bij Worldconnnectors? Komt dit de geloofwaardigheid van Worldconnectors naar uw mening ten goede?
Het is niet aan mij om uitspraken te doen over deelname van personen aan externe netwerken of over de geloofwaardigheid van deze netwerken. De in de vraag gebruikte kwalificaties laat ik voor rekening van de vragensteller.
Acht u het wenselijk dat mensen die actief zijn geweest voor linkse hulpclubs sleutelposities innemen op het ministerie van Buitenlandse Zaken?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het beter zou zijn als Joke Brandt ofwel opstapt bij Worldconnectors, ofwel opstapt als ambtenaar bij het ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
In welke mate is het ministerie van Buitenlandse Zaken verweven met linkse hulpclubs?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het ministerie er alles aan zou moeten doen om elke mogelijke schijn van verwevenheid, partijdigheid en/of belangenverstrengeling te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Uiteraard dienen partijdigheid en belangenverstrengeling te worden voorkomen. Hiervoor bestaat adequate regelgeving die op het ministerie nauwgezet wordt toegepast. Van partijdigheid of belangenverstrengeling is dan ook geen sprake.
Bent u bereid de Kamer op korte termijn een overzicht te sturen, desnoods geanonimiseerd, van ambtenaren die werkzaam zijn bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en een verleden hebben bij ontwikkelingsorganisaties? Zo nee, waarom niet?
Nee. Daar is geen structureel overzicht van beschikbaar.
De dure wervingskosten voor goede doelen door commerciële bedrijven |
|
Klaas Dijkhoff (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de door Stichting Vluchteling ingeschakelde straatwervingsbedrijven het merendeel van het gedoneerde geld ontvangen?1
Ja.
Bent u bekend met de wijze waarop deze straatwerving wordt gefinancierd? Is u bekend of de gemaakte kosten door Stichting Vluchteling voor fondsenwerving worden gefinancierd uit de via dat bedrijf geworven donaties?
Ik ben bekend met de wijze waarop straatwerving wordt gefinancierd. Stichting Vluchteling voert het CBF keurmerk en moet daarmee voldoen aan de gestelde normen van het CBF. Dat betekent dat Stichting Vluchteling niet meer dan 25% procent van het bedrag aan binnengekomen fondsen mag besteden aan fondsenwerving. Subsidies van het ministerie van Buitenlandse Zaken mogen niet besteed worden aan fondsenwervende activiteiten. Zolang zij binnen de normen van het CBF keurmerk blijven en voor fondsenwerving geen subsidiegeld gebruiken, laat ik de verantwoordelijkheid voor wervingsacties bij de betrokken organisaties zelf. Uit het artikel waar in de vragen naar verwezen wordt blijkt overigens ook dat betrokken organisaties ongewenste constructies zelf corrigeren.
Ziet u ook dat dit incident onderdeel uitmaakt van een opkomend patroon waarbij goede doelen, ook zij die wel subsidie ontvangen, gebruik maken van commerciële wervingsacties met bedenkelijke betalingsconstructies?2
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of dergelijke acties binnen de voor Fondsenwervingsacties geldende 25 procentnorm van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF-keurmerk) vallen?
Het CBF beoordeelt per organisatie of de totale kosten voor fondsenwerving zich op een juiste wijze verhouden tot de totale inkomsten. CBF bekijkt dit niet per fondsenwervingsactie of methode. Dit zou de controle complex en duurder maken. Indien organisaties niet aan de 25% norm voldoen, krijgen zij geen CBF keurmerk toegekend. Het CBF keurmerk is een zelfreguleringinstrument van goede doelen en het is niet wenselijk dat de overheid zich hierin mengt. De norm over fondsenwerving wordt dan ook vastgesteld door het CBF zelf en niet door de overheid. Indien het publiek of de markt hierom vraagt kan het CBF ervoor kiezen om bepaalde normen aan te passen. Het ministerie hanteert strikte regels en criteria voor het toekennen van subsidie waaronder op het vlak van fondsenwerving. Ik zie geen noodzaak om hierover verdere eisen te stellen aan organisaties en wil ook niet op de stoel van die organisaties gaan zitten. Dat een kritische openbaarheid de organisatie bevraagt, juich ik overigens toe.
Deelt u de mening dat deze toch al ruime norm per fondsenwervingscampagne in een beperkte periode moet gelden, in plaats van dat het kostenplaatje van de wervingscampagnes zich verhoudt over de hele boekhouding van de organisatie en/of over meerdere jaren wordt gespreid en op die manier toch aan de 25 procentnorm kan voldaan worden?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening at binnen de huidige algemene 25 procentnorm de hulpclubs toestaat hun toevlucht te nemen tot dure marketingstrategieën in plaats van het uitdragen van effectiviteit van verricht ontwikkelingswerk, dat we dit recent ook vaker en vaker zien gebeuren en dat dit niet past bij goede doelen en vooral niet bij (andere) organisaties die via subsidies zwaar op belastinggeld rusten?
Zie antwoord vraag 4.
Zo ja, bent u bereid een halt toe te roepen aan dit gedrag van de hulpclubs door de huidige criteria van het CBF-keurmerk aan te scherpen dan wel aanscherping te bereiken via subsidiecriteria, bijvoorbeeld door te eisen dat per actie maar een bepaald percentage aan kosten mag opgaan aan administratie, reclame en dergelijke?
Zie antwoord vraag 4.
De paranoïde uitspraken van vrijheidshater en voormalig GroenLinks lijsttrekker Rabbae |
|
Johan Driessen (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitlatingen van de heer Rabbae, voorzitter van het enge Landelijk Beraad Marokkanen (LBM) en lid van het comité van aanbeveling van de huiveringwekkende stichting Stop de Bezetting, over de vermeende Israëlische strategie die door de heer Wilders zou worden uitgevoerd?1
Ja. Ik heb kennisgenomen van de uitlatingen van de heer Rabbae tijdens de landelijke demonstratie tegen racisme en discriminatie op 19 maart 2011 en zijn nadere duiding daarvan in de Volkskrant van 31 maart 2011.
Deelt u de opvatting dat dergelijke denkbeelden paranoïde en absurd zijn? Zo nee, waarom niet?
De regering deelt de aangehaalde opvattingen van de heer Rabbae niet.
In hoeverre zijn de uitlatingen van de heer Rabbae gedaan namens het LBM of Stop de bezetting?
Het is mij niet bekend in welke hoedanigheid de heer Rabbae deze uitlatingen heeft uitgesproken.
Op welke wijze wordt de organisatie LBM gefinancierd? Ontvangt het LBM direct of indirect subsidie van de Nederlandse overheid? Zo ja, hoeveel?
Het is mij niet bekend hoe het LBM wordt gefinancierd. De stichting Landelijk Beraad Marokkanen ontvangt noch direct, noch indirect subsidiegelden van de Nederlandse overheid voor haar statutaire activiteiten.
Deelt u de mening dat de stichting Stop de Bezetting nooit meer één cent subsidie mag ontvangen via door de Nederlandse overheid gesubsidieerde organisaties? Zo nee, waarom niet?
Gezien de huidige standpunten van de Stichting Stop de Bezetting kan subsidiëring met overheidsgeld niet aan de orde zijn.
Deelt u de visie dat het vrij sneu is dat er überhaupt een club is die zich keert tegen de bevrijding van Judea en Samaria in 1967? Zo nee, waarom niet?
Het oordeel van de Nederlandse regering over de gevolgen van de Zesdaagse Oorlog in 1967 is bekend en is in het regeerakkoord verwoord: Nederland is voorstander van een tweestatenoplossing, met als uitgangspunt de grenzen van 1967.
Het bericht dat het Fonds Economische Opbouw Uruzgan zou zijn mislukt |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Goede bedoelingen alleen helpen niet»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het beeld dat in het artikel wordt geschetst dat het Fonds Economische Opbouw Uruzgan (FEOU) zou zijn mislukt?
Het FEOU is in 2008, naar aanleiding van uw motie (motie Ferrier, Voordewind, Gillard, kamerstuk 31 200 V, nr. 28) voor een duur van twee jaar opgericht om private sectorontwikkeling in Uruzgan te stimuleren middels het betrekken van het Nederlandse en internationale bedrijfsleven. Economische ontwikkeling kan bijdragen aan de stabilisatie van de provincie, maar gezien de specifieke omstandigheden in Uruzgan hebben investeringen een hoog risicoprofiel. Bedrijven konden via het FEOU worden ondersteund om toch investeringen te doen.
Het feit dat na twee jaar slechts drie projecten van het FEOU van start zijn gegaan moet in de juiste context worden gezien. De lokale omstandigheden en de veiligheid in Uruzgan beperken de mogelijkheden om projecten uit te voeren die een duurzaam effect op de economie hebben. De economie van Uruzgan is klein, ruraal en kwetsbaar. De beeldvorming over Afghanistan is het afgelopen jaar niet beter geworden. Onzekerheid over de Nederlandse betrokkenheid in Uruzgan na 2010 had mogelijk ook een negatieve impact. Desondanks zijn er tien projectaanvragen ingediend, waarvan er drie zijn gehonoreerd. Er zijn twee haalbaarheidsstudies uitgevoerd en is een investeringsproject van start gegaan. De hieruit voortvloeiende kennis en ervaring zal de economie in Uruzgan ten goede komen, waaronder de werkgelegenheid. In die zin ben ik het niet eens met het artikel en oordeel ik positief over hetgeen wél bereikt is.
