De afvalbergen die ontstaan door het verplaatsen van textielproducten vanuit Europa naar Ghana |
|
Kiki Hagen (D66) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de documentaire over kleding- en textielafval uit de docureeks «De prijsknaller»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Herkent u de problematiek die geschetst wordt in deze documentaire, namelijk dat vanuit Europa (en daarmee Nederland) jaarlijks miljoenen kilo’s textiel van lage kwaliteit worden geëxporteerd naar Ghana, waar het vervolgens op grote afvalbergen terechtkomt en ernstige milieuschade veroorzaakt?
Het is bekend dat er vanuit Europa textielstromen worden geëxporteerd naar onder meer Ghana.
Voor Nederlandse textielbedrijven die aangesloten zijn bij de VHT2 geldt dat kleding/textiel verkocht wordt aan vaste handelspartners, waarbij het textiel gesorteerd is op de specifieke wensen die deze handelspartners hebben. Dit zijn vaak verschillende landen in Europa en Afrika waar afspraken mee zijn gemaakt. Op deze wijze wordt voorkomen dat onverkoopbaar textiel en grote balen ongesorteerd textiel op de markt worden aangeboden.
Vanuit de Europese Unie is het wettelijk niet toegestaan om ongesorteerde goederen naar landen buiten de Europese Unie te sturen, dit is vastgelegd in de EVOA-wetgeving.3 In Nederland wordt dit gecontroleerd door de Inspectie Leefomgeving en Transport.
Gelet op de afspraken met vaste handelspartners in het buitenland en de EVOA-wetgeving, worden enkel gesorteerde textielstromen die zijn afgestemd op de vraag van de tweedehands markt, geëxporteerd. Buiten de Europese Unie zijn er echter verscheidene landen die dergelijke EVOA-wetgeving (of een equivalent) niet kennen. Het bovenstaande in overweging nemende is het niet heel aannemelijk dat het om textiel gaat dat uit Nederland is geëxporteerd naar Ghana.
Bent u het eens met de stelling dat dit probleem een resultaat is van het produceren van steeds laagwaardigere kleding die sneller wordt afgedankt en ook minder verkoopbaar is in andere landen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke oplossingen ziet u hiervoor?
De problematiek die wordt geschetst is herkenbaar. Een lagere kwaliteit van textiel en de enorme toename van productie en consumptie van textiel vormen een probleem voor het milieu. Textiel met een lage kwaliteit zal minder snel opnieuw gebruikt of verkocht worden. Daarbovenop leidt het lage percentage hergebruik van textiel tot een toename in textielafval. Dit zijn ook belangrijke aanleidingen geweest om het Beleidsprogramma circulair textiel 2020–2025 uit te brengen.4 Het onlangs uitgebrachte voorstel van de Europese Commissie voor een verordening betreffende ecologisch ontwerp voor duurzame producten (ecodesign) zal bovendien bindende en product specifieke eisen stellen om bijvoorbeeld de duurzaamheid, recyclebaarheid en herbruikbaarheid van textiel te verbeteren.
De branchevereniging voor de textielwinningsindustrie, de Vereniging Herwinning Textiel (VHT), heeft in een persbericht van oktober 2020 gesignaleerd dat de kwaliteit van het ingezameld textiel onder druk staat door fast fashion.5 Dit signaal wordt serieus genomen en hierover vinden gesprekken plaats met de VHT en andere ketenpartners.
Ten slotte is er een breed draagvlak bij belanghebbende partijen in de textielketen voor de introductie van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) voor textiel. Zij zien in dat de UPV textiel een belangrijke bijdrage levert aan de transitie naar een circulaire textielketen. Met de UPV worden producenten van textiel verantwoordelijk voor de inzameling, de recycling en het hergebruik van textiel dat wordt afgedankt.
Kunt u aangeven hoe groot de handelsstromen van oud textiel van Nederland naar Polen, en van Nederland direct naar Ghana en andere landen in West-Afrika zijn? Zo nee, waarom niet?
Er zijn geen cijfers over deze handelsstromen bekend bij de Nederlandse overheid. Nederlandse textielbedrijven zamelen kleding in en vervoeren deze kledingstukken naar een sorteerbedrijf. Na de inzameling wordt het afval en de vervuilde of kapotte kleding eruit gehaald, de kleding gesorteerd en voorbereid op een nieuwe bestemming. Wat opnieuw te dragen is wordt verkocht en hiermee wordt de levensduur van kleding verlengd.
Zoals hierboven is aangegeven (vraag 2) geldt voor Nederlandse textielbedrijven die aangesloten zijn bij de VHT6 dat hun kleding en textiel aan handelspartners wordt verkocht waarmee afspraken zijn gemaakt. Dit is gebaseerd op de specifieke wensen van de handelspartners en op basis daarvan wordt het textiel gesorteerd. Het gaat hierbij om verschillende landen in Afrika en Europa.
Kunt u toelichten welke stappen reeds zijn gezet om toenemende export van laagwaardig textiel naar West-Afrikaanse landen te voorkomen, en welke stappen zijn gezet om sociaaleconomische effecten en milieueffecten te voorkomen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is het vanuit de Europese Unie wettelijk niet toegestaan om ongesorteerde goederen naar landen buiten de Europese Unie te sturen.
Navraag bij de VHT leert dat er met haar leden in Nederland binnen de textielherwinningsindustrie een Certificeringsregeling afgesproken om de kwaliteitsstandaard te borgen. Door middel van de kwaliteitsstandaarden wordt er rekening gehouden met sociaaleconomische effecten en milieueffecten.
Ook laten Nederlandse inzamelaars, sorteerders en verwerkers van textiel door middel van de Certificeringsregeling zien dat ze voldoen aan de benodigde wetgeving en dat het sorteerproces zo is ingericht dat het aansluit bij de wereldwijde vraag naar tweedehands producten. Daarmee komt er vanuit de VHT zo min mogelijk textiel op de markt waar geen vraag naar is in andere landen. De VHT ziet erop toe dat de aangesloten sorteerders, recycleraars en verwerkers van textiel zich houden aan de afgesproken kwaliteitsstandaarden en de daarbij behorende transparantie.
Ontvangen landen als Ghana reeds een financiële bijdrage om deze afvalstroom te verwerken en milieuschade van deze afvalbergen te beperken? Zo nee, waarom niet?
Vanuit Nederland ontvangt Ghana geen financiële bijdrage om deze afvalstroom te verwerken en milieuschade van deze afvalbergen te beperken. Navraag leert dat momenteel de focus van de Nederlandse ambassade in Ghana op landbouw, water, handel en cacao ligt, en niet op kleding en textiel.
Kunt u toelichten hoe de Europese regelgeving rondom de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) kan helpen voorkomen dat een overvloed aan afgedankte kleding in het Oosten van Europa en vervolgens in West-Afrika of elders buiten Europa (zoals de woestijnen van Chili) terechtkomt?
Op dit moment bestaat er (nog) geen geharmoniseerde UPV voor textiel in EU-verband. Er komt wel een verplichting vanaf 2025 op basis van de Europese Kaderrichtlijn Afvalstoffen om textiel gescheiden in te zamelen binnen de Europese Unie.
De Europese Unie is van plan een geharmoniseerd UPV-instrument voor textiel in te voeren onder de herziening van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen in 2023. Nederland heeft hier actief voor gepleit – in samenspraak met andere lidstaten – en blijft dit ook doen in Europese fora, onder meer bij de Europese Commissie. Er is sprake van een Europese textielmarkt en de industrie is sterk met elkaar verweven. Een UPV op Europees niveau kan voor verdere standaardisatie zorgen om voor meer hergebruik en recycling van textiel te zorgen. Aangezien de invoering van een dergelijk systeem op Europees niveau nog geen tijdlijn kent en Nederland haar eigen, ambitieuze doelstellingen heeft vastgesteld om tot een volledig circulaire economie te komen in 2050, wordt de invoering op nationaal niveau doorgevoerd en komt er in 2023 UPV voor textiel in Nederland. Dit laat onverlet dat Nederland zich op Europees niveau blijft inzetten voor een circulaire textielketen en Europese initiatieven aanmoedigt en verwelkomt. Bovendien moet de UPV leiden tot een financiële prikkel bij bedrijven om (afgedankte) kleding niet te exporteren buiten Nederland, maar meer hergebruik in Nederland te bevorderen en hiermee de ontwikkeling van ongewenste textielophoping tegen te gaan.
Kunt u aangeven welke oplossingsrichtingen uit het rapport van KplusV sinds 2020 zijn geïmplementeerd om de negatieve impact van fast fashion te verminderen? Kunt u schetsen wat met de verschillende aanbevelingen is gedaan?2
De oplossingsrichtingen in het rapport van KplusV over fast fashion zijn grotendeels meegenomen bij de opstelling van het beleidsprogramma circulair textiel. Hierin is een mix van maatregelen opgenomen die op de productie-, retail, gebruiks- en afdankfase ingaan. Vanuit het beleidsprogramma wordt zo veel mogelijk ingezet op wet- en regelgeving en minder op vrijwillige afspraken, om zo meer impact te kunnen bereiken. Een belangrijke maatregel in het beleidsprogramma is de hierboven genoemde UPV voor textiel. Ook wordt bij de Europese Commissie gepleit voor strengere wet- en regelgeving op textiel, bijvoorbeeld op het gebied van producteisen en duurzaamheidslabels voor kleding.
Kunt u aangeven welke beleidsinterventies er in voorbereiding zijn om een verandering in consumentengedrag te bevorderen, of welke anderszins beperkende maatregelen van het aanbod van laagwaardige kleding er in voorbereiding zijn, aangezien het merendeel van het fashionaanbod momenteel bestaat uit fast-fashionproducten?
Onderdeel van mijn visie op een circulaire textielketen in 2050 is dat alle kleding die in de winkel hangt duurzaam en circulair is. Dit heeft prioriteit boven het beïnvloeden van consumentengedrag, omdat de keten in zijn geheel dan zo min mogelijk vervuilend is. Hier wordt bijvoorbeeld invulling gegeven door het aangekondigde, Europese voorstel voor een verordening betreffende ecologisch ontwerp voor duurzame producten. Naast inzet op een duurzame textielketen, is bewustwording bij consumenten ook belangrijk. Een verplicht duurzaamheidslabel bij nieuwe kleding, om de consument beter in staat te stellen een duurzame keuze te maken en bewust te maken van de impact van textiel, is daar een nuttig instrument voor. De Europese Commissie heeft aangekondigd als onderdeel van het aangekondigde productpaspoort verplichte duurzaamheidsinformatie aan een product te koppelen.
Daarnaast is in 2020 een gedragsonderzoek uitgevoerd op het gebied van kleding waarin kansrijke gedragsinterventies zijn geformuleerd.8 Vervolgens heeft er in het najaar van 2021 een campagne plaatsgevonden in Utrecht waarin consumenten zijn gestimuleerd om kennis te maken met het kopen van tweedehands kleding en zo minder nieuwe kleding te kopen. Deze campagne is geëvalueerd en zal dit jaar worden voortgezet en uitgebreid. In deze campagne worden mensen voorgelicht over waarom het aanschaffen van tweedehands kleding beter is voor het milieu.
Bent u bereid het probleem van groeiende afvalbergen in West-Afrikaanse landen door de export van laagwaardige kleding uit Europa, aan te kaarten in Europa? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen en hoe houdt u de Kamer op de hoogte?
Op 30 maart jongstleden is de Europese textielstrategie gelanceerd. Ik verwelkom deze strategie, die veel punten reflecteert die Nederland eerder in Europees verband heeft opgebracht. De kamer zal via het gebruikelijke BNC fiche worden geïnformeerd over de Nederlandse positie ten aanzien van de strategie. Hierin staat het Nederlandse standpunt ten aanzien van de Europese textielstrategie en de inzet van Nederland in Europees verband.
In de Europese strategie komt naar voren dat de Europese Commissie oog heeft voor het internationale aspect van de textielketen en er ingezet wordt op zowel de sociale als groene transitie binnen de keten. In samenwerking met de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zal ik onderzoeken hoe het probleem rondom de groeiende afvalbergen in West-Afrikaanse landen naar aanleiding van de inzet in de Europese textielstrategie hoog op de agenda van de Europese Commissie kan blijven staan. Ik zal de Kamer hiervan op de hoogte houden in de voortgangsrapportage van het beleidsprogramma circulair textiel in het voorjaar van 2023, omdat dit de gelegenheid biedt om de vervolgstappen van de Europese Commissie rondom de Europese textielstrategie af te wachten en hierover het gesprek aan te gaan in Europees verband.
Ten slotte wordt er op Europees niveau ingezet op het belang van een langere levensduur van kledingstukken, onder meer door middel van het uitgebrachte voorstel door de Europese Commissie voor een verordening betreffende ecologisch ontwerp voor duurzame producten, dat ook op 30 maart jl. is uitgekomen. Ik zal blijven pleiten voor hergebruik, recyclemogelijkheden van textiel, evenals heldere informatie over stoffen die in textiel zijn verwerkt en het verminderen van de ecologische voetafdruk wereldwijd door de textielsector.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De transitie naar een circulaire economie en de definiëring van afval binnen de afvalwet- en regelgeving. |
|
Kiki Hagen (D66) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Ben u bekend met het artikel «Toekomst recycler Black Bear onzeker door definitiekwestie»?1
Ja.
Herkent u de problematiek die geschetst wordt in dit artikel, waarbij bedrijven die circulair willen opereren nog steeds te vaak vastlopen op wet- en regelgeving die hierop niet is ingericht, omdat er nog een niet-circulaire definitie van afval wordt gehanteerd? Ziet u deze problematiek ook terugkomen in andere sectoren, zoals de textielsector?
Het begrip «afvalstof» is gedefinieerd in de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen en is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Er is geen formeel besluit nodig om van een materiaal een afvalstof te maken of een product. Een materiaal is namelijk aan de hand van de definitie een afvalstof of niet. Desalniettemin komt de vraag of een materiaal een afvalstof is of een product vaak ter sprake in procedures waarin een bepaald besluit van een bevoegd gezag wel nodig is. Denk aan de verlening van een omgevingsvergunning. De houder – vaak een bedrijf – moet dus kunnen onderbouwen wat de status is van het materiaal. Dit sluit aan bij de eigen verantwoordelijkheid van een producent die een product in de handel wil brengen. De houder is primair verantwoordelijk voor het vergaren van het benodigde bewijs om de status van het materiaal te kunnen onderbouwen. Om deze beoordeling gedegen te kunnen uitvoeren, ondersteunt het ministerie bedrijven en bevoegde gezagen op verschillende manieren. Zo is er onder andere een helpdesk bij Rijkswaterstaat, is er uitgebreide schriftelijke uitleg over de begrippen «afvalstof», «bijproduct» en «einde-afvalstatus» in de vorm van een leidraad die regelmatig wordt geüpdatet en geeft Rijkswaterstaat ondersteuning door de beantwoording van vragen en het organiseren van informatiebijeenkomsten. Daarnaast wordt er gewerkt aan het opstellen van nationale einde-afvalcriteria voor specifieke materialen en handreikingen waarin uitleg over de afvalwet- en regelgeving wordt gegeven in een specifiek geval.
Uit de praktijk blijkt dat er in bepaalde gevallen nog onduidelijkheid bestaat over de uitleg en toepassing van het begrip «afvalstof». Een belangrijke reden hiervoor is dat de Europese wetgeving geen expliciete duiding geeft van de kern van de afvaldefinitie: het begrip «zich ontdoen». Er zijn geen signalen dat deze onduidelijkheid zich specifiek bij bepaalde sectoren, zoals de textielsector, voordoet.
De Europese Commissie is voornemens om de Kaderrichtlijn afvalstoffen, waarin de definitie van «afvalstof» is vastgelegd, in 2023 te herzien. Nederland wijst in het kader van dit traject bij de Commissie opnieuw op de onduidelijkheid rondom de huidige afvaldefinitie en dringt aan op een verduidelijking.
Bent u het eens met de stelling dat om tot een volledig circulaire economie te komen in 2050, er een nieuwe definitie van afval moet komen? Welke acties heeft u hiervoor reeds in gang gezet?
Het is niet zozeer een nieuwe afvaldefinitie die nodig is, maar met name een verduidelijking van de huidige definitie. Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 2, zet het kabinet zich in om op Europees niveau te pleiten voor deze verduidelijking.
Kunt u aangeven welke oplossingsrichtingen uit het rapport van de Taskforce Herijking Afvalstoffen sinds 2019 zijn geïmplementeerd om de verschillende belemmeringen die overheden en bedrijven ervaren om circulair te opereren op te lossen?2 Kunt u schetsen wat met de verschillende aanbevelingen is gedaan?
In het adviesrapport van de Taskforce Herijking Afvalstoffen werd onder andere aandacht gevraagd voor een verduidelijking van de afvaldefinitie en de experimenteerruimte voor de circulaire economie. Om die reden zijn er, zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 1 maart 2021, meerdere acties uitgezet die hierop focussen en waar momenteel hard aan wordt gewerkt.3 Zo worden meer ministeriële regelingen en handreikingen opgesteld om duidelijkheid te geven over de afvalwet- en regelgeving en de toepassing van de afvaldefinitie. Ook wordt ingezet op acties om experimenten voor de circulaire economie sneller van de grond te laten komen, zoals een mogelijke experimenteerbepaling en het verspreiden van kennis over experimenteerruimte. Daarnaast werkt het ministerie in het kader van het Bestuurlijk Omgevingsberaad samen met de decentrale overheden (IPO en VNG) en Omgevingsdienst NL aan een drietal acties die gericht zijn op verbeteringen in de uitvoering. Zo wordt er gedacht aan het inrichten van een overleggremium voor medewerkers van omgevingsdiensten waar lastige zaken met betrekking tot de beoordeling of een materiaal een afvalstof is of niet kunnen worden besproken. Hier zouden omgevingsdiensten op vrijwillige basis de (afval)status van een specifiek materiaal kunnen bespreken en desgewenst elkaars adviezen overnemen. Ook zal er een procedurebeschrijving komen die aan bedrijven, bevoegde gezagen en omgevingsdiensten duidelijkheid verschaft over de rollen en verantwoordelijkheden ten aanzien van de beoordeling. Op 8 november 2021 heeft de Kamer een brief ontvangen over diverse onderwerpen gerelateerd aan de circulaire economie, waaronder de stand van zaken van deze acties.4 U ontvangt binnenkort een Kamerbrief over de uitkomsten van de al afgeronde acties met de bijbehorende documenten conform toezegging.
Kunt u toelichten hoe praktijkvoorbeelden inzake de knelpunten die op verzoek zijn aangedragen door de fractie van D66 tijdens het commissiedebat d.d. 18 november 2021 zijn meegenomen?
De praktijkvoorbeelden beslaan een breed spectrum van onderwerpen en benoemen een aantal ervaren belemmeringen in de transitie naar een circulaire economie. Ik hecht waarde aan deze transitie en neem dergelijke signalen serieus. Er worden enkele zorgpunten aan de orde gesteld, zoals private certificering, wet- en regelgeving, maar ook de terughoudendheid van de markt ten aanzien van het gebruik van secundaire grondstoffen. Daar waar ik vanuit mijn bevoegdheid een rol heb, wordt actie ondernomen. Dit is bijvoorbeeld het geval met betrekking tot de voorbeelden over de einde-afvalstatus. Deze voorbeelden onderschrijven opnieuw de noodzaak tot een uitgebreide beschrijving van de procedure ter beoordeling van een materiaal als afvalstof of product. Zoals uit het antwoord op vraag 4 blijkt, wordt er aan deze beschrijving gewerkt.
Kunt u toelichten hoe u ervoor gaat zorgen dat bedrijven die overwegen om miljoenen euro’s te investeren in herwinning van een grondstof rechtszekerheid krijgen?
De houder is primair verantwoordelijk voor het vergaren van het benodigde bewijs om de (afval)status van het materiaal te kunnen onderbouwen. Bedrijven kunnen dus zelf aan de slag gaan om voldoende te onderbouwen dat hun materiaal een product is en geen afvalstof. Dit sluit aan bij de eigen verantwoordelijkheid van een producent die een product in de handel wil brengen. Om te ondersteunen in deze onderbouwing zijn tal van hulpmiddelen beschikbaar, zoals deels genoemd in mijn antwoord op vraag 2.
Hoewel er dus geen formeel besluit nodig is om van een materiaal een afvalstof te maken of een product, komt de vraag of een materiaal een afvalstof is of een product vaak ter sprake in procedures waarin een bepaald besluit wel nodig is. Denk aan de procedure voor een omgevingsvergunning milieu. Voor bedrijven kan de beoordeling op dat moment een grote rol gaan spelen omdat een ander wettelijk regime van toepassing is op (handelingen met) afvalstoffen dan het geval zou zijn als het een product betreft. De afvalwet- en regelgeving is bedoeld om de mens en het milieu te beschermen en stelt daarom bepaalde regels. De afvalwet- en regelgeving is immers een onmisbaar deel van de milieuwetgeving.
De bevoegdheid vanuit de afvalstoffenwet- en regelgeving om te beslissen op de bewijsvoering van bedrijven is gedecentraliseerd en ligt daarmee uitdrukkelijk niet bij de rijksoverheid (met uitzondering voor internationaal transport). In Nederland zijn de colleges van burgemeesters en wethouders of de gedeputeerde staten het bevoegde gezag in het kader van de vergunningverlening-, toezicht- en handhavingstaken. In de praktijk voeren de regionale omgevingsdiensten deze bevoegdheid uit in opdracht van de provincies en gemeenten. Bij import en export is de ILT bevoegd gezag. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU blijkt dat deze beoordeling per geval moet worden gemaakt, dus in het licht van de voor dat materiaal specifieke feiten en omstandigheden. Uit deze jurisprudentie en de afvalstoffendefinitie volgt namelijk dat het niet mogelijk is om materialen bij voorbaat van het begrip afvalstof uit te zonderen of uit te sluiten.
De bevoegdheid is dus decentraal belegd, maar zoals blijkt uit het antwoord op vraag 2 en 4 ondersteunt het ministerie het bevoegd gezag en wordt gewerkt aan de verduidelijking van de wet- en regelgeving en de procedures. De bescherming van mens en milieu is hierbij een harde randvoorwaarde.
Kunt u toelichten welke wet- en regelgeving er zal worden geïntroduceerd zodat afval dat reeds verwerkt is als grondstof niet alsnog een «red flag» krijgt?
De beoordeling of een materiaal een afvalstof is of een product vindt plaats aan de hand van de voor dat materiaal specifieke feiten en omstandigheden. Dit betekent dat een afvalstof die voor een bepaalde toepassing kan kwalificeren als een product, voor een geheel andere toepassing waar dit niet het geval is, wél een afvalstof blijft. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijke aanwezigheid van schadelijke stoffen in kunststoffen. Dit is voor de toepassing van kunststoffen in kinderspeelgoed veel strenger geregeld in de productwetgeving dan voor toepassing in een bermpaaltje. Materialen kunnen dus niet bij voorbaat van de afvalstoffendefinitie worden uitgezonderd. Een andere toepassing kan namelijk andere risico’s voor mens en milieu met zich meebrengen en vergt opnieuw een volwaardige afweging. Ook hierbij is de bescherming van mens en milieu een harde randvoorwaarde. Voor de stappen die gezet worden in de ondersteuning van bedrijven en bevoegde gezagen bij de beoordeling afvalstof of product, verwijs ik naar het antwoord op vragen 2 en 4.
Kunt u, gezien het feit dat circulaire ketens reiken tot over de landsgrens, aangeven welke Europese wetswijzigingen in voorbereiding zijn om te voorkomen dat afvalstoffen die opnieuw zijn verwerkt als grondstoffen alsnog een «red flag» krijgen?
Op Europees niveau bestaat de mogelijkheid om Europese einde-afvalverordeningen op te stellen. Momenteel bestaan er al drie, namelijk voor kringloopglas, koperschroot, en ijzer-, staal- en aluminiumschroot. Deze einde-afvalverordeningen zijn vergelijkbaar met de ministeriële regelingen die momenteel voor struviet en cellulose opgesteld worden, maar dan op Europees niveau. De verordeningen bevatten criteria om bepaalde afvalstoffen niet langer als een afvalstof aan te merken. De beoordeling afvalstof of product wordt zo makkelijker doordat deze criteria voor een specifiek materiaal juridisch bindend zijn vastgelegd.
De Europese Commissie is actief bezig om meer Europese einde-afvalverordeningen op te stellen. Dit jaar zal er een eerste voorstel komen voor een dergelijke verordening. Ik volg dit proces nauwgezet en lever waar het kan input.
Klopt het dat u voor de waterschappen reeds begonnen bent met voorbereidingen voor specifieke ministeriële regelingen om ervoor te zorgen dat struviet en cellulose niet meer worden aangemerkt als afval? Wanneer verwacht u deze regelingen gereed te hebben?
Dat klopt. Momenteel bevinden beide trajecten zich in de voorbereidende fase waarin samen met de Waterschappen wordt verkend welke stoffen en toepassingen onder de regeling kunnen vallen, en welke verdere informatie we nog van de Waterschappen verwachten. Het zorgvuldige proces om te komen tot de regelingen zal de nodige tijd vragen, juist omdat het hier gaat om generieke regelgeving waarin de bescherming van mens en milieu voldoende moet zijn gewaarborgd. Het opstellen van de regelingen zal minimaal tot eind 2023 duren. De benodigde tijd hangt onder andere af van mogelijke informatie die het ministerie nog moet ontvangen van de Waterschappen, de onderzoeken en het wetgevingstraject. Het is goed om te realiseren dat ook bij het bestaan van deze regelingen in de praktijk getoetst zal moeten worden of aan de gestelde voorwaarden in de regeling wordt voldaan.
Deelt u de mening dat, om de doelen voor een circulaire economie in 2050 te halen, niet alleen voor de grondstoffen struviet en cellulose een «einde-afvalstatus» nodig is, maar ook voor de zestien andere grondstoffen? Zo ja, op welke termijn gaat u dit realiseren?
Het ministerie wil meer en actiever ministeriële regelingen en handreiking gaan opstellen. De eerste twee regelingen waarmee is gestart betreffen materialen van de Energie- en Grondstoffenfabriek van de Waterschappen. Het opstellen van een regeling of handreiking vraagt zorgvuldigheid en kost daarmee de nodige tijd. Het opstarten van een volgend traject voor een ministeriële regeling is op dit moment nog niet aan de orde.
Het opstellen van een eerstvolgende, nieuwe regeling en/of handreiking zal te zijner tijd in ieder geval een weloverwogen keuze vragen ten aanzien van welk materiaal hiervoor potentieel interessant is. Deze keuze hangt af van bijvoorbeeld het volume van primair materiaal dat wordt vervangen, eventuele risico’s voor mens en milieu en de algemene bijdrage aan circulariteit. De Kamerbrief die u binnenkort ontvangt, zal hier nader op ingaan.
Ook al bestaat er voor een bepaald materiaal een regeling of handreiking, voor bedrijven blijft het betreffende bevoegde gezag het aanspreekpunt ten aanzien van de beoordeling afvalstof of product. Bij een regeling zal moeten worden nagegaan of aan de gestelde criteria wordt voldaan en bij een handreiking zal het bevoegd gezag aan de hand van de richtlijnen een beoordeling moeten doen in het specifieke geval. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat het beleid om de wet- en regelgeving aan te passen aan de circulaire economie op dit moment nog te sterk is gericht op individuele casussen met een per bron-grondstof-toepassing? Zo ja, welke specifieke stappen gaat u nemen om te komen tot een gestructureerde integrale aanpak om de wet- en regelgeving aan te passen aan onze ambitieuze circulaire-economiedoelstelling?
Zoals in het antwoord op vragen 6 en 7 aangegeven, blijkt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU dat de beoordeling of een materiaal een afvalstof is of een product per geval moet worden gemaakt, dus in het licht van de voor dat materiaal specifieke feiten en omstandigheden. De wet- en regelgeving met betrekking tot het afvalstoffenbeheer is immers gericht op de bescherming van de mens en het milieu. Overigens kan regelgeving breder toepasbaar zijn dan per specifiek geval, als dit verantwoord is in het licht van mogelijke risico’s voor de mens en het milieu. Een aanpassing van wet- en regelgeving vereist een zorgvuldig en gedegen proces, waarin alle betrokken belangen moeten worden mee- en afgewogen. Omdat innovatie een inherent onderdeel is van de transitie naar een circulaire economie komt het voor dat bedrijven die bepaalde materialen op een nieuwe manier willen toepassen geconfronteerd worden met onbekende gevolgen. Die gevolgen zullen we in beeld moeten hebben voor een veilige toepassing van een materiaal. Het is mijn inzet om de ervaren onduidelijkheid over wet- en regelgeving ten aanzien van afvalstoffenbeheer en de bijbehorende procedures zo veel mogelijk weg te nemen.
Kunt u toelichten op welke wijze reeds stappen zijn gezet om te komen tot een uitgebreide beschrijving van een procedure om afvalstoffen of producten te beoordelen? Wanneer verwacht u deze gereed te hebben?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Zwerfkapjes |
|
Eva van Esch (PvdD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Kuipers |
|
![]() |
Kent u de berichten «Zwerfvuil laat zien waar wel of niet een mondkapjesplicht is»1 en «Het mondkapje is het nieuwe plastic tasje. Hoe maak je ze afbreekbaar?»2?
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat het mondkapje tijdens de Landelijke Opschoondag afgelopen maart op nummer 7 stond van meest gevonden zwerfafval in Nederland en tijdens de World Cleanup Day afgelopen september op nummer 10 stond van meest gevonden zwerfafval in Nederland?
Alle zwerfafval is onwenselijk, dat geldt dus ook voor mondkapjes. Met de opkomst van corona worden mondkapjes vaker in het milieu gevonden. In de zwerfafvalmonitoring van Rijkswaterstaat wordt sinds mid-2020 ook corona-gerelateerd zwerfafval geregistreerd. Het merendeel van het corona-gerelateerd zwerfafval bestaat uit mondkapjes, terwijl handschoenen nog maar zelden worden gevonden. In figuur 1 is te zien welk aandeel corona-gerelateerd zwerfafval had in het totale zwerfafval (exclusief peuken en kauwgom) in 2020 en 2021. Over heel 2021 was dit gemiddeld 2,0%.
Dit bevestigt de bevindingen van de Landelijke Opschoondag en World Cleanup Day dat dit een aanzienlijke stroom in het zwerfafval is.
Figuur 1: aandeel mondkapjes en handschoenen in het zwerfafval (bron: RWS)
Voor hoeveel procent bestond het Nederlandse zwerfafval uit mondkapjes – de zogenaamde zwerfkapjes – in de verschillende fases van de coronacrisis? Kunt u hier een overzicht van verschaffen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ermee bekend dat er in 2020 wereldwijd naar schatting 1,6 miljard wegwerpmondkapjes in de oceanen belandden en dat mondkapjes samen met weggegooide plastic flessen en plastic zakken de grootste bedreiging zijn voor het milieu?
Ja, ik ben bekend met de schatting van de non-profitorganisatie OceansAsia, die wordt aangehaald in het artikel van het Financieel Dagblad.
Bent u zich bewust van de gevaren van mondkapjes in het zwerfafval, zoals: microplastics die in het milieu terechtkomen, dieren die erin verstrikt raken of ze binnenkrijgen en de eventuele besmetting die kan plaatsvinden wanneer mondkapjes worden opgeruimd?
Net als bij andere vormen van (plastic) zwerfafval kunnen mondkapjes afbreken tot microplastics en kunnen dieren hierin verstikt raken. Er zijn mij geen onderzoeken bekend naar besmettingen die kunnen plaatsvinden wanneer mondkapjes worden opgeruimd.
Professionals dragen bij het opruimen handschoenen of gebruiken een prikstok, of het opruimen gebeurt machinaal. Ook burgers rapen natuurlijk regelmatig zwerfafval op, hierbij kunnen ze ook een prikstok of handschoenen gebruiken, en moeten ze daarna goed de handen wassen.
Hebben de maatregelen die u tot nu toe heeft genomen om het probleem van mondkapjes in het zwerfafval tegen te gaan – voornamelijk gericht op voorlichting en communicatie – volgens u voldoende resultaat gehad? Zo ja, waar blijkt dit uit?
In Nederland gaan we uit van een brede aanpak van zwerfafval, waarbij verschillende partijen een rol spelen in het schoonmaken en schoonhouden van de openbare ruimte.
Het Ministerie van IenW zet daarbij primair in op preventie van zwerfafval, door maatregelen als statiegeld op flesjes en blikjes en de regelgeving voor wegwerpplastics en verder door middel van communicatie en voorlichting. Via communicatie van o.a. Milieu Centraal en de rijksoverheid zijn burgers (tot het advies kwam om uitsluitend medisch mondneusmasker type II of IIR te gebruiken) aangespoord herbruikbare mondkapjes te gebruiken en eenmalige mondkapjes in het restafval te gooien. Daarnaast ondersteunt IenW gebiedsbeheerders, zoals gemeenten, die verantwoordelijk zijn voor het schoonhouden van de gebieden die onder hun beheer vallen. Met een aantal van deze instrumenten is een bijdrage geleverd aan het tegengaan van het mondkapjesprobleem.
Het plaatsen van extra prullenbakken is een overweging die lokaal door de gebiedsbeheerder gemaakt moet worden.
Met de aankondiging op 15 maart jl. dat de mondkapjesplicht in het openbaar vervoer per 23 maart wordt afgeschaft, is de verwachting dat het aandeel mondkapjes in het zwerfafval weer zal afnemen.
Heeft u andere opties overwogen om mondkapjes in het zwerfafval tegen te gaan, zoals het plaatsen van prullenbakken op plekken waar mensen hun mondkapjes afdoen of inzetten op recycling? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u van plan de inkoop van recyclebare mondkapjes te stimuleren, door bijvoorbeeld een importheffing in te voeren op niet-recyclebare mondkapjes? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet van plan een importheffing in te voeren voor niet-recyclebare mondkapjes, omdat dit het zwerfafvalprobleem niet oplost: recyclebare mondkapjes kunnen net zo goed in het zwerfafval eindigen als niet-recyclebare mondkapjes.
Hoeveel verwacht u dat het percentage van mondkapjes die terechtkomen in het zwerfafval zal toenemen, doordat nu wordt aangeraden om medische mondkapjes te dragen en wordt afgeraden om herbruikbare stoffen mondkapjes te dragen?
Op 15 maart jl. heeft het kabinet besloten om per 23 maart de resterende maatregelen en adviezen te laten vervallen, met uitzondering van de basismaatregelen. Ook de mondkapjesplicht in het openbaar vervoer komt te vervallen. Wel blijft het kabinet mondkapjes op drukke plaatsen adviseren. Ook blijft het dragen van een mondkapje op de luchthaven na de security en in het vliegtuig verplicht. De verwachting is dat het percentage mondkapjes in het zwerfafval daalt doordat er naar verwachting minder mondkapjes gedragen zullen worden.
Heeft u bij het nemen van het besluit om het dragen van herbruikbare mondkapjes af te raden een integrale afweging gemaakt, waarbij niet alleen wordt gekeken naar gezondheid maar ook naar de maatschappelijke gevolgen? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, waarom niet?
Bij de besluitvorming over de invoering, verlenging of afschaling van maatregelen, laat het kabinet zich adviseren door het OMT en wordt gebruik gemaakt van het epidemiologisch beeld. Daarnaast houdt het kabinet rekening met het maatschappelijk beeld volgens de inzichten van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), reflecties op de maatregelen volgens de inzichten van het SCP en de Ministeries van Financiën, Economische Zaken en Klimaat en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de «Trojka»).
Bij het nemen van het besluit in januari 2022 om medische mondneusmaskers van minimaal type II te gaan adviseren, is het gezondheidsaspect leidend geweest. Omikron bleek zeer besmettelijk; besmettelijker dan de deltavariant, onder andere omdat het virus in het bovenste deel van je keel zit. Het OMT geeft in zijn 137e en 138e advies aan dat niet-medische mondkapjes, zoals gemaakt van stof, doorgaans niet zijn gestandaardiseerd, van wisselende kwaliteit zijn en dat het onzeker is of ze effectief zijn om besmetting tegen te gaan. Daarom gold het advies om een medisch mondneusmasker type II of IIR te gebruiken, want daarvan is de kwaliteit gegarandeerd. Een medisch mondneusmasker type II houdt minimaal 98 procent van de uitgeademde druppels met bacteriën en virusdeeltjes tegen.