Kunt u een overzicht geven van de geïnvesteerde middelen en de resultaten die deze middelen tot nu toe hebben opgeleverd?
Vanuit het FEOU zijn drie projectaanvragen gehonoreerd. In totaal is 3.3 miljoen euro gecommitteerd. Het gaat om twee haalbaarheidsstudies en een investeringsproject:
Kunt u een overzicht geven van de projecten die opgestart zijn en daarbij aangeven of ze afgerond zijn, of ze vroegtijdig en zonder resultaat moeten worden afgebroken/stopgezet en wat ze uiteindelijk hebben opgeleverd?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de stelling dat «onzekerheid over de betrokkenheid in Uruzgan ondernemers afschrikt»? Welke gevolgen heeft dit gehad voor dit project? Op welke wijze is het bedrijfsleven gestimuleerd om wel vertrouwen in de situatie in Uruzgan te krijgen? Waarom is dat niet succesvol geweest?
Onzekerheid over de Nederlandse betrokkenheid na 2010 had mogelijk een negatieve impact. De uitvoerder van het Fonds Economische Opbouw Uruzgan (FEOU), NL EVD Internationaal, heeft met gerichte communicatie het bedrijfsleven op de hoogte gesteld van het FEOU om deelname te stimuleren. Zo heeft NL EVD Internationaal verscheidene advertenties in vakbladen gepubliceerd, is er informatie op de website geplaatst en is het fonds onder de aandacht gebracht tijdens beurzen. Tevens heeft NL EVD Internationaal veel aandacht besteed aan het begeleiden van de individuele projectaanvragen, zodat er passende informatie werd gegeven over de mogelijkheden en de veiligheid voor ondernemers in Uruzgan.
In 2010 heeft NL EVD Internationaal de wervingsactiviteiten opgeschroefd met extra beursbezoek, online promotie en de organisatie van een groot seminar. Het feit dat dit niet heeft geleid tot een verhoogd aantal projectaanvragen suggereert dat bekendheid van het fonds niet de grootste beperkende factor was.
Het vertrouwen in investeren in Uruzgan heeft niet alleen te maken met de Nederlandse betrokkenheid in Uruzgan.
Tijdens een interne evaluatie van het FEOU door het ministerie van Buitenlandse Zaken en NL EVD Internationaal in april 2010 werden door potentiële investeerders de volgende knelpunten gevormd: de moeilijke omstandigheden in Uruzgan (beperkte afzetmarkt, gebrekkige infrastructuur, veiligheid), cultuurverschillen tussen bedrijfsleven en overheid, het feit dat niet alle kosten (zoals onroerend goed) gedekt worden en de negatieve beeldvorming over Afghanistan. Geconstateerd werd dat het FEOU in de praktijk was gericht op een kleine doelgroep en dat passende begeleiding van aanvragen noodzakelijk is. Op basis van de aanbevelingen heeft er meer gerichte promotie plaatsgevonden, zijn de ervaringen uitgedragen tijdens een seminar, is de website van NL EVD Internationaal verbeterd en is extra geïnvesteerd in het vergroten van wederzijds begrip tussen overheid en bedrijfsleven door communicatie en verwachtingsmanagement.
Bent u met ons van mening dat economische wederopbouw een belangrijk onderdeel vormt van de ontwikkeling van fragiele staten en dat dit in de toekomst zo moet blijven? Zo ja welke lessen trekt u uit de gang van zaken bij het FEOU?
Economische groei middels private sector ontwikkeling is een belangrijke voorwaarde voor armoedebestrijding en stabiliteit, ook in fragiele staten. De specifieke situatie in Uruzgan maakt het lastig om de koppeling met het Nederlandse (of internationale) bedrijfsleven te maken. Voor een geïsoleerd gebied als Uruzgan is het al een enorme uitdaging op aansluiting te vinden bij de nationale markten (Kandahar en Kabul) en regionale markten (Pakistan, India en de Golf regio).
Nederland blijft echter met bedrijfsleveninstrumenten werken gericht op heel Afghanistan. De activiteiten van de VNO/NCW Werkgroep Economische Wederopbouw Afghanistan (WEWA) en het project «Business partners for Uruzgan» hebben nuttige informatie en analyses opgeleverd over de mogelijkheden voor private sectorontwikkeling in Afghanistan. Onder andere het belang van lokale aanwezigheid voor de identificatie van mogelijkheden voor bedrijven om samen te werken en het leggen van contacten is duidelijk naar voren gekomen.
Nederland zal zich blijven inzetten voor private sectorontwikkeling en landbouw in Afghanistan en de lessen van de WEWA daarbij gebruiken. Concreet gaat het daarbij om het volgende.
Op welk moment zal er een eindevaluatie plaatsvinden van het FEOU? Bent u bereid de lessen hieruit te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij vraag 5 aangegeven, heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken in april 2010 met NL EVD Internationaal een interne tussentijdse evaluatie uitgevoerd. Een eindevaluatie zal plaatsvinden zodra het nog lopende project wordt afgerond (eind 2012). Vanzelfsprekend ben ik bereid het resultaat hiervan met de Kamer worden te delen.
Nu in het ontwikkelingsbeleid het bedrijfsleven meer betrokken zal worden: op welke manier gaat u de resultaten hiervan op ontwikkeling beoordelen en meten? Bent u bereid de Kamer daarover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Net als bij de financiering van andere kanalen, zullen de resultaten van de bedrijfslevenprogramma’s tot op het niveau van outcomes en impact op de beoogde doelen als werkgelegenheid en inkomensverbetering worden gemeten. Daarvoor worden voor alle grote programma’s onder toezicht van de onafhankelijke inspectie heldere monitor en evaluatie protocollen opgezet met een consistente resultatenhiërarchie en wetenschappelijk verantwoorde meetsystematiek. Daarnaast zal aandacht worden besteed aan de additionaliteit van de programma’s en de mogelijke gevolgen voor de lokale marktdynamiek.
Deze evaluaties maken onderdeel uit van de evaluatieprogrammering en worden uiteraard met de Kamer gedeeld.
Het salaris van ICCO-voorzitter Marnius Verweij |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Speelt ICCO-topman Marinus Verweij met vuur»?1
Ja.
Klopt het dat topman Marinus Verweij van subsidieslurper ICCO jaarlijks bijna 10 000 euro meer verdient dan zijn voorganger?
Ja. Volgens de uitkomsten van het onderzoek naar directiesalarissen dat op
29 oktober 2010 in een Kamerbrief is aangeboden aan de Tweede Kamer, bedroeg het salaris van de directievoorzitter van ICCO op dat moment Eur 114 991,– . Op 1 november 2010 is de heer Verweij aangetreden als voorzitter van de Raad van Bestuur van ICCO. De heer Verweij heeft in de laatste twee maanden van 2010 een bruto salaris van ICCO ontvangen van Eur 21 162,55. Wanneer dat geëxtrapoleerd wordt naar een jaarsalaris, zou dit Eur 126 975,– bedragen. Daarmee wordt voldaan aan de DG-norm voor 2010.
De kwalificatie «subsidieslurper» is een substantief dat ik mij in dit verband overigens niet eigen maak.
Hoe waardeert u deze aanzienlijke salarisverhoging?
Met het instellen van de zogenoemde DG-norm is beoogd in redelijkheid een grens te stellen aan salarissen in de OS-sector.
De verantwoordelijkheid voor de vaststelling van het salaris ligt, mits deze de DG-norm niet overschrijdt, bij de subsidieontvanger. Hoe wijs het is om in een tijd van noodzakelijke bezuinigingen en een kritisch maatschappelijk klimaat een dergelijke verhoging toe te passen, is weer een andere vraag.
Deelt u de mening dat de voorzitter van de Raad van Toezicht van ICCO – Doekle Terpstra – beter niet akkoord had kunnen gaan met deze salarisverhoging, zeker nu de subsidie voor ICCO naar beneden is bijgesteld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3.
Het bericht dat hulpclubs Hivos en SNV ervan worden beschuldigd intellectueel eigendom te hebben gestolen |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Hulporganisaties «stalen» project»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de beschuldiging dat de subsidieslurpers Hivos en SNV het intellectueel eigendom van een biogasproject in Afrika hebben gekaapt en vervolgens door de Nederlandse belastingbetaler hebben laten financieren?
Biogas wordt al jarenlang toegepast. De activiteit beoogt om met gebruikmaking van de jarenlange ervaringen van een succesvol regionaal Azië biogasprogramma ook een programma voor Afrika op te zetten. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft daartoe met publieke middelen in de periode 2007–2008 het voortraject voor een biogasprogramma in Afrika gefinancierd, bestaande uit de lancering van het initiatief en het verrichten van haalbaarheidsstudies. Van de tijdens voornoemde periode ontwikkelde studies berust het intellectuele eigendom bij BZ.
Klopt het dat het ministerie van Buitenlandse Zaken Hivos en SNV 30 miljoen euro subsidie heeft gegeven voor het zogeheten Africa Biogas Partnership Programme?
Nee, Hivos kreeg een subsidie van 30 miljoen euro. SNV draagt uit zijn eigen middelen aan het project bij.
Indien dit bericht op waarheid berust, bent u voornemens de uitgekeerde 30 miljoen euro van deze subsidieclubs terug te vorderen? Zo nee, waarom niet?
Dit bericht berust niet op waarheid.