Naast het gezondheidsaspect zijn ook juist de maatschappelijke gevolgen meegenomen in de besluitvorming: meer besmettingen betekent meer maatschappelijke ontwrichting omdat meer mensen ziek of besmet thuis komen te zitten. Daarom is het besluit genomen om medische mondneusmaskers te gaan adviseren met als doel minder besmettingen en minder maatschappelijke ontwrichting.
Welke opties zijn er voor herbruikbare medische mondkapjes? Gaat u hierop inzetten? Zo nee, waarom niet?
Beschermingsmiddelen bieden veiligheid aan zorgmedewerkers, patiënten en burgers, maar kunnen tegelijkertijd schadelijke milieu- en duurzaamheidseffecten hebben. Het kabinet hecht aan duurzaamheid en daartoe zijn meerdere initiatieven opgestart.
Zoals gemeld in de antwoorden op de Kamervragen van GroenLinks op 3 september 2021, werken overheid, zorgorganisaties en marktpartijen binnen de Green Deal Duurzame Zorg3 samen aan het vergroenen van de zorg om de grote milieudruk van de zorg te verminderen. Het bevorderen van circulair werken en tegengaan van (rest)afval is één van de onderdelen daarvan. Dit omvat ook het terugdringen van eenmalig gebruik van medische hulpmiddelen. Hierop lopen meerdere acties zoals bijvoorbeeld de Groene OK en Groene IC, het NEN-platform duurzaamheid en medische hulpmiddelen. Recycling is hierbij slechts één van de manieren om mondmaskers en medische hulpmiddelen te verduurzamen; het gaat bijvoorbeeld ook om minder transport, hergebruik en herbruikbare producten en schonere productie.
In de coronacrisis, toen de vraag naar persoonlijke beschermingsmiddelen explodeerde en het aanbod tekortschoot, is waardevolle ervaring opgedaan met de productie van beschermingsmiddelen in Nederland. Het kabinet is van mening dat productie dichtbij huis in Nederland of de EU in de toekomst zich kan onderscheiden door innovatie gericht op duurzaamheid. Het kan bij duurzame productie onder meer gaan om circulair gebruik van grondstoffen, schonere en innovatieve productietechnologieën, hergebruik van medische hulpmiddelen of verminderde CO2-uitstoot doordat een innovatief productieproces efficiënter is of vanwege het verminderen van transport in de keten.
Om duurzame productie dichtbij huis te stimuleren heeft de toenmalige Minister voor Medische Zorg en Sport samen met de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken eind 2020 twee innovatiecompetities, zogenaamde Small Business Innovation Researchs (SBIRs), uitgeschreven. Daarin worden ondernemers uitgedaagd om respectievelijk duurzame mondneusmaskers en duurzame isolatiejassen te ontwikkelen. Beide competities zijn op dit moment in volle gang, het Ministerie van VWS is benieuwd naar de uitkomsten. In mei 2022 zullen deze beschikbaar komen. De bedoeling is dat deze producten daarna hun weg in de zorg zullen vinden, waar ook steeds meer belang aan duurzaamheid wordt gehecht.
Ook verkent de Gezondheidsraad in opdracht van het Ministerie van VWS welke belemmeringen er zijn in de zorg bij duurzamer gebruik van medische hulpmiddelen en hoe het duurzaam gebruik kan worden bevorderd. Het advies wordt verwacht in het derde kwartaal van 2022.
Bent u bereid het besluit om geen herbruikbare mondkapjes meer toe te staan terug te draaien en het gebruik ervan te stimuleren?
Bij het gebruik van mondkapjes staat voorop dat deze voldoende moeten bijdragen aan het beperken van besmettingen. Alleen mondkapjes die aantoonbaar voldoen aan die eis worden geadviseerd om te gebruiken.
Het kabinet heeft op 15 maart jl. besloten om per 23 maart de mondkapjesplicht in het openbaar vervoer te laten vervallen. De verwachting is dat het percentage mondkapjes in het zwerfafval daalt doordat er minder mondkapjes gedragen zullen worden.
Is het u bekend dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) alarm heeft geslagen over de enorme hoeveelheid medisch afval die zich heeft opgehoopt tijdens de coronapandemie3? Wat wordt er gedaan om ander corona-gerelateerd medisch afval, zoals testkits, lege vaccinflesjes en injectienaalden, zoveel mogelijk te voorkomen?
Ja, ik ken dit signaal van de WHO. Het Ministerie van VWS gaat met veldpartijen (gebruikers, industrie, inspectie) in gesprek om te kijken welke maatregelen er mogelijk zijn om de afvalberg te beperken en of er mogelijkheden zijn om afval te hergebruiken in plaats van te verbranden.
De verwachting dat de productie van plastic rond 2040 zal zijn verdubbeld |
|
Eva van Esch (PvdD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het nieuwe rapport van het Wereld Natuur Fonds (WWF) over de schadelijke effecten van plasticvervuiling in onze oceaan1 2? Zo ja, wat is uw reactie?
Ja, het rapport is mij bekend. Ik deel de zorgen van het WWF over plastic in het milieu, daar hoort het niet thuis.
Wat is uw reactie op de conclusie in het rapport van het WWF dat de productie van plastic rond 2040 naar verwachting meer dan zal verdubbelen, waardoor het plastic afval in de oceaan tegen 2050 verviervoudigt?
Deze ontwikkeling dat plastic in zee verviervoudigt vind ik zorgelijk, want plastic hoort niet thuis in oceanen. Daarom zet dit kabinet zich in voor maatregelen om het onnodig gebruik van plastic te reduceren en om de kunststofketen te sluiten zodat deze in 2050 volledig circulair is.
Het voorkomen van plastic vervuiling is van groot belang om plastic afval in zee, maar ook op land en in rivieren tegen te gaan. Daarom neem ik hier verschillende maatregelen voor. Sinds vorig jaar zijn eenmalige kunststoffen rietjes, bordjes, bestek en wattenstaafjes verboden. Ook is er statiegeld ingevoerd op kleine plastic flesjes en zal statiegeld ook eind dit jaar voor blikjes worden ingevoerd. Binnenkort komen er ook aanvullende regels om een reductie in het gebruik van eenmalige kunststof drinkbekers en maaltijdverpakkingen te realiseren. Daarnaast worden producenten vanaf 2023 verplicht om mee te betalen aan de opruimkosten van het zwerfafval door de invoering van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor zwerfafval. Hierdoor hebben gebiedsbeheerders meer geld tot hun beschikking om zwerfafval op te ruimen.
Plasticvervuiling is niet alleen een Nederlands probleem, maar een wereldwijd probleem. Zoals vermeld in de Nederlandse Oceanennotitie zijn oceanen essentieel voor een leefbare aarde.3 Nederland heeft zich in 2015 met alle andere landen gecommitteerd aan VN duurzaamheidsdoel 2030 (SDG) 14 «Life below Water», dat zich richt op het behoud en duurzaam gebruik van de oceanen, zeeën, kustwateren en mariene hulpbronnen. Nederland is ook voorstander van een internationaal verdrag over plastic vervuiling en ondersteunt de totstandkoming daarvan. Verder zet Nederland zich internationaal in voor beperking van marien zwerfvuil in oceanen via ondersteuning van de Blue Deal, een programma gericht op de waterkwaliteit in rivieren in ontwikkelingslanden om zo de vervuiling op zee terug te dringen. Nederland is lid van het «Global Partnership on Marine Litter and Clean Seas» en de «Marine Litter Expert Group»onder de Arctische Raad. Ook maakt Nederland zich internationaal sterk voor een bronbenadering bij de aanpak van oceaanvervuiling.
Voor minder gebruik van plastic, meer hergebruik en meer recycling is ketensamenwerking belang. Daarom heeft mijn ministerie in het verleden ook het Plastic Pact NL en het Europees Plastic Pact (mede) tot stand gebracht en ondertekend.
Bent u zich ervan bewust dat de ecologische grenzen van microplasticconcentraties tegen het eind van deze eeuw zullen zijn overschreden en dat plasticvervuiling grote negatieve impact heeft op de natuur, dieren en mensen? Zo ja, wat gaat u extra doen om deze overschrijding te voorkomen?
Onderzoek naar de effecten van microplastics toont aan dat microplastics schadelijk kunnen zijn voor mens en milieu. Wat veilige grenswaarden voor de natuur, dieren en mensen zijn, moet nader worden onderzocht. Voor onderzoek naar gezondheidseffecten van microplastics stellen de Ministeries IenW en VWS een half miljoen euro beschikbaar voor de periode 2022–2024. Vanuit het voorzorgsprincipe is het tevens van belang om de toestroom van nieuwe plastics in het milieu te voorkomen.
Wat is uw reactie op het gegeven dat tot nu toe bekend is dat 2.141 diersoorten de gevolgen ondervinden van plastic in hun leefomgeving en er wordt geschat dat 90% van de zeevogels en 52% van de zeeschildpadden plastic binnen heeft gekregen? Wat gaat u extra doen om deze dieren te beschermen tegen de zeer schadelijke gevolgen?
Dat is een zorgelijke conclusie en onderstreept eens temeer mijn standpunt dat plastic afval niet in het milieu hoort. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt in maart 2022 de Mariene Strategie deel 3, KRM Programma van Maatregelen 2022–2027 vast. Dat is een bijlage bij het Programma Noordzee 2022–2027 en onderdeel van het Nationaal Waterprogramma 2022–2027. Daarin wordt een aanvullend maatregelenpakket opgenomen, onder meer voor het tegengaan van marien zwerfvuil op de Nederlandse Noordzee. Uw Kamer wordt hierover nog nader geïnformeerd.
Ook zet Nederland zich actief in voor het verder terugdringen van marien zwerfvuil in de Noordoost-Atlantische Oceaan binnen het Verdrag voor de bescherming van het mariene milieu van de Noordoost-Atlantische Oceaan (OSPAR). Binnen OSPAR en de EU zijn ook methoden ontwikkeld voor het meten van zwerfvuil op stranden, en van plastic deeltjes in de magen van Noordse stormvogels en in de magen van zeeschildpadden.
Monitoringsgegevens laten wel al zien dat zwerfvuil in de Nederlandse Noordzee afneemt. In de Mariene Strategie deel 1 (2018)4 werd een significante afname van plastics in de magen van aangespoelde stormvogels geconstateerd, evenals een significante afname van strandafval over de periode 2010–2015.
Wat is uw reactie op het bericht dat de mens plastic ademt, eet en drinkt, tot wel een creditkaart per week3? En wat gaat u extra doen om te voorkomen dat mensen plastic tot zich nemen?
Het kabinet neemt de signalen over mogelijke gezondheidsrisico’s van microplastics serieus en vindt het belangrijk om hier meer inzicht in te krijgen, zoals u ook kunt teruglezen in het antwoord op vraag drie.
Ofschoon de precieze reikwijdte en impact van microplastics nog nader onderzoek vergt, acht ik maatregelen tegen vervuiling door microplastics uit voorzorg noodzakelijk. Ik wil daarom de uitstoot van microplastics voorkomen en terugdringen en zet de acties voort uit het in 2018 gestarte beleidsprogramma microplastics.
Ziet u er de noodzaak van in om vergaande maatregelen te nemen om de productie en het gebruik van (wegwerp)plastic tegen te gaan? Ziet u de noodzaak tot een totaalverbod op wegwerpplastic? Zo ja, wanneer zou dit in kunnen gaan? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de implementatie van de Single-use plastic richtlijn (SUP-richtlijn) zijn verschillende kunststofproducten voor eenmalig gebruik verboden die veel in het zwerfafval terechtkomen. Een totaalverbod op wegwerpplastic is vooralsnog niet aan de orde. Wegwerpplastic kan een belangrijke functie hebben, bijvoorbeeld in de gezondheidszorg. Wel is het van belang om te onderzoeken op welke wijze noodzakelijk wegwerpplastic recyclebaar moet zijn.
Wat is uw ambitie met betrekking tot verdere reductie van plastic afval en plasticvervuiling in Nederland? Wat moet er volgens u beter?
Het kabinet zet zich in om kunststoffen in 2050 volledig herbruikbaar te laten zijn. Het doel is om het verbruik van abiotische grondstoffen in 2030 te halveren. Dit vergt een brede inspanning die eerder resulteerde in een verbod op eenmalige kunststoffen rietjes, bordjes, bestek en wattenstaafjes. Ook is statiegeld ingevoerd op kleine plastic flesjes en vanaf 31 december 2022 zal deze ook worden ingevoerd voor blikjes.
Momenteel werk ik aan een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor zwerfafval zodat producenten vanaf 2023 meebetalen aan de opruimkosten van het zwerfafval. Daarnaast zijn regels in de maak voor hergebruik van kunststof drinkbekers en maaltijdverpakkingen.
Bent u het eens met de conclusie uit dit rapport dat meer producentenverantwoordelijkheid en een overheid die daadwerkelijk ingrijpt, noodzakelijk zijn om verdere plasticvervuiling te voorkomen?
Ja, het via wet- en regelgeving verantwoordelijk stellen van producenten is een belangrijke pijler van het Nederlandse plasticbeleid.
Hoe gaat Nederland «koploper worden» met betrekking tot de circulaire economie? Welke beleidsinterventies, wet- en regelgeving stelt u voor, zoals een algeheel verbod op wegwerpplastics, het hoofdzakelijk inzetten op hergebruik en het uitbreiden van statiegeld?
Nederland behoort tot de Europese koplopers op het gebied van circulaire economie. Dat vertaalt zich ook in de resultaten die we behalen op het gebied van circulair plastic. Zo wordt de EU-doelstelling om 50% van de plastic verpakkingen in 2025 te recyclen in Nederland reeds behaald. Ook de verplichtingen uit de SUP-richtlijn om in 2025 77% van de plastic flessen gescheiden in te zamelen en in plastic flessen 25% recyclaat toe te passen, worden als gevolg van de wettelijk statiegeldverplichting, naar verwachting ruim voor 2025 bereikt.
De bestaande producentenverantwoordelijkheid voor plastic verpakkingen wordt met ingang van 2023 verbreed, dan worden producenten ook verantwoordelijk voor het plastic afval afkomstig van bedrijven en het organiseren van een statiegeldsysteem voor blikjes. In het kader van de SUP-richtlijn wordt het gebruik van plastic wegwerpbeker en -maaltijdverpakkingen bij consumptie ter plaatse verboden en worden deze bij «on the go» consumptie beprijsd. Hiermee zetten we een belangrijke stap in het bevorderen van hergebruiksystemen. Tevens gaan producenten de kosten voor het opruimen van zwerfafval betalen.
Wat is uw reactie op de nieuwe vooruitstrevende regelgeving die Frankrijk onlangs heeft ingevoerd? Hoe staat u tegenover het niet meer in plastic verpakken van groente en fruit en het toepassen van refill-systemen in de supermarkt?
Ik heb aan Recycling Netwerk BeNeLux gevraagd een verkenning uit te voeren naar de afwegingen die spelen bij het met plastic verpakken van groente en fruit, met Frankrijk als voorbeeld. Ik verwacht de resultaten in april en zal deze met uw Kamer delen.
Hoe staat u tegenover een belasting op virgin plastics? Bent u bereid om met een wetsvoorstel te komen om een belasting op polymeren in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Het vorige kabinet heeft in 2021 onderzoek laten verrichten naar mogelijkheden voor het invoeren van een belasting op plastics.6 Hieruit is gebleken dat er verschillende varianten mogelijk zijn om een belasting op plastics in te voeren. Volgens de onderzoekers is daarbij een belasting op polymeren het meest eenvoudig vorm te geven. Daarnaast zijn er andere mogelijkheden om het niet-energetisch gebruik van fossiele grondstoffen te belasten. Voor beide opties is nader onderzoek nodig naar varianten, alternatieven en de bijbehorende effecten. Zoals verschillende onderzoeken aangeven kan een prijsprikkel, mits goed vormgegeven, een remmend effect hebben op de vraag naar virgin plastics. Zoals ik heb aangegeven in het hoofdlijnendebat Infrastructuur en Waterstaat zal ik hierover in overleg gaan met de collega’s van EZK en Financiën en de Kamer hierover na de zomer informeren.
Bij wie legt u de verantwoordelijkheid voor het tegengaan van de plasticcrisis, bij de overheid, producenten of bij de consument?
Het terugdringen van plasticvervuiling is een gedeelde verantwoordelijkheid van producenten, overheden en consumenten.
Gaat Nederland zich tijdens de top van het VN-Milieuprogramma in Nairobi hard maken voor een bindend VN-verdrag tegen plasticvervuiling?
Ja, Nederland heeft zich samen met de EU en andere landen ervoor sterk gemaakt dat er een internationaal onderhandelingscomité zal worden ingesteld om te komen tot een juridisch bindende overeenkomst voor de aanpak van mondiale plastic vervuiling. UNEA 5.2 heeft de resolutie waar een mandaat wordt verleend
aan een intergouvernementeel onderhandelingscomité aangenomen. Hierdoor zullen in 2022 de onderhandelingen starten voor een mondiaal verdrag voor het tegengaan van vervuiling door plastics in het milieu.
Het niet opruimen van drugsafval |
|
Eva van Esch (PvdD), Mirjam Bikker (CU) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Kent u het bericht «Grootste drugsdumping ooit in Brabants natuurgebied blijft liggen»?1
Ja. Het artikel betreft een drugsput op de Brabantse Wal, waar chemicaliën afkomstig van synthetische drugsproductie werden geloosd in de bodem. Dit is een nieuw aangetroffen methode van drugsdumpingen door criminelen.
Hoe is het mogelijk dat tien maanden na de ontdekking het drugsafval nog niet is opgeruimd?
De verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de risico’s voor mens en milieu in een dergelijke situatie ligt bij het bevoegd gezag op grond van de Wet bodembescherming (Wbb). Dit is in dit geval de provincie Noord-Brabant. Er is navraag gedaan bij de provincie Noord-Brabant. Deze provincie heeft aangegeven dat spoedig na de ontdekking op 24 maart 2021 een gedeelte van de put gesaneerd is door terreineigenaar Brabants Landschap, waarbij de grootste lading aan verontreinigde stoffen is weggenomen. De provincie wil dat ook de resterende bodemsanering zo spoedig en zorgvuldig mogelijk wordt uitgevoerd. Dit is echter complex, vanwege gebiedspecifieke kenmerken, zoals de ligging op een heuvel in bosgebied, de diepte van de verontreiniging, bereikbaarheid voor het benodigde materieel en de onzekere omvang. In het kader van de aanpak van de resterende sanering wordt momenteel nader onderzoek gedaan en vindt overleg plaats tussen de provincies Noord-Brabant, Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) en de terreineigenaar Brabants Landschap.
Hoeveel minder kuub grond zou er vervuild zijn wanneer de opruiming tien maanden eerder was gestart?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gevaarlijk is de drugsdumping voor het drinkwater dat in de omgeving wordt gewonnen? Waarom is er niet eerder werk gemaakt van opruiming van het afval? Is dat omwille van gevaar voor de volksgezondheid?
Dumpingen en lozingen van drugsafval kunnen een bedreiging vormen voor drinkwaterbronnen – zowel bij oppervlaktewater als bij grondwater. Een grondwaterwinning is kwetsbaar als er ondiep grondwater wordt gewonnen dat niet beschermd wordt door een ondoorlatende deklaag. Ook is relevant of het grondwater richting de drinkwaterwinning stroomt of juist daarvan weg. De drinkwaterbedrijven monitoren de kwaliteit van de drinkwaterbronnen goed. Zodra daar verontreinigingen in worden aangetroffen, wordt de inname uit die bron onmiddellijk gestopt. Van een direct gevaar voor de volksgezondheid is daarom geen sprake. Ook preventief wordt gekeken naar welke verontreinigingen op termijn een bedreiging zouden kunnen vormen, zodat tijdig passende maatregelen kunnen worden getroffen.
Met betrekking tot de beantwoording van de vraag waarom niet eerder werk is gemaakt van opruiming van het afval verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Wat zijn de gevolgen van de vervuiling voor het bodemleven en de flora en fauna? Is hier onderzoek naar gedaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de uitkomsten?
De provincie Noord-Brabant heeft laten weten dat de gevolgen van de vervuiling voor het bodemleven en de flora en fauna ook onderwerp van het onderzoek en gesprek is tussen genoemde partijen in het kader van de aanpak van de resterende verontreiniging.
Klopt het dat de kosten van sanering worden verhaald op de grondeigenaar, het Brabants Landschap? Zo ja, klopt het ook dat wanneer een grondeigenaar niets te verwijten valt, de kosten niet voor rekening van de grondeigenaar behoren te zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u in dit geval aangeven waarom de grondeigenaar, het Brabants Landschap, wel verantwoordelijk wordt gehouden voor de kosten van de sanering?
De provincie heeft laten weten dat gekeken wordt naar een oplossing in het kader van de resterende sanering. Daarbij wordt tevens juridisch geanalyseerd wie verantwoordelijk is voor de resterende sanering.
Aangezien de provincie bevoegd gezag is, kan ik hierover geen uitspraken doen.
Vindt u het terecht dat de kosten van een sanering verhaald worden op een nietsvermoedende grondeigenaar? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Is een speciaal schadefonds waarvan de maximale vergoeding 25.000 euro per dumping is, niet veel te weinig? Hoe kan ervoor worden gezorgd dat grondeigenaren niet een te groot gedeelte van de saneringskosten voor eigen rekening moeten nemen?
Vanaf 2019 kunnen particulieren 100% van de kosten vergoed krijgen en gemeenten 50%, beide inderdaad tot een maximum van € 25.000. BIJ12, als uitvoeringsorganisatie van het Interprovinciaal Overleg, voert deze Regeling uit. Voor het merendeel van de drugsdumpingen voldoet deze Regeling. Recent zijn er echter enkele grootschalige drugslozingen geweest, zoals deze in het natuurgebied Brabantse Wal, waarbij de saneringskosten de maximale vergoeding van € 25.000 ruim overschrijden. Ik ben hier – samen met de Minister van Justitie en Veiligheid – over in gesprek met de provincie Noord-Brabant en het Interprovinciaal Overleg. De Minister van Justitie en Veiligheid zal uw Kamer namens ons beiden informeren over de uitkomsten daarvan.
Wat vindt u ervan om een centraal schadefonds op te richten voor het verhalen van natuurschade veroorzaakt door criminelen, die niet op die criminelen verhaald kan worden?
Zie antwoord vraag 8.
Hoeveel drugsdumpingen zijn er vastgesteld per jaar in de afgelopen vijf jaar?
Uit cijfers van de politie blijkt dat het aantal drugsdumpingen 206 in 2017, 292 in 2018, 191 in 2019 en 178 in 2020 betrof. De voorlopige cijfers laten zien dat het in 2021 om 206 dumpingen gaat. Het is van belang hierbij op te merken dat dumpingen onderling enorm verschillen in aard en omvang. Al deze dumpingen tellen in dezelfde mate mee in bovenstaande cijfers.
In de registratie is niet altijd helder of het gaat om een dumping met chemisch afval afkomstig van synthetische drugsproductie of dat het «regulier» chemisch afval betreft. Om dit sluitend vast te stellen moeten de aangetroffen stoffen bemonsterd en geanalyseerd worden. De capaciteit van de hiervoor noodzakelijke Forensische Opsporing geschiedt onder het gezag van de Officier van Justitie en is beperkt. Daarom maakt de politie doorgaans op basis van de beschikbare informatie, en rekening houdend met alle feiten en omstandigheden van het specifieke geval, een inschatting of het om drugsafval gaat. Dit betekent dat de mate waarin informatie beschikbaar is per dumping varieert.
Omdat deze informatie dus geen compleet beeld van aard, ernst en omvang van drugsdumpingen geeft, is het lastig om objectiveerbare conclusies te trekken.
Hoe wordt er duidelijk zicht gehouden op nieuwe werkwijzen die drugscriminelen hanteren om drugsafval te lozen, zoals meer dumpingen rechtstreeks in natuurgebieden in plaats van in vaten?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u aangeven op hoeveel plekken in Nederland er nog drugsafval ligt dat niet is opgeruimd? Om hoeveel afval gaat het en hoeveel kuub grond is hierdoor vervuild?
Nee. De politie houdt bij hoeveel drugsdumpingen in Nederland plaatsvinden (zie hiervoor mijn antwoord op vraag 10). Het opruimen van het afval is een verantwoordelijkheid van de lokale en regionale overheden, daar heb ik geen zicht op.
Bent u het ermee eens dat afval zo spoedig mogelijk moet worden opgeruimd in het algemeen belang van mens en natuur? Zo nee, waarom niet?
Het is in het belang van mens en natuur dat de risico’s voor mensen en milieu, die kunnen optreden door het dumpen en lozen van drugsafval, zoveel mogelijk worden beperkt. Het is aan het bevoegd gezag om hier op een goede manier invulling aan te geven.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat zo spoedig mogelijk gestart kan worden met de sanering van het Brabants Landschap?
Zoals in het antwoord op vraag 2 en 3 aangegeven is het aan het bevoegd gezag ter plaatse, in dit geval de provincie Noord-Brabant, om de risico’s voor mens en milieu te beoordelen. Door de provincie is aangegeven dat een gedeelte van de put al is gesaneerd door terreineigenaar Brabants Landschap en dat nader onderzoek en overleg plaatsvindt in het kader van de uitvoering van de resterende sanering.
Waarom heeft u meegewerkt aan de uitzending van de Hofbar op 2 februari over de afvalwaterinjectie terwijl u zelf de vragen nog moet beantwoorden over deze kwestie en zelf om uitstel gevraagd heeft?
Een medium had een verzoek ingediend om enkele vragen te stellen over de productiewaterinjectie. Om redenen van transparantie richting een breed publiek, proberen bewindspersonen zoveel mogelijk te voldoen aan dit soort verzoeken, dus ook in dit geval. Uw Kamer is per brief1op 27 januari 2022 geïnformeerd dat de Kamervragen uiterlijk 7 februari 2022 naar uw Kamer worden gestuurd.
Waarom heeft u niet onmiddellijk de Kamer geinformeerd, die op dit dossier al wekenlang om opheldering vraagt?
In het interview met dhr. Castricum heb ik slechts herhaald wat mijn voorganger in uw Kamer heeft gezegd bij de behandeling van de motie. Ik informeer uw Kamer heden middels een brief naar aanleiding van de motie-Mulder c.s.
Wie heeft besloten tot stillegging en op welk moment, aangezien u in de uitzending beweerde dat u de afvalwaterinjectie had stilgelegd vanwege een te hoge hoeveelheid tolueen?
Staatstoezicht op de Mijnen, die onafhankelijk handelt vanuit een door mij gegeven mandaat, heeft aan NAM laten weten dat men voor 1 januari 2022 maatregelen moest treffen tegen het te hoge tolueengehalte in het productiewater. NAM heeft eind december 2021 besloten om de waterinjectie stil te leggen om de noodzakelijke aanpassingen in installatie te doen.
Waarom publiceerde u (het ministerie) een «milieuneutrale» wijziging van de vergunning van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) voor afvalwaterinjecties, waardoor benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xylenen in een groep gezet werden, waardoor er effectief veel meer tolueen in het afvalwater mag zitten? Deelt u de mening dat de term «milieuneutraal» volstrekt misleidend was?
Bij het indienen van een vergunningsaanvraag in het digitale loket bepaalt de aanvrager voor welke activiteit de vergunning wordt gevraagd. NAM heeft in dit specifieke geval conform de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gekozen voor de activiteit «milieuneutraal veranderen». Op grond van de Wabo moet een aanvraag na ontvangst direct gepubliceerd worden. Met het publiceren van de kennisgeving van de ingekomen aanvraag wordt aangegeven welke activiteit is aangevraagd. Met deze kennisgeving wordt geen oordeel gegeven of de aangevraagde activiteit correct is.
Inmiddels is de vergunningsaanvraag door NAM ingetrokken en heeft daardoor geen juridische status. Uw Kamer is hierover per brief2 op 27 januari 2022 geïnformeerd. De aanvraag is ingetrokken en wordt daardoor niet in behandeling genomen.
Hoe gaat u de door Kamerlid Vijlbrief gesteunde motie om de afvalwaterinjectie op te schorten, uitvoeren?
Over de wijze waarop de motie van lid Mulder c.s. wordt uitgevoerd wordt uw Kamer heden via een brief geïnformeerd.
Deelt u de mening dat het uitvoeren van een motie rechtstatelijk is en het niet uitvoeren van een motie bij een bananenmonarchie/bananenrepubliek hoort?
Een aangenomen motie wordt in principe uitgevoerd. Het is aan een bewindspersoon om duidelijk te maken wat de gevolgen van het uitvoeren van een motie kunnen zijn. Als een motie oproept tot het nemen van besluit waarvoor geen rechtsgrond is, dan kunnen de gevolgen groot zijn.
Wilt u een keer samen op werkbezoek bij de afvalwaterinjectie zodat u zelf een beter beeld krijgt en ook omwonenden kunt ontmoeten?
Ik ga graag samen op werkbezoek om een goed beeld van de omgeving te krijgen en omwonenden te spreken.
Wilt u deze vragen een voor een en voor maandag 6 februari beantwoorden, tezamen met de uitstaande Kamervragen in dit dossier, zoals toegezegd?
Ja, ik zal dat proberen. Wat betreft de andere uitstaande ragen is uw Kamer per brief3 op 27 januari 2022 geïnformeerd dat de antwoorden op de vragen uiterlijk 7 februari 2022 naar uw Kamer worden gestuurd.
De Uitgebreide Producenten Verantwoordelijkheid matrassen. |
|
Kiki Hagen (D66) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Klopt het dat de Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid (UPV) stapsgewijs toewerkt naar het dekken van de kosten en dat na acht jaar 100% van de recycling kosten worden gedekt, in tegenstelling tot andere UPV’s waarin dat vanaf het eerste jaar kostendekkend moet zijn?
Het klopt dat producenten van matrassen stapsgewijs toewerken naar het dekken van 100% van de inzamel- en recyclingkosten.
De producenten hebben op eigen initiatief een overeenkomst opgesteld waarin zij verantwoordelijk worden gesteld voor het inzamelen en recyclen van matrassen en verplicht zijn een afvalbeheerbijdrage aan Stichting Matrassen Recycling te betalen. Daarmee kent de producentenverantwoordelijkheid voor matrassen geen wettelijke verplichtingen of doelstellingen. De doelen en opbouw zijn door producenten zelf geformuleerd. De enige interventie van de rijksoverheid beperkt zich er toe dat de private overeenkomst die producenten hiervoor onderling hebben gesloten, algemeen verbindend is verklaard. Daarmee zijn ook producenten die niet bij het initiatief betrokken waren, gehouden aan het betalen van de afvalbeheerbijdrage.
Om voor een besluit tot algemeen verbindend verklaren in aanmerking te komen, moet volgens de Wet milieubeheer een overeenkomst bijdragen aan doelmatig afvalbeheer. Omdat er in de bestaande situatie nog helemaal geen sprake was van een door producenten georganiseerd afvalbeheer en het afvalbeheer van matrassen resulteerde in hoge kosten voor gemeenten, is door mijn ambtsvoorganger beoordeeld dat de overeenkomst bijdraagt aan doelmatig afvalbeheer. Er is daarom besloten tot het algemeen verbindend verklaren van de overeenkomst.
Over de keuze om voor matrassen beleidsmatig in te zetten op een vrijwillige vorm van producentenverantwoordelijkheid is uw Kamer geïnformeerd bij brief van 10 april 2020 (Kamerstuk 32 852, nr. 242).
Kunt u toelichten wat hiervan de reden is en hoe de vergoeding is opgebouwd?
Matrassen gaan gemiddeld 10 jaar mee. Een matras dat vandaag wordt gekocht en waarover een afvalbeheerbijdrage wordt betaald, wordt over 10 jaar afval. Een matras dat vandaag afval wordt, is gemiddeld genomen 10 jaar geleden, zonder afvalbeheerbijdrage gekocht. De door producenten opgenomen ingroei is daar een doorvertaling van.
Kunt u toelichten waarom is gekozen voor een verwijderingsbijdrage van slechts € 2,50 per matras, terwijl uit consumentenonderzoek blijkt dat consumenten bereid zijn € 10,– te betalen, wat de kosten van verwerking voor droge, gescheiden ingezamelde matrassen nadert?1
Met de afvalbeheerbijdragen dragen de producenten de kosten van het door hen opgezette afvalbeheersysteem. De overheid heeft geen bemoeienis met de hoogte van de bijdragen.
Kunt u toelichten waarom de verwijderingsbijdrage van matrassen alleen voor droog en gescheiden ingezamelde matrassen wordt uitbetaald en wat er gebeurt met de overige opbrengsten die hierdoor niet worden uitbetaald? Waarom is er voor deze besteding gekozen?
Producenten zetten zich ervoor in om matrassen droog en schoon in te zamelen en dragen de kosten daarvan. Droge en schone inzameling van matrassen is een voorwaarde voor goede recycling. Met de afvalbeheerbijdragen dragen de producenten de kosten voor hun afvalbeheersysteem. In de algemeen verbindend verklaarde overeenkomst zijn waarborgen opgenomen om fondsvorming bij de Stichting Matrassen Recycling te voorkomen. De overheid heeft geen bemoeienis met de hoogte van de bijdragen en de besteding ervan.
Kunt u toelichten of er ook een statiegeldsysteem onderzocht is voor matrassen zoals matrassenproducent Auping reeds toepast?
Er is geen statiegeldsysteem voor matrassen onderzocht. Auping is één van de partijen die het initiatief hebben genomen voor de vrijwillige producentenverantwoordelijkheid en het verzoek tot het algemeen verbindend verklaren hebben aangevraagd.
Aangezien de UPV voor matrassen tot stand is gekomen op vrijwillige basis, kunt u toelichten hoe u de monitoring van de resultaten voor zich ziet?
Producenten zullen jaarlijks een verslag sturen over de uitvoering van hun afvalbeheerstructuur en de bereikte resultaten. Er zijn geen wettelijk handhaafbare doelen die producenten van matrassen dienen na te komen.
Kunt u uiteenzetten wat u heeft gedaan met de reacties uit de inspraakprocedure die voorafging aan het invoeren van de UPV? Hoe zijn de reacties van maatschappelijke organisaties en private partijen afgewogen?
Een conceptbesluit tot het algemeen verbindend verklaren van de overeenkomst matrassen heeft ter inzage gelegen. Hierop hebben verschillende partijen zienswijzen ingediend. In het definitieve besluit2 is toegelicht hoe met de ingediende zienwijze is omgegaan.
Het besluit tot algemeen verbindend verklaren heeft louter als doel om de overeenkomst tot het betalen van een afvalbeheerbijdrage te laten gelden voor alle producenten die matrassen op de Nederlandse markt brengen. Het besluit tot algemeen verbindend verklaren en de overeenkomst hebben geen betrekking op de rol van andere ketenspelers. Verschillende van de binnengekomen zienswijzen gingen juist over de rol van andere ketenspelers waaronder gemeenten. Om de reikwijdte van het besluit tot algemeen verbindend verklaren beter inzichtelijk te maken, is de toelichting op het besluit aangescherpt en is toelichting op zaken die niet in het Besluit geregeld worden, geschrapt.
Waarom worden producenten niet verantwoordelijk gehouden voor de kosten van ingezamelde matrassen die niet schoon en droog zijn?
Producenten hebben zich vrijwillig verantwoordelijk gesteld om een systeem op te zetten om matrassen droog en schoon in te zamelen en dragen de kosten daarvan. Droge en schone inzameling van matrassen is een voorwaarde voor goede recycling.
Kunt u toelichten waarom gemeenten en andere (publieke) inzamelaars geen vergoeding krijgen voor andere methodes van inzamelen zoals inzameling in de wijk, of inzameling aan huis zoals reeds worden toegepast?