Een Afrikaans biogas project |
|
Ewout Irrgang |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Nederlandse hulporganisaties «stelen» Afrikaans project»?1
Ik betreur het dat een in mijn ogen goed lopend programma op deze manier in het nieuws komt.
Is het waar dat SNV en Hivos in 2009 het project hebben gekaapt en vervolgens door de Nederlandse regering laten financieren? Zo neen, wanneer is uw financiering van het project begonnen?
Biogas wordt al jarenlang toegepast. De activiteit beoogt om met gebruikmaking van de jarenlange ervaringen van een succesvol regionaal Azië biogasprogramma ook een programma voor Afrika op te zetten. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft daartoe met publieke middelen in de periode 2007–2008 het voortraject voor een biogasprogramma in Afrika gefinancierd, bestaande uit de lancering van het initiatief en het verrichten van haalbaarheidsstudies. Van de tijdens voornoemde periode ontwikkelde studies berust het intellectuele eigendom bij BZ.
Het Africa Biogas Partnership Program (ABPP) was een samenwerkingsverband van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Hivos, SNV en het Biogas for Africa Initiative, dat bestond uit enkele Afrikaanse organisaties. In 2008 werd het Biogas for Africa Initiatief, dat geen formele juridische status had, omgevormd tot de Stichting Biogas for Better Life. Naar het oordeel van het ministerie van Buitenlandse Zaken waren de beheersmatige risico’s te groot om aan deze jonge en kleine stichting een subsidie van 30 miljoen Euro toe te kennen. Het ging en gaat immers om het uitvoeren vanaf 2009 van een omvangrijk en complex programma in Burkina Faso, Ethiopië, Kenia, Oeganda, Senegal en Tanzania. Er is toen om die redenen voor gekozen Hivos een subsidie toe te kennen van 30 miljoen Euro. SNV draagt uit zijn eigen middelen aan het project bij. Zij beschikten en beschikken wel over voldoende beheers- en uitvoeringscapaciteit. Bovendien hadden Hivos en SNV reeds ervaring opgedaan met de uitvoering biogasprogramma’s in Vietnam, Bangladesh, Cambodja en Laos.
De voorbereiding van het biogasprogramma is begonnen in 2006. Er werden o.m. haalbaarheidstudies uitgevoerd, een bijeenkomst met Afrikaanse stakeholders georganiseerd en een studie uitgevoerd voor een Research & Development programma.
Kunt u aangeven van wanneer het voorstel van de «stichting Biogas for Better Life» om toepassing van biogastechnologie in Afrika van de grond te krijgen dateert? Is het waar dat het voorstel reeds vóór aanvang van de Nederlandse financiering is ontwikkeld? Zo nee, wanneer dan wel?
De Stichting Biogas for Better Life heeft op 25 augustus 2008 een brief met bijgevoegd voorstel aangeboden aan het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het voorstel is ontwikkeld vóór aanvang van de Nederlandse financiering.
Was u op de hoogte van de klachten die de Afrikaanse bestuurders en adviseurs van de «stichting Biogas for Better Life: an African Initiative» middels interne communicatie aan SNV en Hivos hebben overgebracht?
Ja.
Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, kunt u dan aangeven van wanneer deze klachten dateren, waar de klachten uit bestonden en wat er met deze klachten is gedaan?
Deze klachten werden naar voren gebracht in de onder antwoord 3 genoemde brief van 25 augustus 2008. De belangrijkste klacht was dat de stichting het niet eens was met de aan haar door de andere partners toegemeten rol op het gebied van lobby, advocacy en communicatie. De stichting achtte deze rol te beperkt en wilde ook bij de uitvoering worden betrokken. Op 28 augustus 2008 werd hierover door het ministerie van Buitenlandse Zaken, Hivos, SNV en de stichting gesproken. De betrokkenen konden het echter niet eens worden over de omvang van de rol van de stichting waarna de stichting zelf op 28 augustus 2008 heeft besloten zich uit het samenwerkingsverband terug te trekken. Nadat de subsidie aan Hivos was verleend, hebben noch Hivos, SNV noch het ministerie signalen van de stichting ontvangen dat de stichting terug wilde komen op het eerder genomen besluit verder geen deel te willen nemen aan het partnerschap.
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend luidt, bent u dan bereid deze klachten alsnog te achterhalen en te openbaren? Zo neen, waarom niet?
Niet van toepassing.
Welke conclusies verbindt u aan deze kwestie?
De belangrijkste conclusie is dat het bewuste artikel in de Volkskrant van 7 maart jl. op onjuiste informatie berust.
Het biogas project in Afrika |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
![]() |
Klopt de aantijging van Afrikaanse bestuurders dat de ideeën van de stichting «Biogas for Better Life: an African Initiative» zijn gekaapt door Nederlandse ontwikkelingsorganisaties?1 Zo nee, hoe zit het dan?
Nee, deze aantijging klopt niet. Biogas wordt al jarenlang toegepast. De activiteit beoogt om met gebruikmaking van de jarenlange ervaringen van een succesvol regionaal Azië biogasprogramma ook een programma voor Afrika op te zetten. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft daartoe met publieke middelen in de periode 2007–2008 het voortraject voor een biogasprogramma in Afrika gefinancierd, bestaande uit de lancering van het initiatief en het verrichten van haalbaarheidsstudies. Van de tijdens voornoemde periode ontwikkelde studies berust het intellectuele eigendom bij BZ.
Klopt het dat het ministerie Buitenlandse Zaken de samenwerking met Biogas for Better Life heeft gestaakt omdat de stichting «niet over de gewenste beheercapaciteit beschikte»? Heeft het ministerie nog geprobeerd dit Afrikaanse initiatief betrokken te laten blijven bij het project? Is er samengewerkt met andere Afrikaanse organisaties?
Het Africa Biogas Partnership Program (ABPP) was een samenwerkingsverband van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Hivos, SNV en het Biogas for Africa Initiative, dat bestond uit enkele Afrikaanse organisaties. In 2008 werd het Biogas for Africa Initiatief, dat geen formele juridische status had, omgevormd tot de Stichting Biogas for Better Life. Naar het oordeel van het ministerie van Buitenlandse Zaken waren de beheersmatige risico’s te groot om aan deze jonge en kleine stichting een subsidie van 30 miljoen Euro toe te kennen. Het ging en gaat immers om het uitvoeren vanaf 2009 van een omvangrijk en complex programma in Burkina Faso, Ethiopië, Kenia, Oeganda, Senegal en Tanzania. Er is toen om die redenen voor gekozen Hivos een subsidie toe te kennen van 30 miljoen Euro. SNV draagt uit zijn eigen middelen aan het project bij. Zij beschikten en beschikken wel over voldoende beheers- en uitvoeringscapaciteit. Bovendien hadden Hivos en SNV reeds ervaring opgedaan met de uitvoering van biogasprogramma’s in Vietnam, Bangladesh, Cambodja en Laos.
Er is geprobeerd om de Stichting Biogas for Better Life betrokken te laten blijven bij de implementatie van het programma. De rol op het gebied van lobby, advocacy en communicatie achtte de stichting echter te beperkt. Het ministerie, Hivos, SNV en de Stichting Biogas for Better Life konden het uiteindelijk niet eens worden over de rol van de Stichting, waarna de Stichting zelf op 28 augustus 2008 heeft besloten zich uit het ABPP samenwerkingsverband terug te trekken. Nadat de subsidie aan Hivos was verleend, hebben noch Hivos, SNV noch het ministerie signalen van de Stichting ontvangen dat het terug wilde komen op het eerder genomen besluit geen deel te willen nemen aan het partnerschap.
Deelt u de mening dat «Afrikaanse» betrokkenheid bij dergelijke projecten, gericht op zelfredzaamheid, van groot belang is en dat Nederlandse ontwikkelingsorganisaties Afrikaanse partners moeten betrekken? Zo ja, op welke manier zult u dat in dit geval bevorderen?
Ik onderschrijf uw mening. Het biogasprogramma in Afrika wordt uitgevoerd in nauwe samenwerking met Afrikaanse overheden, lokale NGO’s en de lokale private sector.
Op welke manier bevordert u de Afrikaanse kennis en kunde, zodanig dat de betrokken Afrikaanse landen in de toekomst zelf in staat zullen zijn biogastechnologie toe te passen?
Een belangrijke component van dit biogasprogramma is de opbouw van capaciteit in de landen van uitvoering. In samenwerking met Afrikaanse overheden, lokale NGO’s en de lokale private sector worden door Nederlandse ontwikkelingsorganisaties seminars gegeven aan lokale beleidsmakers voor het formuleren van duurzaam energiebeleid alsmede trainingen c.q. opleidingen aan lokale practitioners en metselaars.
De onderdrukking van de Papoea's |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op de verklaring van de kerken op Papoea over de onderdrukking van de inheemse bevolking?1
Ik heb hier met zorg kennis van genomen.
Deelt u de mening dat Papoea op dit moment een annexatieproces ondergaat, waarbij het leefgebied van de Papoea's ernstig wordt bedreigd en geschaad? Zo nee, waarom niet?
De provincies Papoea en West-Papoea maken sinds 1969 onlosmakelijk deel uit van Indonesië. Er is dus geen sprake van annexatie.
De implementatie van de speciale autonomiewet voor Papoea uit 2001, bedoeld als kader voor de politieke, sociale en economische ontwikkeling van de regio, verloopt minder voorspoedig dan waarop gehoopt was. Mede hierdoor blijft de sociaal-economische ontwikkeling in de provincies Papoea en West-Papoea achter bij die van andere provincies. Het gebrek aan capaciteit op lokaal overheids- en institutioneel niveau is hieraan mede debet.
De door de eigen bevolking gekozen volksvertegenwoordiging in Papoea lijkt niet bij machte om de situatie wezenlijk te verbeteren. De Indonesische autoriteiten zijn zich bewust van deze problematiek en werken momenteel, in overleg met de autoriteiten in Papoea, aan de oprichting van een nieuwe eenheid die tot doel heeft de ontwikkeling van Papoea te versnellen. Deze eenheid zal ressorteren onder de vice-president. Het is belangrijk dat duidelijker wordt hoe dit initiatief zich verhoudt tot de speciale autonomiewet. Nederland volgt met grote interesse hoe dit verder wordt vormgegeven.
Hoe beoordeelt u de aanklacht dat Indonesië een bewuste politiek voert waarin de mensenrechten van de Papoea's met voeten worden getreden?
De mensenrechtenschendingen op Papoea blijven een punt van zorg. Het inwinnen van betrouwbare informatie is moeilijk. In veel gevallen is de toedracht van mogelijke mensenrechtenschendingen moeilijk vast te stellen. Ik vind het belangrijk dat bij vermoeden van mensenrechtenschendingen objectief onderzoek wordt gedaan en dat de daders worden vervolgd en bestraft. De mensenrechtensituatie in Papoea vormt een vast onderdeel van de politieke dialoog met Indonesië. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Kunt u ingaan op de migratiepolitiek van Indonesië en de gevolgen die deze politiek heeft voor zowel de Papoea's als de flora en fauna in dit gebied?
De actieve financiële ondersteuning van de transmigratie in Indonesië door de Indonesische autoriteiten is sinds 2000 bijna volledig gestopt. Dit weerhoudt mensen uit andere delen van Indonesië er niet van om zich te vestigen in het relatief dun bevolkte Papoea. De gebieden waarin migranten zich officieel mogen vestigen, bevinden zich buiten de beschermde en productiebosgebieden. De provincie Papoea heeft recentelijk een ruimtelijk ordeningsplan aangeboden aan het Ministerie van Bosbouw. De inzet van het plan is om in Papoea de bescherming van bos- en veengebieden in hoge mate te garanderen.
Bent u bereid de Indonesische autoriteiten op te roepen tot het onmiddellijk stoppen met de schending van de mensenrechten van de Papoea's? Bent u daarnaast bereid te pleiten voor een duurzame ontwikkeling van Papoea waarbij wordt gezocht naar een dialoog tussen de regering en de Papoea's?
De situatie van de mensenrechten in Papoea, alsmede die in andere delen in Indonesië, vormt een vast onderdeel van de politieke dialoog tussen Nederland en Indonesië. De mensenrechtensituatie in Papoea is tevens besproken tijdens de EU-Indonesië mensenrechtendialoog, die plaatsvond op 9 maart jl. Nederland tracht via praktische samenwerking met Indonesië projecten te realiseren die de situatie in Papoea in gunstige zin beïnvloeden. Zo draagt Nederland bijvoorbeeld bij aan versterking van de lokale bestuurlijke capaciteit in Papoea.
De Indonesische denktank LIPI heeft in zijn road map for Papua (2009) voorstellen gedaan voor een dialoog tussen vertegenwoordigers van de Papoea-bevolking en de Indonesische autoriteiten. In contacten met de Indonesische autoriteiten moedigt Nederland deze ontwikkeling aan.
Mensen in ontwikkelingslanden gebruikt als proefpersoon |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU), Ewout Irrgang |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht op de website Vice Versa: «Mensen in ontwikkelingslanden gebruikt als proefpersoon»?1
Ja ik heb hier kennis van genomen.
Wat is uw reactie op het bericht dat het toezicht op medicijntesten in ontwikkelende regio’s als India, Brazilië en Argentinië zeer te wensen over laat?
Ik ben op de hoogte van de ontwikkeling dat het uitvoeren van klinisch onderzoek steeds internationaler wordt. De redenen hiervoor zijn divers, bijvoorbeeld de beschikbaarheid van patiënten met een bepaalde ziekte, bereidheid van patiënten en artsen om deel te nemen aan klinisch onderzoek, de efficiëntie van het toetsingssysteem (Medisch Ethische Commissies) in een bepaald land, de kosten van het onderzoek enzovoort. Klinische onderzoeken ten behoeve van de registratie van geneesmiddelen in de EU waar ook ter wereld uitgevoerd, moeten voldoen aan alle regelgeving op het gebied van «Good Clinical Practice» (GCP) die geldt in de EU. Wat dat betreft maakt het niet uit of een onderzoek in of buiten Europa wordt uitgevoerd. Mocht worden getwijfeld aan het ingediende registratiedossier of de uitvoering van het onderzoek dan wordt, wanneer Nederland betrokken is, bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg een verzoek tot inspectie gedaan, die deze inspectie vervolgens uitvoert. Op Europees niveau worden in zo’n geval EU inspecteurs ingeschakeld via het Europese Geneesmiddelenbureau (EMA).
Bent u op de hoogte dat in de helft van de gevallen de farmaceutische bedrijven hun eigen medicijntesten niet meer uitvoeren, maar dat dit wordt uitbesteed aan onderaannemers, zogeheten Contract Research Organisations (CRO’s)?
Ja ik ben ervan op de hoogte dat veel farmaceutische bedrijven hun klinische onderzoeken met geneesmiddelen uitbesteden aan CRO’s.
Wereldwijd is er een tendens dat het klinisch onderzoek steeds meer via CRO’s wordt uitgezet (zie artikel NJEM 04-10-2007, Steinbrook). Ik hecht er echter aan enige nuancering aan te brengen. Er zijn verschillende typen CRO’s. Sommige CRO’s zijn in feite niet meer dan een administratiekantoor voor de farmaceutische industrie en verzorgen de documentenstromen, maar leveren zelf geen inhoudelijke bijdrage aan het onderzoek. Daarnaast zijn er CRO’s die zelf de daadwerkelijke uitvoering van het onderzoek met proefpersonen ter hand nemen. Binnen deze groep van CRO’s kan weer een onderscheid gemaakt worden tussen organisaties die met name een commercieel belang nastreven en CRO’s die in stichtingsverband onderzoek uitvoeren en zich sterk richten op het verwerven van nieuwe kennis.
De opkomst van de CRO’s (en met name van de CRO’s die zich beperken tot de administratieve zaken) wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de uitgebreide en complexe regelgeving bij geneesmiddelenonderzoek. Klinisch onderzoekers hebben in toenemende mate moeite om de regelgeving te overzien en te volgen. Om deze reden wordt steeds vaker een CRO ingeschakeld die de administratieve zaken voor haar rekening neemt. In ons land krijgen klinisch onderzoekers hulp in de vorm van voorbeeldbrieven, sjablonen en ICT-hulpmiddelen. In alle gevallen geldt dat CRO’s zich ook aan de regelgeving omtrent klinische onderzoeken moeten houden.
Kunt u een reactie geven op het feit dat uitbesteding van medicijntesten aan CRO’s leidt tot het opknippen van verantwoordelijkheden en minder overkoepelend overzicht over de test?
In Nederland is de opdrachtgever (verrichter) van de studie altijd eindverantwoordelijk voor het klinisch onderzoek. Hij dient te allen tijde een goed overzicht te hebben over het verloop van klinisch onderzoek, «aan het roer» te staan en wanneer nodig tijdig maatregelen te nemen. Daarnaast moet iedere instelling die onderzoek met mensen uitvoert beschikken over goed opgeleide klinische onderzoekers en een juiste infrastructuur voor het doen van klinisch onderzoek.
Bent u van mening dat de uitbesteding aan CRO’s in niet-traditionele onderzoekslanden ten koste gaat van de zorgvuldigheid, kwaliteit en naleving van ethische normen, en dat dit uiteindelijk ten koste gaat van de veiligheid van de proefpersonen en de kwaliteit van de medicijnen?
Zoals hierboven genoemd zijn er vele vormen van CRO’s en daarnaast zijn er ook vele vormen van klinisch onderzoek. Of een klinisch onderzoek wel of niet zorgvuldig uitgevoerd kan worden in niet-traditionele onderzoekslanden is sterk afhankelijk van deze twee zaken. Ik kan mij voorstellen dat er ook in sommige opkomende landen in bepaalde situaties uitstekend klinisch onderzoek kan worden uitgevoerd. Maar helaas is het ook mogelijk dat in bepaalde landen de zorgvuldigheid rond klinisch onderzoek niet goed geborgd is.
Bent u ervan op de hoogte dat volgens de statistische gegevens van de European Medicines Agency (EMA) over de medicijntesten die bepalend zijn voor markttoegang van medicijnen in Europa, 40% van de proefpersonen zich bevinden in niet-traditionele onderzoekslanden zoals India, Latijns-Amerika, China etc?2 Wat is uw reactie hierop?
Deze gegevens zijn mij bekend. Voor mijn reactie verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Bent u ervan op de hoogte dat uit verschillende publicaties, waaronder een strategiepaper van het Europees Medicijnagentschap EMA3 blijkt dat bij het beoordelen van een geneesmiddel voor markttoegang dat getest is in niet-traditionele test regio’s, nauwelijks aandacht wordt besteed aan de naleving van ethische richtlijnen zoals de Verklaring van Helsinki, en het EMA daarom in 2010 voorstellen heeft gedaan om ethische richtlijnen beter te verankeren in het toelatingsproces van geneesmiddelen tot de Europese markt die in deze regio’s getest zijn? Kunt u inzicht verschaffen in de wijze waarop het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) nu de naleving van de Verklaring van Helsinki verifieert in het toelatingsproces van medicijnen die in niet-traditionele regio’s zijn getest?