Het Ministerie van IenW heeft geen betrokkenheid bij de afspraken die producenten met gemeenten en andere (publieke) inzamelaars maakt over inzameling en vergoedingen.
Is het ministerie aangesloten geweest bij het evaluatiemoment dat de branchevereniging Nederlandse Vereniging van Reinigingsdiensten (NVRD) namens alle publieke en gemeentelijke inzamelaars heeft gehad met de stichting Matrassen Recycling Nederland om de uitvoering van de UPV te monitoren? Zo nee, waarom niet?
Nee, het ministerie is niet bekend met genoemde bijeenkomst. Zoals in het antwoord op vraag 9 aangegeven heeft het ministerie geen betrokkenheid bij de afspraken die producenten met gemeenten en andere (publieke) inzamelaars maakt over inzameling en vergoedingen. Het besluit tot algemeen verbindend verklaren geldt voor de periode 1 januari 2022 tot 31 oktober 2025. De werkzaamheden van Stichting Matrassen Recycling zijn daarmee op 1 januari jl. van start gegaan. Er is op dit moment nog niet voorzien in een evaluatie.
Kunt u toelichten hoe u het proces van invoering beoordeelt, waarbij de invulling van de UPV pas vlak voor de invoering is bekend gemaakt, en de systemen voor vergoeding nog niet klaar zijn? Welke lessen worden hieruit meegenomen naar de invoering van UPV op textiel die voor 1 januari 2023 gepland is?
De verantwoordelijkheid voor matrassen kent geen wettelijke verplichtingen. De voorbereiding van het afvalbeheersysteem waartoe producenten het initiatief hebben genomen is aan producenten. De uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor textiel wordt wel wettelijk verplicht; in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) worden de verantwoordelijkheden van producenten en doelen die zij dienen te halen, vastgelegd. De uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor textiel gaat in per 1 januari 2023. In de AMvB worden voor 2025 doelen (zijnde handhaafbare minimumnormen) opgelegd aan producenten.
Ook voor een verplichte in een AMvB vastgelegde producenten-verantwoordelijkheid, zoals nu wordt voorbereid voor textiel, is het de verantwoordelijkheid van producenten om hun wettelijke doelen en verantwoordelijkheid na te komen. De brancheverenigingen in de textielsector hebben kenbaar gemaakt dat zij bezig zijn met het oprichten van een collectieve uitvoeringsorganisatie die namens producenten uitvoering gaat geven aan de verantwoordelijkheden. Daarvoor is de sector ook met inzamelaars en andere ketenpartijen in gesprek.
Voor matrassen is er gekozen om beleidsmatig in te zetten op een vrijwillige vorm van producentenverantwoordelijkheid. In het tweeminutendebat met uw Kamer van 3 feb jl. heb ik aan mevrouw Hagen (D66) toegezegd in een brief nader op het instrument UPV in te gaan. Deze brief verwacht ik binnen enkele weken te kunnen sturen. Daarin zal ik ook nader ingaan op deze vrijwillige vorm van producentenverantwoordelijkheid.
In hoeverre zet u zich in voor strengere producteisen, bijvoorbeeld vanuit het Europese Sustainable Products Initiative, om de duurzaamheidsprestatie van de keten te verbeteren?
Mede door sterk aandringen van Nederland zal de Europese Commissie naar verwachting in maart van dit jaar het beleidsinitiatief duurzame producten presenteren. Dit zal in ieder geval een voorstel tot wijziging van de reikwijdte van de Ecodesignrichtlijn3 bevatten, hetgeen het juridisch mogelijk zal maken om op Europees niveau eisen te stellen aan het duurzaam ontwerp van een veel bredere waaier aan producten. Op termijn kan dit dus ook leiden tot EU ontwerpeisen aan matrassen, die bijvoorbeeld recycling vergemakkelijken. U wordt via het gebruikelijke BNC fiche nader geïnformeerd over het Commissie-initiatief na publicatie ervan.
Daarnaast zijn er op initiatief van producenten en in samenwerking met het Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN), een privaat matrasetiket en – label ontwikkeld. Het etiket bevat informatie over samenstelling van materialen in matrassen en draagt bij aan het realiseren van recycling, hergebruik en circulariteit van matrassen. Het label informeert consumenten bij het kopen van een matras over de verschillende duurzaamheidsaspecten.
Lozing NAM-afvalwater Dinkelland |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken) (D66) |
|
![]() |
Waarom moet het minstens drie jaar duren voordat de afvalwaterlozing door de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) in de gemeente Dinkelland wordt gestopt?1
De waterinjectie in Twente is gekoppeld aan de oliewinning in Schoonebeek. NAM heeft aangekondigd te willen stoppen met de waterinjectie in Twente en een nieuwe verwerkingsmethode te willen ontwikkelen. Het kost naar verwachting tijd om een nieuwe verwerkingsmethode van het productiewater te realiseren. Er is een periode nodig om de benodigde vergunningen te krijgen, de nieuwe installaties te ontwerpen, bestellen, installeren en op te starten.
Klopt het dat door toenemend volume van de voortdurende afvalwaterlozing de druk op de ondergrond toe zal nemen door het gewicht van het afvalwater en de dampdruk in de resterende lege holtes?
In Twente wordt productiewater in lege gasvelden opgeslagen. De druk in deze reservoirs neemt toe omdat het reservoir met het geïnjecteerde water wordt gevuld. De gemiddelde druk in het reservoir mag niet hoger worden dan de originele druk van gasveld destijds. Het gasreservoir heeft bewezen dat het integer was bij die originele druk, want anders had er geen gas in het reservoir gezeten. Bij aanvang van de waterinjectie is de resterende dampdruk in het reservoir gemeten. Gedurende de waterinjectie neemt de druk toe. De druk wordt conform het waterinjectie management plan2 gemonitord.
Kunt u vertellen wanneer bij de afvalwaterlozing in de gemeente Dinkelland de kritische grens bereikt wordt, waarop bodembeweging, sink holes en aardbevingen verwacht kunnen worden?
Deze extreme effecten worden niet verwacht. Ik verwijs hierbij naar de notitie3 «Waterinjectie in Twentse gasvelden» van TNO van 16 december 2016, die destijds met de Tweede Kamer is gedeeld. Ik verwijs hierbij ook naar de uitspraak4 van de Raad van State van 27 juli 2011 in het kader van de besluiten over de vergunningen. Hierin wordt aangegeven dat voor bodemdaling, aardtrillingen of cavernevorming niet hoeft te worden gevreesd.
Welke kracht zullen deze aardbevingen naar verwachting maximaal kunnen hebben?
Zie hierbij ook de hierboven genoemde notitie en uitspraak. Tot nu toe hebben er zich in Twente ten gevolge van de waterinjectie geen aardbevingen voorgedaan en deze worden ook niet verwacht. Aan de andere kant kunnen aardbevingen niet voor 100% worden uitgesloten. In 2016 heeft NAM een aanvullende risicoanalyse5 laten uitvoeren. Hieruit bleek dat het zeer onwaarschijnlijk is dat er bevingen zullen plaatsvinden. Tevens is in het rapport de maximale beving berekend. Deze ligt tussen 2,0 en 3,2 op de schaal van Richter.
In Twente is er een monitoringsnetwerk aangelegd om ook hele kleine trillingen met een magnitude van 0,5 tot 1,0 op de schaal van Richter te kunnen lokaliseren. Als een trilling plaatsvindt door de waterinjectie, dan wordt dit gemeten en zal de waterinjectie conform het seismisch risicobeheerplan worden aangepast. Dit plan6 is door NAM opgesteld en is goed gekeurd door het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM).
Als op grond van artikel 28 van de Mijnbouwwet in een opslagvergunning wordt bepaald voor welk gebied en welk tijdvak de opslag geldt, voor wanneer moet het in de gemeente Dinkelland geloosde afval volgens de verleende opslagvergunningen dan uiterlijk worden teruggehaald? Wat komt daarvoor in de plaats? Hoeveel tijd zal ermee gemoeid zijn, voordat er weer rust in de ondergrond zal zijn?
Het beeld dat de ondergrond in onrust zou zijn door de waterinjectie herken ik niet. De waterinjectie vindt niet plaats in het kader van een opslagvergunning. Het geïnjecteerde water kan in theorie weer worden opgepompt. Dit is echter niet het uitgangspunt.
Als op grond van artikel 3 van de Mijnbouwwet de eigendom van stoffen pas door terughalen daarvan weer terugkomt bij degene die eigenaar was van de stoffen, direct voorafgaand aan het in de ondergrond brengen daarvan (in tegenstelling tot het eerste antwoord op eerdere schriftelijke vragen2 ), klopt het dan dat de NAM dus de eigendom van het geloosde afvalwater verliest, zodra de lozing in de ondergrond heeft plaats gevonden?
Nee, het betreft hier geen delfstof. Het productiewater komt onvermijdelijk mee met de winning van de aardolie. De waterinjectie vindt niet plaats binnen een opslagvergunning.
Is de Staat in dat geval aansprakelijk voor schade gedurende de periode dat die afvalstoffen zich in de ondergrond bevinden? Zo nee, waarom niet?
Nee, de aansprakelijkheid voor de waterinjectie ligt bij de vergunninghouder NAM.
Klopt het dat, zonder een bijzondere regeling of overeenkomst met de NAM, de Staat van rechtswege eigenaar van de ondergrondse opslag van proceswater (op een diepte van meer dan 100 meter) is?
De Staat is eigenaar van de diepe ondergrond. NAM is de vergunninghouder en verantwoordelijk voor de waterinjectie en de eventuele gevolgen daarvan.
Bestaat er een dergelijke regeling? Zo ja, hoe luidt die? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Waar kunnen schadelijdende partijen terecht met schadeclaims, veroorzaakt door ondergrondse opslag, als de Commissie Mijnbouwschade zich mogelijk niet bevoegd acht voor het behandelen van dergelijke schades, aangezien de website vermeldt dat zij alleen schades door gas- of oliewinning uit kleine velden en schades door zoutwinning behandelt.
De waterinjectie in Twente is procesmatig onlosmakelijk verbonden met de oliewinning in Schoonebeek. Dit betekent dat mensen die menen schade te hebben door de waterinjectie zich kunnen melden bij de Commissie Mijnbouwschade. Deze commissie zal de schade vervolgens onderzoeken en zich uitspreken over de oorzaak van de schade en de eventuele schadevergoeding.
Hoe zijn de taken afgebakend met betrekking tot ondergrondse opslag van stoffen tussen het Staatstoezicht op de Mijnen, de Mijnraad, de Commissie Mijnbouwschade, het Instituut Mijnbouwschade Groningen, de Technische commissie bodembeweging, de milieu-inspectie en de Ongevallenraad?
De genoemde partijen hebben verschillende taken, die ook wettelijk zijn vastgelegd. De opslag van stoffen in de diepe ondergrond valt onder de Mijnbouwwet. SodM adviseert mij bij de vergunningverlening omtrent Mijnbouw. SodM houdt ook toezicht op de naleving van wet- en regelgeving door mijnbouwbedrijven. De Mijnraad adviseert mij bij de Mijnbouwvergunningverlening. De Commissie Mijnbouwschade onderzoekt schadegevallen bij de kleine velden en de zoutwinning. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen onderzoekt de schademeldingen door de gaswinning uit het Groningenveld. De Technische commissie bodembeweging is de wettelijke commissie die mijnbouwschadegevallen onderzoekt ten gevolge van de voormalige steenkoolwinning in Limburg en adviseert aan mij over bodembeweging in relatie tot winningsplannen. Niet de zogenoemde milieu-inspectie, maar SodM houdt toezicht op de milieueffecten van mijnbouwactiviteiten. De Ongevallenraad is mij onbekend. Mogelijk wordt de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) bedoeld. De OVV is een zelfstandig bestuursorgaan dat na rampen, grote ongevallen of andersoortige incidenten onderzoek kan doen naar de oorzaken en gevolgen van het betreffende incident. In het geval van een incident met een ondergrondse opslag zou de OVV een onderzoek kunnen doen.
Wanneer gaat de NAM het opgeslagen proceswater in de gemeente Dinkelland uiterlijk terugwinnen en zuiveren en kan zij deze taak ook uitbesteden aan partijen met meer expertise om dat veiliger, effectiever en efficiënter te doen? Kan de uiterlijke datum voor terugwinning vervroegd worden, zo nee, waarom niet?
Het is mogelijk om het geïnjecteerde productiewater terug te winnen, maar er is geen aanleiding om dit doen. Het productiewater is veilig ondergebracht in het voormalige gasveld in de diepe ondergrond. Het oppompen en zuiveren van het geïnjecteerde productiewater kost veel energie en zorgt voor een grote stroom aan restproducten waarvoor geen directe toepassing te vinden is.
Waarom is het niet gelukt om een pilotproject te realiseren met industriële partijen die beschikken over waterzuiveringstechnologieën?3
De desbetreffende partijen zijn in gelegenheid gesteld om een pilot te realiseren. Dit is uiteindelijk niet gelukt omdat het productiewater vanwege de samenstelling lastig te zuiveren is en omdat de desbetreffende technologieën niet geschikt of voldoende ontwikkeld zijn. In het tussenrapport van de herevaluatie 2021–2022 rapporteert NAM over de zuiveringspilot. Het tussenrapport is op 7 februari 2022 naar uw Kamer verzonden.
Welke maatregelen kunnen bedrijven en burgers zelf nemen om schade door bodembeweging of aardbevingen te voorkomen of te beperken?
Er worden geen aardbevingen verwacht door de waterinjectie. Daarnaast is ook de bodembeweging klein. Schade aan gebouwen door bodembeweging of aardbevingen ten gevolge van de waterinjectie wordt daarom niet verwacht. Over het algemeen kan schade worden beperkt door gebouwen te laten voldoen aan de bouwbesluiten, het aanbrengen van dilatatievoegen, dragende muren niet te verwijderen, en goede funderingen.
Welke kennisinstellingen in Nederland bezitten en ontwikkelen expertise over lozing, duurzame terugwinning en verwerking van afvalwater van mijnbouw, met name wat betreft de economische, juridische, sociale, bestuurlijke en veiligheidsaspecten daarbij?
De bovengenoemde expertises zijn vrij breed. In het kader van waterzuivering en lozing denk ik aan het onafhankelijke kennisinstituut Deltares.
Welke buitenlandse bedrijven beschikken over expertise om ondergronds opgesloten afvalwater verantwoord en vooral veilig terug te winnen en te recycleren zonder verdere schade toe te brengen aan ondergrond, bovengrondse bebouwing, infrastructuur, bedrijvigheid, recreatie, huisvesting en milieu, inclusief drinkwatervoorraden?
Ik heb geen overzicht van buitenlandse bedrijven die over de hierboven genoemde expertises beschikken.
Zijn er tests of kunnen deze worden ontwikkeld, waarmee particulieren de veiligheid van het drinkwater voor hun gezondheid vanaf tappunten thuis kunnen controleren? Zo nee, waarom niet?
Het drinkwater in Nederland is van goede kwaliteit en wordt continu gemonitord door de drinkwaterbedrijven. Burgers met vragen over de kwaliteit van het drinkwater zouden contact kunnen opnemen met het bedrijf dat hen in drinkwater voorziet.
Welke innovaties kunnen er voor Nederland ontwikkeld worden, om bijvoorbeeld diergedrag te gebruiken bij het voorspellen van bodembewegingen?
Het van te voren voorspellen van het tijdstip van een aardbeving is niet mogelijk. Dieren en ook seismometers kunnen wel enkele secondes voorafgaand aan een grotere trilling eventuele lichtere trillingen waarnemen. Dit kan, in theorie, gebruikt worden om mensen te waarschuwen. Bij lichte, regionale, aardbevingen zit echter zo weinig tijd tussen de eerste, niet merkbare trillingen, en de merkbare trilling dat het niet mogelijk is om te waarschuwen. Welke toepassingen en innovaties hiermee ontwikkeld kunnen worden laat ik verder graag aan onderzoekers en ondernemers.
Strafrechtelijk onderzoek NAM afvalwaterverwerking |
|
Sandra Beckerman |
|
Stef Blok (VVD) |
|
Kent u het bericht over gevaarlijk afval van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) dat op een schip in de haven van Delfzijl is gevonden tijdens een strafrechtelijk onderzoek naar het bedrijf?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Bent u bekend met het strafrechtelijk onderzoek naar de NAM?
Ik ben ermee bekend dat het Openbaar Ministerie (OM) strafrechtelijk onderzoek doet naar NAM. Ik ben hierover in eerste instantie geïnformeerd door mijn ambtenaren en door het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM). Het OM heeft namelijk een aantal ambtenaren gevorderd om gegevens te verstrekken over NAM die het OM wenste in te zien. Mijn ambtenaren mochten hier verder niet vrijuit over spreken omdat het onderzoek van het OM niet bekend mocht worden bij NAM.
Wanneer het strafrechtelijk onderzoek is ingesteld, wat de aanleiding is geweest of wat de inhoud van het onderzoek is, is niet bekend gemaakt. Het OM is onafhankelijk en het is niet gebruikelijk dat het dergelijke informatie deelt als het onderzoek nog loopt.
NAM heeft het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) naar aanleiding van de berichtgeving in de media geïnformeerd dat het onderzoek zich richt op afvalwaterstromen van de gasbehandelingsinstallatie Den Helder (GBI Den Helder) naar Borgsweer en het Tankenpark Delfzijl.
Wanneer is dit onderzoek ingesteld en naar aanleiding waarvan?
Zie antwoord vraag 2.
Is het onderzoek alleen naar de NAM of is het een breder onderzoek?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u geïnformeerd over dit strafrechtelijk onderzoek? Zo ja, wanneer? Wie heeft u op welke manier op de hoogte gebracht van dit onderzoek?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer u al bekend was met het onderzoek, waarom heeft u de Kamer niet geïnformeerd?
Het betreft een lopend onderzoek van het OM. Het OM bepaalt of en wanneer het bekend maakt dat het een onderzoek is gestart en welke informatie, zoals de aard van de verdenking, het daarbij bekend maakt. Het staat mij niet vrij om te openbaren welke informatie het OM bij het Ministerie van EZK heeft gevorderd.