Het CBG is, in nationaal of Europees verband via het Europese Geneesmiddelenbureau, betrokken bij verschillende fasen van het klinisch onderzoek. Daarbij gaat het om wetenschappelijk advies voorafgaand aan een aanvraag voor een handelsvergunning tot aan het beoordelen van de uiteindelijke onderzoeksresultaten. Het CBG werkt samen met EMA om de ethische richtlijnen Europees beter verankerd te krijgen en heeft hiervoor input geleverd aan EMA. Het CBG dient, net als EMA, erop toe te zien dat de Verklaring van Helsinki wordt nageleefd, alsmede de GCP-richtsnoeren. Dit betekent in het kort dat gekeken wordt of:
Kunt u inzicht verschaffen in de wijze waarop het CBG nu de naleving van de Verklaring van Helsinki door de contractpartners van farmaceutische bedrijven verifieert?
Het CBG krijgt in principe de resultaten van de klinische onderzoeken in het dossier achteraf (retrospectief). Daarbij gaat het vaak om klinische onderzoeken die in meerdere landen tegelijk zijn uitgevoerd. Hierdoor kunnen mogelijke problemen of ongerechtigheden pas ontdekt worden als ze al hebben plaatsgevonden. Gecontroleerd wordt wél of door de uitvoerder en/of de verrichter van het onderzoek verklaard is dat de studie conform wet- en regelgeving is uitgevoerd. Wanneer het CBG twijfelt aan de uitvoering van een klinisch onderzoek, wordt overleg gezocht met de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Dit kan gebeuren op nationaal (Inspectie voor de Gezondheidszorg), maar ook op Europees niveau (de zogenaamde Inspectors Working Party bij EMA).
Deelt u de zorg dat in de huidige markttoegang procedures te weinig onafhankelijke verificatie van de naleving van de Verklaring van Helsinki door de contractpartner van farmaceutische bedrijven bieden? Zo ja, wat bent u van plan hieraan te doen?
Het kan altijd beter en zorgvuldiger. Het is daarom goed om te weten dat de Europese Commissie momenteel de huidige Richtlijn met betrekking tot klinisch onderzoek gaat herzien. In oktober 2009 tot januari 2010 is er een consultatie door de Europese Commissie gedaan waarin er onder meer aandacht voor is gevraagd hoe toezicht op klinisch onderzoek in lage loonlanden kan worden verbeterd, inclusief de nationale toestemming om een onderzoek te starten. Daarnaast is er van 6–7 september 2010 een internationale workshop gehouden door EMA.
Daarnaast heeft Nederland de afgelopen jaren geïnvesteerd in het vergroten van de capaciteit in ontwikkelingslanden om zelf voorwaarden te kunnen stellen aan de (ethische) kwaliteit van klinische studies, onder andere via het European Developing Countries Clinical Trials Partnership (EDCTP) en via het VN onderzoeksprogramma voor tropische ziekten (TDR).
Bent u bereid u zowel op Europees niveau als in Nederland er hard voor te maken dat ethische richtlijnen daadwerkelijk worden verankerd in het toelatingsproces van medicijnen die in niet-traditionele regio’s zijn getest, zodat rechten van proefpersonen in ontwikkelingslanden zullen worden beschermd?
Ja ik ben bereid mij ervoor in te zetten dat de ethische richtlijnen daar waar dat nog niet voldoende het geval is daadwerkelijk worden verankerd in het toelatingsproces.
Bent u bereid tot het invoeren van een verplichte registratie van alle medicijntesten die ten grondslag liggen aan een aanvraag voor toegang tot de Europese markt, inclusief de testen die buiten Europa plaatsvinden, in de Europese publieke database van medicijntesten EudraPharm, zoals ook organisaties als SOMO dit vinden? Bent u van mening dat per medicijntest in deze database ook alle betrokken organisaties en bedrijven zouden moeten worden geregistreerd, inclusief de locaties waar de testen worden uitgevoerd?
Ik ben groot voorstander van meer transparantie rond klinisch onderzoek. In ons land wordt inmiddels van vrijwel alle klinische studies basisinformatie via de website van de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO) openbaar gemaakt. Ook als het gaat om klinisch onderzoek dat buiten Nederland en Europa wordt uitgevoerd is transparantie belangrijk. Veel farmaceutische bedrijven doen dat inmiddels en melden hun studies aan bij openbare databanken zoals www.clinicaltrails.gov en de International Clinical Trials Registry Platform (ICTRP) (zie http://www.who.int/ictrp/en/).
Eudrapharm is de Europese geneesmiddeleninformatiebank voor humane geneesmiddelen die een handelsvergunning hebben. Daarnaast is er de zogenaamde EudraCT databank voor klinische onderzoeken die zijn gestart, stopgezet of afgerond in de EU. EudraCT is een afgeschermde website.
Zeer recentelijk heeft de EMA bekend gemaakt (zie: http://www.cbg-meb.nl/CBG/nl/humane-geneesmiddelen/actueel/Lancering-Europees-register-klinisch-onderzoek/default.htm) dat er een openbaar EU klinisch onderzoeksregister (https://www.clinicaltrialsregister.eu/) van start is gegaan dat toegang geeft tot informatie die voorheen nog niet openbaar was. Het register geeft voor het eerst aan het publiek informatie over klinisch onderzoek met geneesmiddelen uit de 27 EU lidstaten, en daarnaast ook uit IJsland, Liechtenstein en Noorwegen. De informatie van dit register komt uit het niet voor het publiek openbare EudraCT register.
Deze vorm van transparantie betekent dat het voor NGO’s als SOMO en WEMOS en alle andere geïnteresseerde partijen transparanter wordt welke onderzoeken er op welke locatie zijn en worden uitgevoerd.
Berichten dat de vrouwenopvang in Afghanistan in gevaar is |
|
Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het plan van de Afghaanse regering om het beheer van de blijf-van-mijn-lijfhuizen over te nemen van non-gouvernementele organisaties?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van onder meer Human Rights Watch (HWR) dat vrouwen in Afghanistan door de maatregel een groter risico zullen lopen? Deelt u deze mening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat u met de Afghaanse regering in gesprek over deze maatregel?
Het wetsvoorstel in de huidige opzet omvat, ondanks positieve elementen bijvoorbeeld met betrekking tot minimale levensstandaarden, een aantal stevige zorgpunten, met name daar waar de overheid het management van de opvangcentra over zou nemen van maatschappelijke organisaties.
De EU heeft in reactie op het wetsvoorstel, samen met Australië, Canada en de VS, op 20 februari jl. de Minister voor Vrouwenzaken Ghazanfar om uitleg gevraagd. Daarbij is met name aandrongen op het overnemen van de aanbevelingen van de «Criminal Law Reform Working Group» (CLRWG). Deze werkgroep, waarin onder andere de «Afghan Independent Human Rights Commission» zitting heeft, adviseert de Afghaanse regering over wetsvoorstellen op strafrechtelijk terrein. De CLRWG acht de huidige bepalingen in het wetsvoorstel m.b.t. beperkingen in de toelating, gedwongen vertrek, gedwongen afgifte van persoonlijke informatie en gedwongen medische onderzoeken onacceptabel. De CLRWG doet ondermeer de aanbeveling dat maatschappelijke organisaties in staat moeten blijven om op onafhankelijk wijze opvanghuizen te beheren.
Daarnaast stelt Nederland dit onderwerp, alsmede de situatie van vrouwen in Afghanistan, in coördinatie met EU-partners, actief aan de orde in bilaterale gesprekken met relevante Afghaanse autoriteiten.
Op 22 februari jl. heeft de Afghaanse regering, bij monde van de woordvoerder van de president, aangegeven dat de regering nooit het besluit heeft genomen de opvanghuizen te sluiten, danwel het werk van de betrokken NGO’s stop te zetten. Daarnaast heeft het Ministerie van Vrouwenzaken toegezegd in constante dialoog te blijven met het maatschappelijk middenveld over mogelijke verbeterpunten. Dit zijn positieve signalen, die hopelijk leiden tot wijziging van het wetsvoorstel.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van HRW dat de maatregel past in een trend van «Afghanisering», en dat de regering van president Hamid Karzai «steeds meer gedomineerd wordt door ultraconservatieven die vijandig staan ten opzichte van zelfs maar het idee van schuilplaatsen, aangezien deze aan vrouwen een bepaalde mate van autonomie bieden» ten opzichte van echtgenoten en familieleden die hen slecht behandelen? Deelt u deze mening? Zo ja, heeft dit gevolgen voor de samenwerking met de Afghaanse regering? Zo nee, waarom niet?