Wanneer worden de resultaten van dit onderzoek verwacht?
Het is gebruikelijk dat het OM de strafrechtelijke onderzoeken in stilte uitvoert. Ik ben niet op de hoogte van de voortgang van het onderzoek of wanneer resultaten verwacht worden. De resultaten van een strafrechtelijk onderzoek worden door het OM gecommuniceerd.
Gaat u de uitkomsten van dit strafrechtelijk onderzoek met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 7.
Waar komt het water vandaan dat uiteindelijk als afvalwater bij de olie- en gaswinning ontstaat?
Een olie- of gashoudende laag bevat van nature ook water waarin verschillende stoffen zoals zware metalen en zouten voorkomen. Bij winning van olie en gas komt dit water onvermijdelijk mee naar boven. Het is een reststroom bij de winning van olie en gas en kan resten van mijnbouwhulpstoffen bevatten.
Bij welke velden van olie- en gaswinning ontstaat dat afvalwater precies?
Uit alle olie- en gasvelden komt bij de winning productiewater mee naar boven.
Hoeveel afvalwater ontstaat er jaarlijks per winningslocatie? Hoeveel is dat dan landelijk?
De hoeveelheid productiewater per winningslocatie die met de olie- en gaswinning op land of zee mee naar boven komt wordt niet gerapporteerd. Alleen de geïnjecteerde hoeveelheden productiewater moeten worden gerapporteerd. Zie het antwoord op vraag 14.
Op welke manier(en) wordt dit afvalwater vervoerd? Door wie? En waar komt het afvalwater dan terecht?
Dit verschilt per locatie en operator, zie ook het antwoord op vraag 15. Er zijn verschillende mogelijkheden. Op sommige locaties wordt het productiewater na behandeling direct terug geïnjecteerd in de diepe ondergrond. In andere gevallen wordt het productiewater per pijpleiding, per tanker of per truck vervoerd naar een injectielocatie of een erkend verwerker. Het direct terug injecteren in de diepe ondergrond en het transport per pijpleiding wordt uitgevoerd door de mijnonderneming zelf. Het transport per truck of per schip wordt, in opdracht van de mijnonderneming, uitgevoerd door een derde partij.
Wat gebeurt er vervolgens met dat afvalwater? Hoe wordt het verwerkt en waarom? Wat blijft er na de verwerking van afvalwater over? Kan er bijvoorbeeld sprake zijn van aardgascondensaat? Kunt u uw antwoord toelichten?
In het met de productie van olie en gas mee geproduceerde water zijn van nature verschillende stoffen aanwezig zoals zware metalen en zouten. Bij gaswinning komt er naast water ook aardgascondensaat mee naar boven. Met uitzondering van het olie, gas en het aardgascondensaat hebben de overige stoffen geen nuttige toepassing. De overige stoffen worden samen met het water (tezamen aangeduid als productiewater) terug geïnjecteerd in de diepe ondergrond, afgevoerd naar een verwerker of geloosd in zee (alleen van winning offshore als het productiewater voldoet aan de kwaliteitseisen van het Ospar-verdrag). Bij injectie in de diepe ondergrond wordt het productiewater teruggevoerd naar (geïnjecteerd in) het reservoir waar het vandaan komt of in een vergelijkbaar reservoir. In dit productiewater kunnen nog kleine hoeveelheden mijnbouwhulpstoffen voorkomen die worden gebruikt om het proces veilig en goed te laten plaatsvinden zoals een anti corrosievloeistof en een zuurstofbinder. Vaak zijn er in een vergunning ook andere waterstromen opgenomen die samen met het productiewater geïnjecteerd mogen worden. Dit kan verontreinigd hemelwater, verontreinigd spoel- en spitwater en sanerings- en bronneringswater zijn dat van de locatie afkomstig is.
Op een mijnbouwlocatie of installatie mag alleen geïnjecteerd worden wanneer hier een vergunning voor is. In sommige vergunningen zijn maximale totaalvolumes voorgeschreven. Deze maximale hoeveelheden zijn nog niet bereikt. In de vergunning wordt omschreven welke afvalwaterstromen en stoffen geïnjecteerd mogen worden. Als de waarden van sommige stoffen te hoog zijn (en het als gevaarlijk afval gekwalificeerd moet worden), mag het productiewater niet worden geïnjecteerd, maar moet het naar een erkend afvalverwerker worden afgevoerd. De vergunningen voor het vervoer over de weg of water van de gevaarlijke afvalstoffen en het toezicht daarop liggen bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De erkende afvalverwerkingsbedrijven vallen meestal onder provinciaal bevoegd gezag.
In de onderstaande twee tabellen zijn de geïnjecteerde hoeveelheden water weergegeven in 2021 in m3 (bron www.nlog.nl) voor zowel land als offshore.
Mijnbouwlocatie
Geïnjecteerde hoeveelheid 2021 (m3) (bron nlog.nl)
Onderneming
Ameland Westgat
13.998
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.
Borgsweer
289.870
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.
Rotterdam MS
465.666
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.
Pernis West
27.393
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.
Schoonebeek 447
20.269
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.
Rossum Weerselo 2
188.543
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.
Rossum Weerselo 3
418.098
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.
Rossum Weerselo 5
159.785
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.
Bergermeer
5.225
TAQA Energy BV
Zuid Schermer
1.737
TAQA Energy BV
Nijensleek
0
Vermilion Energy Netherlands BV
Mijnbouwinstallatie
(aangegeven met geografische referentie van offshore bloknummers)
Geïnjecteerde hoeveelheid 2021 (m3) (bron www.nlog.nl)
Onderneming
F2-A Hanze
1.938.725
Dana Petroleum Netherlands B.V.
Q1 Helder
2.110.764
Petrogas E&P Netherlands B.V.
K08-FA
21.386
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.
K09c-A
135
Neptune Energy Netherlands B.V.
K14-FA
27.700
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.
L08-P
9.159
Wintershall Noordzee B.V.
P15-Rijn
544.706
TAQA Energy BV
Q13-A
980.605
Neptune Energy Netherlands B.V.
Kunnen de volgende vragen overzichtelijk in een schema worden weergegeven? Wat gebeurt er met dat wat er overblijft na verwerking van het afvalwater? Hoeveel wordt er geloosd? Waar bestaat die lozing uit? Wie loost dit en waar gebeurt dat? Hoeveel wordt er geïnjecteerd? Welke stoffen worden er geïnjecteerd? Door wie wordt dat gedaan en waar vindt dat plaats? Is er een einddatum bekend voor het lozen en injecteren? Zijn er nog meer manieren om restproducten ergens op te slaan? Zo ja, kan ook die manier meegenomen worden in het schema?
Zie antwoord vraag 13.
Kan op een kaart worden weergegeven welke route(s) er precies afgelegd worden tijdens het vervoer? Waar de verwerking plaatsvindt en ook waar de lozing en injectie plaatsvindt?
De ILT is het bevoegde gezag voor het toezicht op het transport van het gevaarlijk afvalwater dat per truck of tanker wordt vervoerd. De routes over de weg en vaarwegen van het productiewater zijn niet bekend bij de ILT.
Op een aantal mijnbouwlocaties en mijnbouwinstallaties vindt de injectie plaats op de locatie/installatie waar gewonnen wordt namelijk: Ameland Westgat, Rotterdam MS en de in tabel 2 benoemde mijnbouwinstallaties op zee. Verder zijn er op land een aantal waterinjectielocaties waar water dat vrijkomt bij de gas- of oliewinning op andere locaties geïnjecteerd mag worden. Hieronder vindt u een korte omschrijving per locatie:
Welke risico’s bestaan er voor omwonenden op plekken, genoemd in bovenstaande vraag? En welke risico’s zijn er voor de mensen die werken op de verschillende plekken waar gewerkt wordt met dit afvalwater?
Risico’s op een locatie waar productiewater wordt geïnjecteerd zien op de verontreiniging van de bodem door lekkage. Het productiewater wordt terug geïnjecteerd op een diepte en in een vergelijkbaar voorkomen. SodM heeft aangegeven dat er hierdoor minimale risico’s op put- of leidinglekkages zijn waarbij verontreiniging voor de bodem kan plaatsvinden met mogelijke gevolgen voor omwonenden. Een leidinglekkage heeft zich voorgedaan in Twente (2015), waarbij er geen gevolgen voor omwonenden zijn geweest.
De veiligheid op de waterinjectielocaties is gewaarborgd door de eisen gesteld bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet. Omwonenden hebben geen toegang tot de waterinjectielocaties. De eisen gelden voor de medewerkers van de mijnondernemingen die werken op de waterinjectielocaties. SodM ziet hierop toe.
Hoe worden die risico’s zo klein mogelijk gehouden?
Verontreiniging van de bodem moet voorkomen door voorzorgsmaatregelen te treffen en door te monitoren. Hiertoe worden onder andere regels gesteld ten aanzien van een vloeistofdichte vloer en dubbelwandige putten. Tevens zijn grondwatermonitoringsputten voorgeschreven en wordt aan de hand van drukmetingen de integriteit van de putten gemonitord. Alle activiteiten dienen te voldoen aan de wettelijke normen en de vergunningsvoorschriften. SodM ziet toe op naleving van de wettelijke normen en voorschriften in vergunningen voor mijnbouwactiviteiten. In het geval er een incident plaatsvindt moet SodM zo snel mogelijk geïnformeerd worden zodat zij kunnen toezien op een juiste afhandeling. SodM kan naar aanleiding van een incident aanvullend onderzoek doen en de waterinjectie stil leggen.
Zijn er inmiddels incidenten bekend waarbij medewerkers en/of omwonenden bloot zijn gesteld aan gevaar? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, bij SodM zijn geen incidenten bekend waarbij medewerkers en/of omwonenden zijn bloot gesteld aan gevaar ten gevolge van transport, verwerking of injectie van productiewater.
Worden dergelijke incidenten verwacht? Zo nee, waaruit blijkt dat?
Nee, maatregelen en voorschriften waaraan moet worden voldaan hebben tot doel incidenten met productiewater te voorkomen en risico’s voor mens, natuur en milieu tot het minimum te beperken. Ik ben me er bewust van dat er desondanks incidenten kunnen plaatsvinden. Een incident leidt tot nader onderzoek en bespreking waardoor bestaande voorschriften en werkwijze kunnen worden aangepast teneinde vergelijkbare incidenten te voorkomen en het systeem steeds veiliger te maken.
Wat zijn de gevolgen voor de omgang met afvalwater als de NAM de kleine velden verkoopt? Wie is er dan aansprakelijk voor eventuele schade door incidenten? Wie is er verantwoordelijk voor het opruimen? Geeft de NAM garanties?
De eventuele verkoop van onderdelen van NAM heeft geen gevolgen voor de omgang met het afvalwater. De afvoer, het verwerken en injecteren is in de omgevingsvergunningen en wet- en regelgeving geregeld. Bij de verkoop zullen de omgevingsvergunning op naam van de rechtsopvolger worden gezet en gelden de vergunningsvoorwaarden ook voor de rechtsopvolger
Bij een verkoop van onderdelen van NAM is mijn toestemming vereist voor het overdragen van de winningsvergunningen. Ik beoordeel de beoogde rechtsopvolger op financiële en technische capaciteiten en op maatschappelijke verantwoordingszin. Bij een positief oordeel geef ik toestemming voor het overdragen van de winningsvergunningen en worden de winningsvergunningen en de instemmingsbesluiten met de winningsplannen op naam van de eventuele koper worden gezet. Aan een toestemming kan ik voorschriften verbinden of de toestemming onder beperkingen verlenen. Zoals ik heb aangegeven in het interpellatiedebat over afvalwaterinjecties door NAM in Twente dient de eventuele koper vanaf het moment van toestemming te voldoen aan voorwaarden die in de vergunningen en instemmingsbesluiten zijn opgenomen en het gestelde bij of krachtens de Mijnbouwwet. Op grond van artikel 6:177 BW is de rechtsopvolger vanaf dat moment aansprakelijk voor schade die ontstaat als gevolg van uitstroom van delfstoffen of beweging van de bodem. Ook is de rechtsopvolger dan aansprakelijk voor schade die ontstaat door incidenten met productiewater. Zonder mijn toestemming worden de vergunningen niet overgedragen en blijft NAM verantwoordelijk en aansprakelijk voor het productiewater, de verwerking ervan en het opruimen van eventuele verontreinigingen door lekkage.
Is inmiddels bekend of er inderdaad gerommeld is met de vergunningen? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Het strafrechtelijk onderzoek dat het OM is gestart is nog niet afgerond, er zijn nog geen resultaten bekend.
Wat is precies de rol van de politie, de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), het Staatstoezicht op de Mijnen (SODM) en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) binnen dit onderzoek?
Onder gezag van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie doet de
politie tezamen met ILT-IOD een strafrechtelijk onderzoek. Daarnaast zijn twee buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s) van SodM ter beschikking gesteld aan het onderzoeksteam. Deze BOA’s werken in het strafrechtelijk onderzoek alleen onder gezag van het Functioneel Parket en niet voor SodM. Het NFI is betrokken voor de analyse van monsters van het productiewater.
Op grond van het bestuursrecht is ILT het bevoegd gezag voor het houden van toezicht op het transport van gevaarlijke stoffen onder meer afvalwater over de weg met tankwagens of per tanker over het water, SodM is het bevoegd gezag voor het houden van toezicht op mijnbouwactiviteiten.
Wie geeft vergunningen voor het vervoer en verwerken en afvoeren van afvalwater af?
Er zijn geen vergunningen vereist voor het vervoer/transport van afvalwater, omdat er rechtstreeks werkende generieke regelgeving is. Het transport van gevaarlijk afvalwater dient te voldoen aan de eisen uit de wet- en regelgeving over het transport van gevaarlijk afval. ILT is verantwoordelijk voor het toezicht op het transport van gevaarlijk afval.
De Wabo-vergunningen en Mijnbouwmilieuvergunningen, waarin de voorschriften zijn opgenomen dat het productiewater naar een erkende verwerker moet worden afgevoerd of naar een injectielocatie mag, en het toestaan van injectie op een locatie, vallen onder mijn bevoegdheid. In het kader de herziening van het mijnbouwbeleid zal ik de afvalwaterinjecties bezien.
De vergunningen voor erkende verwerkers van afval en het toezicht hierop, waaronder gevaarlijk afvalwater afkomstig van mijnbouwlocaties, vallen onder provinciale bevoegdheid.
Het bericht 'Limburgse grensgemeente verrast door volstorten recreatieplas' |
|
Kiki Hagen (D66), Tjeerd de Groot (D66) |
|
Barbara Visser (VVD), Steven van Weyenberg (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend dat de Vlaamse Minister van Omgeving een grote Maasplas, pal aan de Nederlandse grens, heeft aangewezen als dumpplek voor grote hoeveelheden grond die in Antwerpen worden afgegraven? Grond die mogelijk dezelfde vervuiling kent als onze Westerschelde? Zo ja, hoe oordeelt u hierover?1
Ik ken het artikel waar u naar verwijst. Op dit moment wordt er geen grond toegepast in de betreffende Maasplas bij Kinrooi. De aanvrager heeft inmiddels op uitdrukkelijke verzoek van de bevoegde Vlaamse Minister Demir aangegeven tot nader order geen grondverzet te doen en verder in overleg te gaan met alle betrokken instanties. Naar aanleiding van het genoemde artikel vinden er momenteel op ambtelijk niveau gesprekken plaats met het Vlaamse bevoegde gezag, zodat de feiten over dit onderwerp boven tafel komen en er goede afspraken worden gemaakt over toekomstige kennisuitwisseling en samenwerking. Op basis van de afgegeven vergunning mag er geen zwaar vervuilde grond worden toegepast in de betreffende Maasplas.
Waar ligt de bestuurlijke verantwoordelijkheid van deze kwestie?
De bestuurlijke verantwoordelijkheid ligt bij de Vlaamse Minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme.
Klopt het dat deze Maasplas een open verbinding heeft met de Maas op Nederlands gebied? Zo ja, hoe groot is de kans dat de mogelijk (zwaar) vervuilde grond en diens schadelijke stoffen Nederland bereiken?
De Maasplas bij Kinrooi heeft een open verbinding met de Maas. Deze open verbinding bevindt zich op Belgisch grondgebied. Indien er uitlogende stoffen in deze plas gebracht zouden worden, kunnen die inderdaad het Nederlandse deel van de Maas bereiken. Zoals bij vraag 1 is aangegeven is daar momenteel geen sprake van.
Welke risico’s brengt dit met zich mee voor Nederlandse grensgemeenten zoals Maasgouw, voor watersporters die gebruik maken van deze plas, voor landbouwgrond dat het water gebruikt voor irrigatie en drinkwatervoorzieningen?
Eventuele risico’s zullen goed in beeld worden gebracht voordat er sprake is van verondieping en zodra er bekend is welke partijen grond precies gebruikt worden. Dit is, zoals aangegeven, momenteel nog niet aan de orde. Het belang dat aan deze analyse gehecht wordt zal actief bij Vlaanderen onder de aandacht gebracht blijven worden.
Hoeveel grond wordt gestort en welke milieueisen liggen hier ten grondslag aan? Op welke manier worden de effecten op natuur en het ecosysteem van de Maas van deze verondieping meegewogen? Kunt u de resultaten getoetst aan deze ecologisch/milieu eisen naar de Kamer te sturen?
De vergunning die door de Vlaamse Minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme is verleend betreft in de eerste fase een maximale hoeveelheid van 7,3 miljoen m3grond.
De (milieu) eisen die aan de vergunning ten grondslag liggen zijn vastgelegd in het Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering (Vlarebo, bijlage V) en Vlaamse regelgeving rond grondverzet, die vergelijkbaar is met de Nederlandse regelgeving. In de vergunning staat dat het toe te passen materiaal nutriënt-arm dient te zijn, met maximaal 10% organisch stofgehalte. Voor alle niet-genormeerde stoffen (zoals zeer zorgwekkende stoffen, chloride en sulfaat) geldt dat de initiatiefnemer deze inzichtelijk dient te maken in de vooraf aan te leveren rapportage; deze wordt vervolgens getoetst aan een standaard worst-case-waarde of er wordt een verzoek gedaan om een norm af te leiden.