Het wetsvoorstel lijkt te passen in een bredere trend van stigmatisering van de blijf-van-mijn-lijfhuizen door conservatieve krachten in Afghanistan. Er is in sommige media al langere tijd sprake van negatieve berichtgeving over de opvanghuizen. Nederland zal zich kritisch uitspreken over (concept-)wetgeving of beleid dat een bedreiging vormt voor de rechten van vrouwen of andere kwetsbare groepen in Afghanistan. Nederland zal daarbij zoveel mogelijk in internationaal verband optreden. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Welke ngo’s beheren op dit moment de elf blijf-van-mijn-lijfhuizen in Afghanistan? Ontvangen deze ngo’s Nederlandse of Europese ontwikkelingsgelden, en zo ja hoeveel? Hoeveel vrouwen worden opgevangen in deze huizen? Zijn de vrouwen er veilig? Als u de blijf-van-mijn-lijfhuizen op dit moment (direct of via ngo’s) steunt, blijft u dit dan ook doen als de huizen door de Afghaanse regering worden overgenomen? Bent u bereid de ngo’s extra te ondersteunen als de continuïteit van hun werk in gevaar is?
De betreffende NGO’s zijn: «Afghan Women Skills Development Center», «Women for Afghan Women», «Humanitarian Assistance for Women and Children of Afghanistan», «Voice of Women Organization» en «Cooperation Center for Afghanistan».2 Volgens de gegevens van het Afghaanse Ministerie van Vrouwenzaken is de gezamenlijk capaciteit van deze organisaties ongeveer 175 vrouwen en kinderen.
Afghaanse vrouwen die bescherming zoeken in een van de blijf-van-mijn-lijf huizen in Afghanistan weten zich beschermd door de NGO’s die deze huizen beheren. Zij lopen geen risico teruggestuurd te worden naar hun (schoon)familie. Het bieden van een veilige omgeving voor deze vrouwen staat voorop in het beleid van de NGO’s.
De EU financiert met EUR 1 miljoen per jaar twee Afghaanse NGO’s, «Medica Mondiale» en «Women for Afghan Women». Deze NGO beheert 4 blijf-van-mijn-lijf huizen. Ook Finland (EUR 95 000) en Zweden (EUR 100 000) steunen «Women for Afghan Women» financieel. Duitsland verleent financiële steun (EUR 130 000) aan het «Cooperation Center for Afghanistan». Denemarken financiert via het «Elimination of Violence Against Women Special Fund» van UNIFEM een aantal NGO’s dat lijf-van-mijn-lijf huizen beheert. Nederland steunt, zoals bekend, UNIFEM met een bijdrage van EUR 2 miljoen ten behoeve van de bestrijding van geweld tegen vrouwen in Afghanistan.
Nederland onderhoudt nauw contact met diverse Afghaanse vrouwenorganisaties. Mocht via deze organisaties een beroep op Nederland gedaan worden voor ondersteuning dan zullen de mogelijkheden hiertoe serieus worden onderzocht.
Het koppelen van ontwikkelingsmiddelen aan politieke en militaire doelen |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
|
|
![]() |
Kent u het rapport «Whose Aid is it Anyway»?1
Deelt u de conclusie uit het rapport dat ontwikkelingssamenwerking steeds vaker ten dienste staat van politieke en militaire agenda’s? Is deze conclusie volgens u ook van toepassing op het Nederlandse beleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Klopt de stelling dat een land als Irak twaalf keer zoveel ontwikkelingsmiddelen krijgt als een land als Congo? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de doelstelling van het beleid armoede te bestrijden en zelfredzaamheid te bevorderen?
Hoe beoordeelt u de stelling uit het rapport dat de effectiviteit van ontwikkelingsmiddelen minder wordt als deze gekoppeld zijn aan politieke en militaire doelen?
Kunt u ingaan op de aanbevelingen uit het rapport die aan donoren worden gedaan, en daarbij ingaan op de vraag hoe deze zich verhouden tot het Nederlandse ontwikkelingsbeleid?
Het openstellen van data |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
![]() |
Bent u bekend met het onlangs openstellen van data door het Britse DFID (Department for International Development) volgens de standaard van het International Aid Transparency Initiative (IATA)?1
Ja
Klopt het dat Nederland lid is van de stuurgroep van IATA en dat de stuurgroep op 9 februari 2011 afspraken heeft gemaakt over de implementatie van deze standaard voor het openstellen van data?
Ja
Hoe beoordeelt Nederland de standaard zoals die is gebruikt door het DFID?
Nederland beoordeelt deze internationaal overeengekomen standaard positief. Het beschikbaar stellen en toegankelijk maken van OS-gegevens stelt overheden in partnerlanden in staat om beter te plannen en te sturen. Ook stelt het de bevolking in ontwikkelingslanden in staat kennis te nemen van de ontvangen hulp zodat de eigen regering hierop aangesproken kan worden. In donorlanden kan het publiek zicht krijgen op de besteding van de gelden. Transparantie komt de effectiviteit en kwaliteit van onze inspanningen ten goede. Zoals ook door uw Kamer tijdens het wetgevingsoverleg en de begrotingsbehandeling Buitenlandse Zaken in december 2010 is benadrukt, hecht ik hieraan bij de uitvoering van mijn beleid.
Wanneer kan Nederland een serieuze start maken met de implementatie van de IATA standaard voor het openstellen van ontwikkelingsdata?
Feitelijk heeft Nederland reeds een eerste stap gezet in de implementatie van de IATI standaard. De internationale onderhandelingen over de te hanteren standaard zijn afgerond. We kunnen nu een start maken met de implementatie van de IATI standaard. Hiertoe zullen allereerst de technische en organisatorische consequenties van de IATI standaard in kaart worden gebracht.
Op welke termijn is Nederland voor wat betreft het openstellen van data op het gebied van ontwikkelingssamenwerking op een vergelijkbaar niveau als het DFID?
Zo snel mogelijk. Dit is afhankelijk van bovengenoemde technische en organisatorische consequenties. Hierover zal ik u meer helderheid verschaffen in de Voorjaarsnota.
Bent u in staat om deze data volgens de IATA standaard open te stellen voorafgaand aan het Fourth High Level Forum in Busan van 29 november 2011? Zo nee, waarom niet?
Nederland zal alles in het werk stellen om voor de 4e High Level Forum in Busan van 29 november 2011 een substantieel deel van onze OS-gegevens open te stellen.
Het enorme corruptieschandaal bij het Global Health Fund |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Fraude kwelt Global Health Fund»?1
Ja, ik ben bekend met deze berichten over het Global Fund to fight Aids, Tuberculosis and Malaria (GFATM).
Is het waar dat 67 procent van het door het Global Health Fund aan een anti-aids programma in Mauritanië ter beschikking gestelde geld via vervalste documenten en andere fraudepraktijken verdwenen is?
De totale ondersteuning van GFATM aan Mauritanië bedraagt US$ 16,5 miljoen. De Inspecteur Generaal van GFATM heeft diepgaand onderzoek ingesteld omdat bij controles problemen bleken te bestaan bij uitgaven in bepaalde categorieën. Het ging hier om een totaal bedrag van US$ 9,6 miljoen, waarvan US$ 6,7 miljoen (67%) door de Inspecteur Generaal als onrechtmatig zijn beoordeeld. Dit houdt in dat uitgaven waren gebaseerd op vervalste documenten, dat uitgaven onvoldoende met documenten waren gestaafd of dat fondsen waren uitgegeven aan activiteiten die niet in het goedgekeurde werkplan waren opgenomen.
Is het waar dat 36 procent van het geld voor een programma voor tuberculose- en malariabestrijding in Mali, alsook 30 procent van de subsidies verstrekt aan Djibouti verspild zijn?
Van de totale ondersteuning van US$ 57,5 miljoen in Mali is inmiddels US$ 11 miljoen onderzocht door de Inspecteur Generaal, omdat ook hier bij controles problemen bleken te bestaan. Het gaat in Mali met name om declaraties op basis van vervalste documenten voor trainingsactiviteiten. De Inspecteur Generaal beschouwt dat US$ 4,3 miljoen onrechtmatig is uitgegeven (36%). In Djibouti bleek bij onderzoek door de Inspecteur Generaal dat bij US$ 5,2 miljoen van de totale bijdrage van US$ 18,4 miljoen (30%) uitgaven onvoldoende gedocumenteerd, en dus onrechtmatig, waren.
Is het waar dat Nederland in de periode 2008–2010 maar liefst 200 miljoen euro aan het Global Health Fund heeft bijgedragen?
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland geen cent meer aan het Global Health Fund ter beschikking moet stellen? Zo nee, waarom niet?
Allereerst wil ik benadrukken dat voor mij fraude en corruptie onacceptabel zijn. De zorgvuldige besteding van belastinggeld heeft mijn hoogste prioriteit en ik ben dan ook geschrokken van de berichten over misbruik van fondsen die door GFATM aan landen beschikbaar zijn gesteld. Dergelijke vormen van misbruik kunnen we niet tolereren.
GFATM heeft een «zero tolerance» beleid als het gaat om fraude en corruptie. Om zorgvuldig gebruik van fondsen te bewaken heeft de organisatie een onafhankelijke Inspecteur Generaal aangesteld. Deze voert diepgaande onderzoeken uit als uit de normale controle mechanismen, dan wel op basis van meldingen van klokkenluiders, aanwijzingen voor problemen naar voren komen. Ook voert de Inspecteur Generaal op eigen initiatief onderzoeken uit in landen, waarbij hij prioriteit geeft aan landen waar de corruptierisico’s als hoog worden ingeschat (bijvoorbeeld op basis van informatie van Transparency International) en landen die grote hoeveelheden fondsen hebben ontvangen. Als uit deze onderzoeken blijkt dat er aanwijzingen zijn voor onrechtmatige uitgaven, volgt ook hier een diepgaand onderzoek. Bij dergelijke onderzoeken gaat de stofkam door alle administratie en wordt bonnetje voor bonnetje gecontroleerd. Inmiddels heeft de Inspecteur Generaal uitgaven in 33 landen onderzocht met een totale omvang van US$ 3,5 miljard. De door u aangehaalde fraudegevallen zijn naar voren gekomen uit deze onderzoeken.
Als onrechtmatige uitgaven worden vastgesteld volgt vanzelfsprekend een respons. In samenwerking met nationale autoriteiten wordt strafrechtelijke vervolging ingezet, zo zijn inmiddels in Mali al vijftien personen die betrokken waren bij deze fraude gevangen gezet. Onrechtmatige uitgaven worden vanzelfsprekend teruggevorderd. Financiering wordt stopgezet en GFATM zoekt naar andere organisaties om de uitvoering van programma’s voort te zetten.
De Inspecteur Generaal rapporteert regelmatig over zijn bevindingen aan het bestuur, waarin Nederland vertegenwoordigd is. Het bestuur bespreekt deze bevindingen en de maatregelen die zijn getroffen. Deze maatregelen zijn niet alleen landenspecifiek, zoals hierboven beschreven, maar ook algemeen. De geconstateerde fraude met trainingsprogramma’s heeft bijvoorbeeld geleid tot een wereldwijde bevriezing van trainingsactiviteiten om betere controlemechanismen in te kunnen bouwen. Ook adviseert de inspecteur Generaal het GFATM secretariaat en het bestuur over aanpassingen in procedures om risico’s op fraude en corruptie te verkleinen. In 2010 zijn secretariaat en bestuur aan een ambitieus hervormingsprogramma begonnen dat er niet alleen op gericht is om GFATM beter te laten aansluiten bij processen op landenniveau maar ook om controlemechanismen verder te versterken. Ook deze maatregelen zijn gebaseerd op bevindingen en aanbevelingen van de Inspecteur Generaal.
Aangezien transparantie een kernbeginsel van GFATM is, zijn alle stukken, inclusief de rapporten van de Inspecteur Generaal, beschikbaar op de website. De berichten die de afgelopen dagen via Associated Press in de media zijn verschenen, zijn gebaseerd op informatie die beschikbaar is op de website van GFATM.
Wij hebben in het bestuur direct onze grote zorgen uitgesproken over de fraudegevallen die zijn ontdekt en hebben aangedrongen op een stevige reactie. Het GFATM heeft naar onze mening correct en kordaat gehandeld. Het GFATM houdt zich op strikte wijze bezig met corruptiebestrijding: actieve opsporing, onmiddellijke repercussies (waaronder strafrechtelijke vervolging en terugvordering van fondsen) en een hoge mate van transparantie. De functie van de Inspecteur Generaal heeft hierin een centrale rol.
Door geen cent meer aan GFATM te geven, zoals u suggereert, zou GFATM als het ware gestraft worden voor de actieve inzet om corruptie te bestrijden en haar transparantie hierover. Ik vind dat we daarmee een verkeerde boodschap afgeven. Vanzelfsprekend zullen we alle ontwikkelingen scherp blijven volgen en blijven aandringen op strikte controle mechanismen.
Overigens hecht ik er aan u te melden dat GFATM sinds de lancering in 2002 goede resultaten heeft bereikt. In December 2010 meldde het Fonds dat dankzij GFATM inmiddels 3 miljoen mensen worden behandeld met aidsremmers, dat 7,7 miljoen mensen zijn behandeld voor tuberculose en dat 130 miljoen bednetten zijn verspreid voor de preventie van malaria. Dankzij steun van GFATM zijn miljoenen voortijdige sterfgevallen voorkomen.
Het rapport 'Development without freedom' van Human Rights Watch |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
![]() |
Kunt u aangeven waarom de Development Assistance Group (DAG) een vervolgonderzoek heeft ingesteld naar de monitoringsmechanismen van verschillende ontwikkelingsprogramma’s in Ethiopië?
Het vervolgonderzoek van de multidonor Development Assistance Group (DAG) betreft een uitbreiding naar andere grote programma’s die door een consortium van donoren, waaronder Nederland, worden gefinancierd en die niet in het eerste onderzoek van de DAG zijn opgenomen.
Hierbij zal ook worden onderzocht of de al bestaande verantwoordingsmechanismen en waarborgen aangevuld kunnen worden met monitoringsinstrumenten uit andere grote programma’s. Daarnaast zal worden gekeken naar de mogelijkheden om de bestaande waarborgen onafhankelijker te maken.
Heeft dit vervolgonderzoek inmiddels plaatsgevonden? Zo ja, wat waren de conclusies van dit onderzoek? Zo nee, op welk moment zal dit onderzoek worden uitgevoerd en bent u bereid de conclusies van dit onderzoek aan de Tweede Kamer te sturen?
Het vervolgonderzoek bevindt zich nog in de ontwerpfase. Het vervolgonderzoek wordt zorgvuldig voorbereid en zal mogelijk pas eind 2011 gereed zijn.
Ik ben graag bereid de resultaten en de conclusies van dit onderzoek met de Tweede Kamer te delen.
Kunt u ingaan op de manier waarop afstemming plaatsvindt met andere donoren? Welke afspraken zijn gemaakt, zowel in EU-verband als binnen de Multidonor Development Assistance Group, waarin het rapport van Human Rights Watch (HRW) is besproken, zodat politisering van ontwikkelingsgeld wordt voorkomen?
Het vervolgonderzoek wordt in DAG-verband voorbereid en door de DAG-leden gefinancierd. Er vindt zowel in de ontwerpfase, waarin de Terms of Reference voor het onderzoek worden ontwikkeld, als in de uitvoeringsfase op het hoogste DAG-niveau van de «Heads of Agency» afstemming plaats.
De ambassadeurs van de Europese Unie zullen door de DAG op de hoogte worden gehouden van de voortgang van het onderzoek. De resultaten van het onderzoek zullen eveneens na afstemming met de EU-ambassadeurs worden gedeeld met de Ethiopische autoriteiten.
Kunt u aangeven of ook programma’s in andere landen kwetsbaar zijn voor de inzet van ontwikkelingsgeld voor politieke doelen? Zo ja, kunt u een overzicht geven van landen en programma’s die hierbij volgens u een vergroot risico lopen? Kunt u ook aangeven wat de inzet is in de verschillende landen om te voorkomen dat ontwikkelingsgelden verkeerd worden ingezet?
Uitgangspunt van de regering is te voorkomen dat ontwikkelingsgelden door de overheid van een (partner) land verkeerd worden ingezet. De mate waarin programma's in landen kwetsbaar zijn om ingezet te worden voor politieke doeleinden, hangt af van de situatie en is niet in zijn algemeenheid aan te geven. Wel wordt deze kwetsbaarheid voortdurend betrokken in de besluitvorming over de wijze waarop Nederland zijn bilaterale hulp inzet.
Ambassades in partnerlanden stellen ieder jaar een analyse op van de kwaliteit van het beleid en bestuur van deze partnerlanden. De uitkomsten van de analyses zijn bepalend voor de wijze waarop de Nederlandse hulp wordt vormgegeven. Afhankelijk van de uitkomsten van deze analyses en de risico’s die daaruit voortvloeien kan bijvoorbeeld worden besloten de overheid aan te spreken op verkeerd gebruik van de hulp, of maatregelen te nemen om de besteding van de hulp door de overheid nauw te volgen.
Daarnaast monitoren de ambassades gedurende het jaar de implementatie van het OS-programma, inclusief de multidonorprogramma’s waaraan Nederland deelneemt. Knelpunten, ook wanneer deze van politieke aard zijn, worden opgebracht in de dialoog met de overheid. De uitkomst daarvan kan bepalend zijn voor het vervolg van programma’s waar Nederland bij betrokken is.
De online campagne van Cordaid voor Zuid-Soedan |
|
Klaas Dijkhoff (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de online fondsenwervingscampagne van Cordaid voor de vluchtelingen in Zuid-Soedan, waarbij Cordaid mensen oproept de grafische reclame-uiting van de campagne op hun website te plaatsen, in ruil waarvoor de websitebeheerder, die de reclame-uiting op zijn website plaatst, het merendeel van het gedoneerde geld ontvangt?1
Ja, ik gaf al eerder aan in een reactie richting PowNews dat ik geschrokken ben over de informatievoorziening met betrekking tot de relatief hoge kosten voor deze specifieke actie.
Bent u bekend met de wijze waarop deze campagne wordt gefinancierd? In hoeverre wordt subsidiegeld gebruikt voor deze campagne?
Voor de financiering van deze online campagne wordt geen subsidie gebruikt die is verstrekt door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Alle door Cordaid gemaakte kosten voor fondsenwerving worden gefinancierd uit de middelen die Cordaid ophaalt op de particuliere fondsenmarkt, conform de regels van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF)-keurmerk.
Moet worden geconstateerd dat waarschijnlijk het overgrote deel van de opbrengst van deze actie gaat naar de personen die de betreffende reclame-uiting op hun website zetten en een kleiner deel naar een door Cordaid ingeschakeld reclamebureau?