De vergunning staat geen toepassing van (zeer) verontreinigd materiaal toe.
Het is niet mogelijk om u een rapportage met betrekking tot ecologische of milieueisen toe te zenden. Er is op dit moment geen milieuhygiënisch rapport rond toe te passen grond beschikbaar. Het is namelijk nog niet bekend of en zo ja welke partijen grond zullen worden toegepast. Er is bovendien geen milieueffectrapportage (MER) voor het project gemaakt. De omvang van het project blijft in eerste aanleg onder de omvang waarvoor dit verplicht is in Vlaanderen.
Op welke manier is Nederland beschermd tegen de effecten van PFAS als mogelijk vervuilde grond net over de grens wordt gestort?
Voor toepassing moeten alle grondstromen worden getoetst aan het Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering (Vlarebo) en een aanvullende Vlaamse richtlijn voor PFAS. De uitgangspunten van de Vlaamse kaders zijn vergelijkbaar met het Nederlandse Besluit bodemkwaliteit en het handelingskader PFAS. Dit betekent dat grond met een PFAS-gehalte kleiner of gelijk aan de omgevingswaarde mag worden toegepast.
Bent u bereid in gesprek te treden met uw ambtsgenoten aan Belgische zijde wanneer er risico’s zijn aan Nederlandse zijde om de mogelijke vervuiling te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Indien dat noodzakelijk is ben ik zeker bereid om met mijn Vlaamse ambtsgenoot over dit onderwerp in gesprek te gaan. Op ambtelijk niveau zijn er reeds constructieve contacten gelegd met het kabinet van Minister Demir; de Vlaamse overheid heeft toegezegd dat Nederland nauw betrokken zal worden, onder meer bij het goedkeuren van het door de initiatiefnemer op te stellen monitoringplan.
In algemene zin: is er met onze buurlanden overleg geweest over het verplaatsen van vervuilde grond en de mogelijke effecten ook grensoverschrijdend? Zo ja, wat is hierover afgesproken? Zo nee, kunt u hierover met heb in gesprek treden?
Er is overleg over stroomgebiedbeheerplannen en in voorkomende gevallen stellen bevoegde gezagen elkaar op de hoogte en betrekken elkaar over en weer.
Het bericht 'Afvalwaterinjectie in Twente gaat ondanks motie gewoon door: ‘Tweede Kamer is kennelijk toch een soort poppenkast'' |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Stef Blok (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Afvalwaterinjectie in Twente gaat ondanks motie gewoon door: «Tweede Kamer is kennelijk toch een soort poppenkast»»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Klopt het, dat de injectie van afvalwater gewoon blijft doorgaan, zoals de woordvoerder in het artikel beweert? Ondanks de aangenomen motie?
Het klopt dat NAM de waterinjectie in Twente heeft voortgezet nadat de motie van het Kamerlid Mulder (c.s.) 2 is aangenomen. NAM beschikt over vergunningen om productiewater van de oliewinning in Schoonebeek in oude gasvelden in Twente te injecteren. Zolang NAM zich aan de voorschriften in de vergunning houdt, is er geen rechtsgrond om de activiteiten die onder de vergunning vallen stop te zetten. Het Staatstoezicht op de Mijnen (hierna: SodM) houdt toezicht op de waterinjectie. SodM legt maatregelen op wanneer NAM zich niet aan de vergunningsvoorschriften of de wetgeving houdt of er een onveilige situatie ontstaat.
Welke stappen zijn er gezet om de vergunning op te schorten?
In lijn met de door mijn ambtsvoorganger gemaakte afspraken ben ik met NAM in gesprek om alternatieven voor de waterinjectie in Twente te verkennen. Deze gesprekken worden gevoerd in het kader van de herevaluatie waarin NAM alternatieve verwerkingswijzen van het productiewater van de oliewinning in Schoonebeek onderzoekt. Als NAM de herevaluatie heeft afgerond zal ik zo snel mogelijk een besluit nemen over de waterinjectie in Twente. Ik overweeg daarbij een methode voor te schrijven die milieuvriendelijker is en met een lager risico, bijvoorbeeld door middel van een zuiveringstechniek, indien dit een realistische optie is.
Is er een juridische verkenning uitgevoerd om de vergunning op te schorten of aan te passen? Zo ja, kan deze zo snel mogelijk met de Kamer gedeeld worden? Zo nee, waarom niet?
Een vergunning kan alleen ingetrokken of gewijzigd worden op grond van een in de wet genoemde reden. De vergunningen voor de waterinjectie in Twente zijn in 2010 verleend onder de destijds vingerende Wet milieubeheer en Lozingenbesluit bodembescherming. Met de komst van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn de verschillende milieuvergunningen opgegaan in één omgevingsvergunning waarvoor ik bevoegd gezag ben.
In de Wabo worden verschillende redenen genoemd waarin ik de waterinjectievergunningen zou kunnen wijzigen of intrekken. Zo kan ik ingrijpen wanneer er ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan, bijvoorbeeld als gevolg van het optreden van een ongewoon voorval. Ook kan ik een vergunning aanpassen om te bereiken dat de best beschikbare technieken worden toegepast. Verder kan de vergunninghouder een wijzigingsverzoek indienen of een belanghebbend bestuursorgaan in belang van de bescherming van het milieu. Op basis van de in de wet genoemde gronden zie ik geen ruimte om de vergunningen nu op te schorten. Wel ben ik in gesprek met NAM om de herevaluatie zo snel mogelijk af te ronden en voor 1 juli 2022 bij mij in te dienen. Dan heb ik een wettelijke grond om een besluit over de waterinjectie te nemen.
Waarom zou u niets kunnen doen aan de afvalwaterinjectie, maar het kabinet wel, zoals in het genoemde artikel wordt beschreven?
Het kabinet en ik hebben dezelfde mogelijkheden ten aanzien van de waterinjectie. Zie ook de antwoorden bij vraag 2 en 4 en de appreciatie van de motie Mulder c.s. door de toenmalige Minister van Economische Zaken en Klimaat tijdens het debat van 15 december jl.3 Zolang iemand een vergunning heeft en aan de voorwaarden voldoet is er geen rechtsgrond om de activiteiten die onder de vergunning vallen stop te zetten. Ik zou desalniettemin kunnen besluiten de waterinjectie in Twente op te schorten, maar zo’n besluit heeft juridische en financiële consequenties. Het zou betekenen dat de overheid een afgegeven vergunning, waarbij de aanvrager voldoet aan de voorwaarden, min of meer willekeurig kan intrekken. Dat zou haaks staan op de beginselen van behoorlijk bestuur. NAM zou dan mogelijk gecompenseerd moeten worden voor de inkomstenderving en investeringen in een alternatieve verwerkingswijze. Daarbij wil ik nogmaals herhalen en nogmaals benadrukken dat de veiligheid van de omgeving het allerbelangrijkste is: als blijkt dat het niet veilig kan of niet veilig gebeurt, dan stopt de waterinjectie.
Ik ben met NAM in overleg om de herevaluatie te bespoedigen en alternatieven te verkennen. NAM kijkt met een brede blik naar alternatieven. Ik heb begrepen dat er kansrijke alternatieven zijn waarbij het productiewater wordt teruggebracht in delen van het Schoonebeek veld. Hierbij wordt het productiewater gezuiverd zodat het water opnieuw gebruikt kan worden en zal een restroom geïnjecteerd worden in een deel van het Schoonebeek veld. Zie ook mijn antwoord bij vraag 3.
De oplevering van de herevaluatie is afhankelijk van het onderzoek naar ROW-2 (zie ook het antwoord op vraag 7). De planning is vooralsnog dat NAM de herevaluatie uiterlijk 1 juli 2022 bij mij indient. Daarna beoordeelt SodM de eindrapportage en vraag ik Deltares om een onafhankelijk toetsing, zoals verzocht door de Kamer.4 Ook betrek ik de regionale overheden voor advies. Na de zomer neem ik vervolgens een besluit over de waterinjectievergunningen.
Wat kan het kabinet doen om de injectie van afvalwater te stoppen? Gaat het kabinet dit doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Is de vertraging naar het onderzoek naar de alternatieven voor het lozen in de ondergrond niet in strijd met de vergunning? Is dit dan niet uit zichzelf een reden voor het opschorten van die vergunning?
Nee, de vertraging van de herevaluatie is niet in strijd met de verleende vergunningen. In de vergunningsvoorschriften staat dat NAM iedere zes jaar moet evalueren wat de meest geschikte verwerkingsmethode van het productiewater is. De eerste herevaluatie is opgeleverd in 2016 en de tweede moet NAM in 2022 indienen. NAM is op verzoek van uw Kamer5 eerder begonnen met het uitvoeren van de herevaluatie met als doel deze in 2021 te voltooien. Echter, zoals aan uw Kamer gemeld op 13 september6 en 6 december7 jl., is de herevaluatie van de waterinjectie in Twente vertraagd vanwege de situatie bij put ROW-2 en het onderzoek dat NAM op aanwijzing van SodM naar deze put en de naastgelegen put ROW-7 uitvoert. Ik deel het ongenoegen van uw Kamer dat de herevaluatie is vertraagd. Daarom heb ik NAM verzocht zo snel mogelijk deelrapportages beschikbaar te stellen. De tussenrapportage heb ik gelijktijdig met deze brief met uw Kamer gedeeld. Zolang NAM de totale herevaluatie voor het einde van 2022 bij mij indient, voldoet NAM aan de verleende vergunningen. Desalniettemin heb ik NAM verzocht de herevaluatie voor 1 juli 2022 bij mij in te dienen.
Kunt u uitleggen hoe langetermijnrisico’s meetellen bij de afweging van de best beschikbare technieken (BBT)? Is de uitkomst van een BBT-onderzoek altijd een techniek om van het afval af te komen, of kan er ook uitkomen dat de maatschappelijk gezien beste optie is om helemaal geen afval te produceren?
Het doel van het in kaart brengen van best beschikbare technieken (hierna: BBT) is om te komen tot de meest doeltreffende methoden die technisch en economisch haalbaar zijn, om emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu van een activiteit te voorkomen. Uit een BBT-vergelijking voor het verwerken van productiewater komt dus altijd een techniek waarmee productiewater kan worden verwerkt.
De Europese Commissie heeft een richtsnoer opgesteld voor het toepassen van BBT bij het winnen van olie en gas, inclusief het verwerken van productiewater.8 Daarbij is gekeken naar energiegebruik, gebruik van mijnbouwhulpstoffen, de mate van waterproductie en kosten. Naast het minimaliseren van de hoeveelheid geproduceerd water adviseert de Europese Commissie om productiewater terug te injecteren in de diepe ondergrond als BBT. Het zuiveren van het geproduceerde water wordt door de Europese Commissie gezien als minder gunstig vanwege de benodigde energie en de resterende afvalstromen.
Zijn eenmaal verleende vergunning voor het lozen van afval (in bodem, lucht of water) voor eeuwig of tijdelijk?
De vergunningen voor de waterinjectie in Twente zijn verleend voor onbepaalde tijd. Daarbij geldt wel de kanttekening dat de injectievergunning is verleend voor het injecteren van productiewater van de oliewinning in Schoonebeek. De oliewinning in Schoonebeek kent een verwachte einddatum in 2050. Ook zijn in de vergunningen maxima gesteld aan het hoeveelheid water dat mag worden geïnjecteerd. Daarnaast is in de injectievergunningen het voorschrift opgenomen dat iedere zes jaar de verwerking van het productiewater moet worden geëvalueerd, om de ontwikkeling van andere verwerkingsmethoden te blijven bevorderen.
Welke gronden zijn er voor het intrekken van een dergelijke vergunning? Zijn voortschrijdend inzicht over gezondheidseffecten of onzekerheden over lange termijn effecten aan de kant van de vergunningverlener reden om een lozingsvergunning in te trekken?
In de Wabo staan de gronden om een vergunning in te trekken beschreven. De belangrijkste gronden zijn gegeven in het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid alle onderzoeksresultaten van injectieput Rossum2 openbaar te maken?
Ja, ik zal de resultaten van het onderzoek naar put ROW-2 openbaar maken. Sinds de waterinjectie in Twente onder verscherpt toezicht staat, maakt SodM informatie over put ROW-2, zoals inspectierapporten en onderzoeken, openbaar via haar website.9 De onderzoeken naar ROW-2 en ROW-7 die NAM momenteel op aanwijzing van SodM uitvoert, zullen, gelijktijdig met de beoordeling door de toezichthouder, worden gepubliceerd.
Wanneer komt u met definitieve onderzoeksconclusies van injectieput Rossum 2, waarvan u sinds 2019 antwoordt op onze vragen dat de putmeting «geen reden voor onrust gaf»?
NAM moet de resultaten van het onderzoek naar de scheur in put ROW-2 uiterlijk 31 maart 2022 bij SodM indienen. Vervolgens zal SodM deze resultaten beoordelen. SodM maakt naar verwachting de onderzoeksresultaten en haar oordeel daarover openbaar voor de zomer.
De afronding van dit onderzoek stond gepland voor december 2021. Echter, vanwege technisch complexe modelering die lang duurt en de specialistische consultants die beperkt beschikbaar zijn, was deze inleverdatum niet haalbaar voor NAM. SodM hecht belang aan goed en volledig onderzoek en heeft daarom ingestemd met uitstel.10
Wanneer komt u met de meetresultaten van injectieput Rossum 7 die jarenlang niet toegankelijk bleek voor onderzoeksapparatuur?
Zoals gemeld in de brief van 6 december jl. van de toenmalige Minister van Economische Zaken en Klimaat11 is de aanname dat put ROW-7 ontoegankelijk was voor onderzoeksapparatuur onjuist. In dezelfde brief is de stand van zaken van de metingen van put ROW-7 beschreven, namelijk dat NAM heeft aangegeven dat zij begin november 2021 put ROW-07 metingen aan de put heeft uitgevoerd. De resultaten zijn onderdeel van het onderzoek dat NAM nu uitvoert naar put ROW-2 en worden gedeeld zodra het rapport hierover is beoordeeld door SodM (zie ook het antwoord op vraag 12).
Bent u bereid het voorzorgsprincipe toe te passen en de twee (van de oorspronkelijk ruim tien) nog overgebleven injectieputten stil te leggen?
Nee. Zoals ik ook in de antwoorden op vraag 2 en 4 heb aangegeven, heb ik geen wettelijke grond om de injectie via de overgebleven putten stil te leggen.
Welke schade kan er ontstaan wanneer het misgaat bij injectieput Rossum 5, op tien meter afstand van natura2000 gebied Voltherbroek?
De risico’s van de waterinjectie zijn vooraf inzichtelijk gemaakt in de milieueffectrapportage12 en worden gedurende de injectie op verschillende wijzen gemonitord13. Het is met name het risico op lekkage van productiewater uit leidingen of installaties dat mogelijk tot schade aan het Natura 2000-gebied Voltherbroek kan leiden. Bij het verlenen van de injectievergunningen zijn deze risico’s meegewogen; dit vormde geen grond om de vergunningen te weigeren, wel zijn er voorschriften gesteld om schade te voorkomen dan wel te beperken. Ik verwijs u naar mijn brief van 20 augustus 202114 waarin ik bespreek welke maatregelen NAM heeft getroffen om de veiligheid van de waterinjectie in Twente te waarborgen en daarmee het Natura 2000-gebied Voltherbroek te beschermen.
Wanneer komt u met de onderzoeksresultaten van de gescheurde injectieput Sch447?
Zoals beschreven in van 6 december jl. van de toenmalige Minister van Economische Zaken en Klimaat15, heeft SodM het voornemen om de beoordeling van het onderzoek openbaar te maken zodra dit is afgerond. SodM kan op dit moment niet aangeven wanneer dat zal zijn.
Het fragment '80 miljoen zonnepanelen in 2024 zijn een ‘tikkende milieutijdbom’' |
|
Kiki Hagen (D66), Henri Bontenbal (CDA) |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het betreffende fragment uit Nieuwsuur?1
Ja.
Herkent u het beeld dat in de uitzending van Nieuwsuur wordt geschetst over de situatie omtrent recycling en hergebruik van zonnepanelen?
Ik beaam dat het geschetste beeld zorgelijk is. De financiering van een hoogwaardige verwerking van vrijkomende afgedankte zonnepanelen in de toekomst is niet op orde. Deze zorg wordt overigens ook gedeeld door Stichting OPEN (Organisatie Producentenverantwoordelijkheid E-waste Nederland), de producentenorganisatie die namens alle producenten en importeurs van elektrische en elektronische apparaten wettelijk verantwoordelijk2 is voor de inzameling en verwerking van afgedankte apparaten, waaronder zonnepanelen. Voor de financiering van de daartoe noodzakelijke inzamel- en verwerkingsstructuur brengt Stichting OPEN een afvalbeheerbijdrage in rekening bij genoemde producenten en importeurs.
Klopt het dat op dit moment een bijdrage wordt geheven van 13 cent per paneel bij de producent of importeur van zonnepanelen waarmee de inzameling en verwerking van afgedankte panelen wordt geregeld? Is dit voldoende om de recycling op gang te brengen?
De huidige afvalbeheerbijdrage die Stichting OPEN in rekening brengt bij producenten en importeurs van zonnepanelen bedraagt € 6,50 per 1.000 kg nieuwe zonnepanelen, wat inderdaad neerkomt op circa 13 cent per paneel. Dit bedrag is voldoende om de huidige kosten te dekken, maar is niet gericht op de financiering van toekomstige kosten. De huidige inzamel- en verwerkingskosten zijn momenteel laag omdat er nog zeer weinig afgedankte zonnepanelen retour komen. Een bedrag van 13 cent is volgens Stichting OPEN echter niet voldoende om de zonnepanelen die nu in een hoog tempo op de markt worden gezet, in deze omvang later in het stadium van afdanking hoogwaardig te kunnen verwerken.
Vanaf wanneer wordt deze bijdrage geheven? En hoe wordt gezorgd dat panelen, geplaatst voordat deze bijdrage geheven werd, op een correcte manier ingezameld en verwerkt worden?