Het is de verantwoordelijkheid van de Raad van Toezicht en de Directie van Cordaid om te bepalen welke wervingsacties gepast zijn, aangezien er geen overheidssubsidie gebruikt wordt. Cordaid heeft aangegeven lessen te trekken uit deze online campagne met zijn relatief hoge kosten en in de communicatie aan donateurs volledige transparantie na te streven en donateurs te informeren over de bestemming van hun giften en de kosten van fondsenwerving. Ik verwijs naar de website van Cordaid (www.cordaid.nl) waar zij een reactie geven op veelgestelde vragen betreffende de kosten van de advertentiecampagne. In hun reactie geven zij onder meer aan dat de algemene kosten van fondsenwerving van Cordaid binnen de door het CBF gestelde bovengrens van 25% voor fondsenwerving vallen. Zij verzekeren dat van de donatie van Euro 6,- voor Zuid-Soedan, Euro 0,84 aan kosten voor fondsenwerving wordt besteed.
Deelt u de mening dat door deze opzet slechts een klein percentage van het binnenkomende geld bij de vluchtelingen in Soedan terechtkomt en dat deze regeling strijdig is met het uitgangspunt (o.a. vanuit het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF)-keurmerk) dat hooguit 25 procent van het geld dat voor dergelijke goede doelen wordt binnengehaald, op mag gaan aan administratie, reclame e.d.? Welke consequenties zijn verbonden aan het niet naleven van de genoemde 25 procentnorm?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat dergelijke «klikacties» met relatief kleine donatiebedragen, bijvoorbeeld 6 euro, waarbij de kosten hoger kunnen zijn dan het gedoneerde bedrag, geen gepast middel zijn om geld op te halen voor goede doelen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat Cordaid, als «goed doel», haar naam niet dient te verbinden met een dergelijke hoog risico op verlies gevende actie en dat er geen gebruik gemaakt dient te worden van het door de overheid verkregen budget om dergelijke verliezen te dekken?
Zoals vermeld betreft het hier geen activiteit waarbij overheidssubsidie is gebruikt. De Raad van Toezicht en de Directie van Cordaid bepalen in dat geval waaraan de naam van de organisatie wordt verbonden.
ICCO en Electronic Intifada |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «ICCO negeert Rosenthal; zet omstreden beleid voort»?1
Ja.
Accepteert u de keiharde weigering van ICCO haar beleid van haat tegen Israel aan te passen?
Ik heb ICCO in het overleg van 13 januari een uiteenzetting gegeven van het Nederlands buitenlands beleid waarbij onder meer de intensivering van de relaties met Israël centraal staat. ICCO en vergelijkbare organisaties zullen er rekening mee moeten houden dat financiering van activiteiten zoals het oproepen tot boycots, het terugtrekken van investeringen en het afroepen van sancties tegen Israël, niet past binnen het Nederlandse regeringsbeleid. Conform de bepaling in de subsidiebeschikking ben ik hierover met ICCO in overleg getreden. Het ministerie zal de komende tijd de vinger aan de pols houden en zo nodig overgaan tot het geven van nadere aanwijzingen binnen het kader van de geldende subsidiebeschikking. Een en ander zal in ieder geval worden meegewogen bij de beoordeling van eventuele toekomstige subsidieverzoeken van ICCO, zo is te verstaan gegeven.
Acht u het nog langer te accepteren dat de Nederlandse belastingbetaler haat tegen Israel moet financieren?
Uiteraard zijn uitspraken – indien gedaan – die aanzetten tot haat jegens Israël onacceptabel en onverenigbaar met het Nederlandse beleid. Deze komen niet voor financiering door de overheid in aanmerking.
Deelt u de mening dat ICCO nu onmiddellijk helemaal van het subsidie-infuus dient te worden losgemaakt?
Daarvoor bestaat nu geen aanknopingspunt. Ik heb aangegeven dat bij de beoordeling van eventuele toekomstige subsidieaanvragen de opstelling van ICCO zal worden meegewogen.
Het UNEP/OCHA rapport over loodvergiftiging in Noord-Nigeria |
|
Frans Timmermans (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Lead Pollution and Poisoning Crisis» van de Joint UNEP/Ocha environment unit?1 Zo ja, wat is uw oordeel over dit rapport?
Ja. Het rapport is gebaseerd op de uitkomsten van een onderzoek dat is uitgevoerd op verzoek van het Nigeriaanse ministerie van Gezondheid. Het onderzoek, waaraan vier medewerkers van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) hebben deelgenomen, is door Nederland gefinancierd vanuit het humanitaire hulpbudget. De uitkomsten zijn zorgwekkend. Het is nu in de eerste plaats aan de Nigeriaanse autoriteiten om opvolging te geven aan de aanbevelingen in het rapport. Zo dient onder meer voorkomen te worden dat verwerking van erts plaatsvindt op gevoelige plaatsen, zoals in woonhuizen en bij waterbronnen. Ook dient de loodvervuiling in dorpen zo spoedig mogelijk opgeruimd te worden.
Deelt u de mening dat de wijze van delving van goud in Zamfara-state (Nigeria) onaanvaardbare gezondheids en milieurisico’s met zich meebrengt?
De in het rapport beschreven wijze van gouddelving brengt grote gezondheids- en milieurisico’s met zich mee. In het rapport worden aanbevelingen gedaan om deze risico’s te reduceren.
Deelt u de mening dat goud uitsluitend gedolven zou moeten worden op een wijze die geen schade aanbrengt aan mens en milieu? Zo ja, bent u bereid u daarvoor in te spannen? Zo nee, waarom niet?
In Zamfara-state gaat het om kleinschalige artisanale mijnbouw. Volgens de Nigeriaanse wet- en regelgeving is dit illegaal. Armoede en gebrek aan alternatieve werkgelegenheid zijn er mede de oorzaak van dat de lokale bevolking zich op de gouddelving heeft gestort. Ook de hoge goudprijs speelt hierbij een rol. Artisanale mijnbouwers hebben vaak niet de financiële middelen om over te gaan op delvingsmethoden die minder schadelijk zijn voor mens en milieu. De aanbevelingen in het UNEP/OCHA-rapport laten evenwel zien dat met relatief eenvoudige acties verbetering in de situatie kan worden gerealiseerd. De Nigeriaanse autoriteiten zullen hierbij het initiatief moeten nemen.
Zijn er op Europees niveau initiatieven die verduurzaming van gouddelving nastreven? Zo ja, welke? Op welke wijze is Nederland daarbij betrokken? Zo nee, bent u bereid zich in te zetten om zorg te dragen van verduurzaming van de internationale goudhandel analoog aan «green gold» initiatieven en de Kamer daarover te informeren? Zo ja, welke stappen gaat u daar in nemen en op welk termijn? Zo nee, waarom niet?
Nederland ondersteunt diverse initiatieven die gericht zijn op het verduurzamen en transparant maken van handelsketens in de mijnbouwsector. Zo ondersteunt Nederland het «Extractive Industries Transparency Initiative» (EITI), dat zich richt op transparantie in geldstromen die voortkomen uit grondstoffenwinning. Het EITI is inmiddels in Nigeria wettelijk verankerd en zorgt voor jaarlijkse audits van de afdrachten en inkomsten die uit olie- en gasproductie voortkomen.
Ook ondersteunt Nederland in enkele landen bestaande initiatieven op het gebied van de verduurzaming van kleinschalige artisanale mijnbouw, waaronder Green Gold. Dit is onder meer het geval in Colombia en Mongolië. Door de hogere prijs voor duurzaam goud is sprake van een beperkte nichemarkt. Naar mijn weten is er in Nigeria nog geen vergelijkbaar initiatief genomen. Het is in eerste instantie aan lokale actoren, inclusief het maatschappelijk middenveld, om een dergelijk initiatief in Nigeria op te zetten voor wat betreft de goudwinning.
In de aan uw Kamer toegezegde Grondstoffennotitie zal onder meer de Nederlandse inzet ten aanzien van de verduurzaming van grondstoffendelving nader worden uitgewerkt. Ook de Raw Materials Mededeling van de Europese Commissie, die begin februari 2011 wordt verwacht, zal naar verwachting aanknopingspunten bieden om delving van grondstoffen, inclusief goudwinning, te verduurzamen.
Zijn Europese bedrijven betrokken bij de goudhandel uit de Zamfare-state? Zo ja, welke? Welke van deze bedrijven zijn in Nederlandse handen? Zo nee, waar gaat het goud dan naar toe?
Voor zover de regering bekend zijn Europese bedrijven niet direct betrokken bij de goudhandel in Zamfara State. De Federatie Goud en Zilver (FGZ), waar de brancheorganisatie voor goud- en zilversmeden toe behoort, heeft desgevraagd aangegeven dat hun leden hun goud vooral verkrijgen via inzameling en recycling van gebruikt goud. Het goud dat wordt gebruikt voor beleggingen in de vorm van goudbaren betreft slechts een klein gedeelte van de goudmarkt in Nederland en wordt ingekocht op de termijnmarkten. FGZ heeft geen inzicht in de herkomst van het goud op de openbare markt.
Zoals eerder aangegeven is in Zamfara State sprake van kleinschalige artisanale mijnbouw. Gezien het feit dat het goud door individuele producenten via meerdere tussenpersonen wordt doorverkocht is het welhaast onmogelijk om uit te vinden waar het goud precies terechtkomt.
Heeft u zicht op de mate waarin de delving ontwrichtend is voor de lokale samenleving in Noord-Nigeria? Zo ja, kunt u ons daarover informeren? Zo nee, waarom niet?
Het in vraag 1 genoemde rapport geeft een duidelijk beeld van de negatieve gevolgen van de delving voor de lokale samenleving in Noord-Nigeria.