De huidige afvalbeheerbijdrage bestaat al enkele jaren en wordt gebruikt om de inzameling en verwerking van afgedankte zonnepanelen in het actuele boekjaar te kunnen bekostigen. Zoals gezegd is de huidige afvalbeheerbijdrage niet gericht op de bekostiging van de toekomstige hoogwaardige verwerking van de uitstaande voorraad aan reeds geïnstalleerde zonnepanelen. Gegeven de lange levensduur van zonnepanelen is het van belang dat via de afvalbeheerbijdrage op de nieuwe zonnepanelen voldoende geld wordt gereserveerd voor de toekomstige hoogwaardige verwerking van zowel de zonnepanelen die nu worden geplaatst als de al bestaande aanwezige voorraad. Volgens Stichting OPEN kan daarbij gedacht worden aan het opzetten van een verwijderingsfonds om de nieuwe én oude voorraad geïnstalleerde zonnepanelen te kunnen verwerken. De precieze wijze waarop dit kan worden vormgegeven, gefinancierd en beheerd is de primaire verantwoordelijkheid van Stichting OPEN.
Bent u bekend met het feit dat er in België per zonnepaneel al een bijdrage aan recycling van twee euro per paneel bestaat?2 Waarom is het verschil in de bijdrage tussen België en Nederland zo groot? Wat kunnen wij leren van het Belgische systeem?
In België wordt reeds via de afvalbeheerbijdrage geld gereserveerd voor de huidige én toekomstige verwerking van alle zonnepanelen die nieuw op de markt geplaatst worden. Zoals gemeld in het antwoord op vraag 3 en 4 wordt in Nederland het tarief door Stichting OPEN berekend om de kosten in een lopend jaar te dekken, leidend tot een laag tarief omdat er op dit moment nauwelijks afgedankte zonnepanelen retour komen. Om de toekomstige generatie niet te belasten met de verwerkingskosten van grote hoeveelheden afgedankte zonnepanelen kan het volgen van het Belgische systeem en de vorming van het in antwoord 4 bedoelde verwijderingsfonds voor zonnepanelen dienstig zijn. Ik ga ervan uit dat Stichting OPEN de details van het Belgische systeem zal betrekken in de opties voor oplossing van het vraagstuk in Nederland.
Ziet u verschil in de ontwikkeling van recyclingsmogelijkheden voor zonnepanelen tussen Nederland en België? Zo ja, wat is dit verschil?
Voor de verwerking van afgedankte zonnepanelen wordt door beide landen momenteel dezelfde verwerkingslocatie gebruikt. Het totale jaarvolume van beide landen is nog steeds ruim onvoldoende om een installatie in gebruik te nemen gericht op hoogwaardige verwerking. Hiervoor is volgens Stichting OPEN circa 10.000 ton op jaarbasis nodig. De producentenorganisatie voor zonnepanelen in België PV CYCLE-België en Stichting OPEN werken samen in de verdere ontwikkeling van hoogwaardige verwerking van afgedankte zonnepanelen.
Is het mogelijk om de regelingen omtrent de bijdrage van producenten aan het recyclen van zonnepanelen in de Europese Unie gelijk te trekken? Zo ja, zou dit van toegevoegde waarde zijn?
In beginsel zijn de wettelijke condities voor de verantwoordelijkheid van producenten van elektrische en elektronische apparaten in Europa uniform. De uitvoering van die verantwoordelijkheid en de daarmee gemoeide kosten voor het afvalbeheer is aan de producenten(organisaties) en kunnen per lidstaat verschillen door diversiteit aan organisatiestructuren, uitvoeringsafspraken, contracten, omvang afvalstromen etc. Een inspanning om een Europees brede harmonisatie in de hoogte van de afvalbeheerbijdrage te bereiken zal daardoor weinig kans van slagen hebben. Ik acht het meer effectief om spoedig stappen te zetten naar een toekomstgerichte oplossing in Nederland.
Welke maatregelen heeft u al getroffen om de recycling van zonnepanelen te bevorderen?
Stichting OPEN heeft op 1 maart 2021 een algemeen verbindend verklaring4 (avv) verkregen op basis waarvan de afvalbeheerbijdrage in rekening kan worden gebracht bij alle producenten en importeurs die elektrische en elektronische apparaten op de markt brengen, waaronder de zonnepanelen. Bij het afgeven van deze avv is met Stichting OPEN afgesproken dat er een gedegen onderzoek komt naar de langjarige financiering van de hoogwaardige verwerking van afgedankte zonnepanelen. Stichting OPEN heeft inmiddels deze activiteit uitgewerkt in de Roadmap circulaire fotovoltaïsche industrie5. Aan de hand van de actiepunten in de roadmap zal het voor Stichting OPEN mogelijk zijn de structuur voor de financiering vast te stellen op basis van een toegesneden afvalbeheerbijdrage. Stichting OPEN heeft gemeld dat het onderzoek op basis van de roadmap inmiddels is gestart.
Bij wie zou volgens u de verantwoordelijkheid moeten liggen om ervoor te zorgen dat zonnepanelen worden gerecycled? Wat zou daarbij de verantwoordelijkheid van producenten en importeurs moeten zijn en welke rol zouden consumenten en gemeenten moeten spelen?
Zoals uiteengezet in de antwoorden 2 en 8 ligt de primaire verantwoordelijkheid voor een doelmatig afvalbeheer van onder meer afgedankte zonnepanelen bij Stichting OPEN. Stichting OPEN heeft aangegeven dat de afvalbeheerstructuur wordt uitgebreid om de toekomstige, grote hoeveelheden vrijkomende zonnepanelen te kunnen inzamelen en verwerken. Denk daarbij aan het inregelen van inleverpunten, het verstrekken van inzamelmiddelen en het organiseren van een hoogwaardige verwerking. Ook gemeenten kunnen bijdragen door afgedankte zonnepanelen van consumenten in te nemen via de milieustraten. Dit laatste is door Stichting OPEN reeds ingeregeld in samenwerking met de gemeenten.
Bent u in contact met producentenorganisatie OPEN over het verwezenlijken van hogere bijdrages van producenten, zodat de recycling van zonnepanelen beter ingericht kan worden? Zo ja, bent u van mening dat OPEN zelf genoeg initiatief neemt om het probleem op te lossen? Zo nee, bent u bereid in contact te treden?
Er is contact met Stichting OPEN die de noodzaak om te komen tot een goede financieringsopzet voor dit dossier onderschrijft. De hoogwaardige inzameling en verwerking zal daaruit vervolgens moeten worden bekostigd. De door Stichting OPEN opgestelde aanpak volgens de genoemde roadmap biedt de aanknopingspunten voor een verantwoorde toekomstgerichte oplossing.
Volgens Stichting OPEN is er nog tijd om de fysieke inzamel- en verwerkingscapaciteit te vergroten aangezien op zijn vroegst na 2030 de grote volumes afgedankte zonnepanelen worden verwacht. Voor de opzet van de financiering is er meer urgentie aan de orde en zal op korte termijn duidelijk moeten worden hoe door Stichting OPEN binnen het systeem van producentenverantwoordelijkheid, de financiële middelen zullen zijn gegarandeerd voor de toekomstige hoogwaardige verwerking. Daarover is regelmatig contact met Stichting OPEN.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat zogenaamde freeriders, producenten die helemaal geen recyclingsbijdrage betalen, van verbeteringen kunnen profiteren zonder een eerlijke bijdrage te leveren?
Op basis van de in antwoord 8 aangehaalde avv kan Stichting OPEN bij alle producenten en importeurs de afvalbeheerbijdrage in rekening brengen en kan freeriding worden tegengegaan. Het ontwijken van de afvalbeheerbijdrage is funest voor het gelijke speelveld door concurrentienadeel voor producenten en daarmede draagvlak voor het gehele systeem van afvalbeheer. Het tegengaan en opsporen van freeriders is de primaire verantwoordelijkheid van Stichting OPEN. De avv maakt het juist mogelijk voor hen om freeriders op te sporen en desnoods via de rechter medewerking af te dwingen.
Het bericht 'Supermarkten verkopen massaal flessen frisdrank zonder statiegeld’, onderzoek inspectie' |
|
Bouchallikh |
|
Steven van Weyenberg (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
Bent u bekend met het bericht «Supermarkten verkopen massaal flessen frisdrank zonder statiegeld, onderzoek inspectie»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat supermarkten massaal sjoemelen en frisdranken zonder statiegeld verkopen?
In de uitzending van het TV-programma Kassa van 27 november jl. werd naar voren gebracht dat er verschillende plastic flessen met frisdrank op de markt komen zonder statiegeld, waar volgens de regelgeving statiegeld op hoort te zitten. De Inspectie Leefomgeving en Transport is een onderzoek gestart. Daaruit moet blijken wat er feitelijk aan de hand is. Ik wacht die conclusies af voordat ik een oordeel vorm.
Vindt u het ook problematisch dat het lijkt alsof supermarkten hun eigen merk bevoordelen door daar geen statiegeld op te heffen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het huidige systeem tot veel verwarring leidt bij consumenten en slecht is voor het draagvlak en daarmee het milieu?
Nee, die mening deel ik niet. Het statiegeldsysteem is met ingang van 1 juli van start gegaan. Mijn beeld is dat het draagvlak voor het systeem groot is.
Mogen onder de huidige wetgeving niet alleen plastic flessen met 100% sap (en zuivel) worden uitgezonderd? Zo nee, waarom niet?
De regelgeving bepaalt dat statiegeld verplicht is voor alle plastic flessen waar water of frisdrank in is verpakt. Een frisdrank staat in de regelgeving gedefinieerd als water met suiker of zoetstoffen, waaraan koolzuur, aroma’s, eetbare bestanddelen van vruchten of planten, vruchten- of plantensappen, technische hulpstoffen, of additieven kunnen zijn toegevoegd. Zodra een drank aan deze definitie voldoet is statiegeld verplicht. Deze verplichting wil uiteraard niet zeggen dat statiegeld op andere dranken verboden is.
Naast de verplichting om statiegeld te heffen op plastic flessen voor frisdrank en water, heeft het bedrijfsleven de verplichting 90% van alle plastic drankflessen gescheiden in te zamelen. Flessen voor sap en zuivel tellen mee bij deze doelstelling.
Op welke termijn heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) het onderzoek afgerond? Per wanneer liggen er geen plastic flessen met frisdrank zonder statiegeld meer in de winkel?
De ILT heeft aangegeven minimaal 8 weken nodig te hebben om een eerste onderzoek te doen en te bepalen of tot handhaving moet worden overgegaan.
Op plastic flessen met frisdrank hoort sinds 1 juli statiegeld te worden geheven. Uitgangspunt is dat bedrijven zich nu en in de toekomst aan de regelgeving houden. De inzet van de ILT is er nu in de eerste plaats op gericht om te achterhalen of de regels worden overtreden. Ik kan geen garanties geven op welke termijn er geen overtredingen meer zijn.
Deelt u de observatie dat deze discussie en inzet van de schaarse capaciteit bij de ILT niet nodig waren geweest als er op alle dranken in plastic flessen statiegeld zou worden geheven?
Nieuwe regelgeving vraagt een periode van gewenning waarin de reikwijdte en de praktische uitwerking moet worden afgetast. In deze periode kan zich ook casuïstiek en indien nodig jurisprudentie vormen. Capaciteit voor onafhankelijke controle en inspectie op de wijze waarop nieuwe regelgeving door marktpartijen wordt uitgelegd, is mijn inziens daarbij een haast onontkoombaar gegeven. De inzet van de inspectie is er nu in de eerste plaats op gericht om te achterhalen of de regels worden overtreden.
Wist u dat er meerdere Europese landen zijn die statiegeld heffen op sap en zuivel? Waarom zou dat in uw optiek niet mogelijk zijn in Nederland?
In Nederland is destijds bij het opstellen van de regelgeving voor statiegeld op plastic flessen door het kabinet besloten om deze regelgeving specifiek te richten op frisdrank en water. De redenen om sap en zuivel geen onderdeel van de verplichting te maken waren dat productrestanten van sap en zuivel voor meer vervuiling zorgen en om extra reiniging vragen en daarmee leiden tot hogere reinigingskosten. Tevens leiden deze productrestanten tot hygiëneproblemen in de winkel. Ook worden voor het verpakken van sap en zuivel andere soorten kunststof gebruikt. Ten slotte werd aangevoerd dat ook in het destijds reeds bestaande statiegeldsysteem voor kunststof flessen groter dan 1 liter evenals in veel andere landen met een statiegeldsysteem, flessen voor sap en zuivel zijn uitgezonderd.
Strekking van deze redenen is mijn inziens niet dat het meenemen van flessen voor sap en zuivel in het statiegeld in absolute zin niet mogelijk zou zijn. Er is alleen destijds om de genoemde redenen besloten sap en zuivel niet mee te nemen. Het is bekend dat Duitsland heeft aangekondigd de statiegeldregelgeving aan te passen en dat de daar geldende uitzondering voor sap en zuivel met ingang van 2022 en respectievelijk 2024 komt te vervallen.
In 2024 wordt het statiegeldsysteem in Nederland geëvalueerd. Daarin kan bekeken worden of de destijds gemaakte afweging rond sap en/of zuivel moet worden herzien. Daarbij kunnen de ervaringen uit andere landen waaronder Duitsland worden betrokken.
Deelt u de opvatting dat de uitzonderingen voor sap en zuivel uit de statiegeldwet moeten worden gehaald om het draagvlak voor statiegeld te behouden? Zo nee, waarom niet?
Nee, het statiegeldsysteem is met ingang van 1 juli van start gegaan en mijn beeld is dat het draagvlak voor het systeem groot is.
Bedrijven die nauwelijks gecontroleerd worden op milieudelicten. |
|
Kiki Hagen (D66), Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU), Steven van Weyenberg (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat bedrijven nauwelijks worden gecontroleerd op milieudelicten, en zelden boetes krijgen wat blijkt uit onderzoek van Investico en Trouw?1, 2 Hoe oordeelt u over deze conclusies?
Ja, ik ben bekend met het bericht. Dat een aantal bedrijven nauwelijks gecontroleerd wordt is ook geconstateerd door de Adviescommissie Vergunningen, Toezicht en Handhaving (commissie Van Aartsen)3 en wordt onderschreven in het onderzoek van «Omgevingsdiensten in beeld»4. Dit vind ik een zorgwekkende conclusie en het is voor mijn voorganger mede aanleiding geweest om u met de Kamerbrief versterking VTH-stelsel5 te informeren over de acties die worden voorzien om de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen op te volgen.
Hoe vaak vindt u dat een omgevingsdienst ieder milieubelastend bedrijf op zijn minst moet bezoeken en deelt u de opvatting van milieucriminoloog Marieke Kluin dat dit minstens één keer per 6 jaar moet zijn?
Toezicht milieu maar ook handhaving milieu zijn onderdeel van het takenpakket van het bevoegd gezag. Elk bevoegd gezag beoordeelt zelf de portefeuille aan inrichtingen en de milieuhygiënische risico’s hierbij. Op basis van deze risico’s wordt door de omgevingsdienst een inschatting gemaakt van de toezicht methode (zie ook antwoord op vraag 4) en de toezicht frequentie. De frequentie van bezoeken wordt dus bepaald door meerdere factoren en deze zijn niet voor ieder bedrijf gelijk. Een bakker zal minder toezicht behoeven dan bijvoorbeeld inrichtingen binnen de petrochemische industrie. Een standaard frequentie voor alle bedrijven is daarmee niet vanzelfsprekend. Daarbij gaat de frequentie soms (tijdelijk) omhoog als er bijvoorbeeld sprake is van verscherpt toezicht.
Deelt u de mening dat opgelegde sancties doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend moeten zijn zoals in artikel 5 en 7 van de Richtlijn inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (Richtlijn 2008/99) wordt benoemd? En hoe verhoudt zich dit tot de genoemde opgelegde sancties waar maar een klein deel een boete opgelegd krijgt en het merendeel slechts een waarschuwing of een hersteltermijn met dwangsom opgelegd krijgt?
Ja, de Richtlijn is hierin duidelijk en is bedoeld om het milieu te beschermen door middel van het strafrecht. Het strafrecht is een belangrijk instrument, maar niet het enige interventiemiddel. Er is een Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) die de handhavingspartners helpt bij het kiezen van een passende interventie en gericht is op een uniforme wijze van handhaving. Het bevoegd gezag heeft een aantal instrumenten om een punitieve (bestraffende) sanctie op te leggen mocht uit een inspectie naar voren komen dat er sprake is van een overtreding.
In hoeverre opgelegde sancties doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn, wanneer er sprake is van zware overtredingen (milieucriminaliteit), wordt middels een adviesvraag voorgelegd aan de Raad van State. Deze adviesaanvraag wordt gedaan in overleg met alle betrokken departementen in de Interdepartementale commissie voor Europees recht (ICER-I). In de Kamerbrief versterking VTH-stelsel6, waaraan ik eerder refereerde bij het antwoord op vraag 1, wordt hier nader op ingegaan.
Inspecteurs bij de omgevingsdiensten kunnen een bestuurlijke strafbeschikking opleggen bij lichtere overtredingen. Op enkele terreinen van het omgevingsrecht is het opleggen van een bestuurlijke boete mogelijk. Daarnaast zijn bij bijna alle omgevingsdiensten Boa’s in dienst die strafrechtelijk onderzoek kunnen laten doen7 en een proces-verbaal kunnen opstellen dat vervolgens aan het Openbaar Ministerie wordt gestuurd. Eventueel kan dit onderzoek plaatsvinden in samenwerking met de politie.
Andere instrumenten in handen van het bevoegd gezag zijn niet bedoeld als punitieve sanctie maar als herstelmaatregel en om nieuwe overtredingen te voorkomen. Een last onder dwangsom op grond van de Algemene wet bestuursrecht bijvoorbeeld, wordt veelal opgelegd om te voorkomen dat de overtreder de overtreding in de toekomst opnieuw begaat. Voor het bepalen van de hoogte van een dwangsom is overigens geen wettelijke standaard vastgelegd, maar er is wel een leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen8 voor het bevoegd gezag die handvatten geeft voor de hoogte van een dwangsom.
Wat is uw oordeel over de opvatting van Pieter-Jan van Zanten, voorzitter van koepelorganisatie Omgevingsdienst NL, dat het eigenlijk niet zo relevant is hoeveel controles je uitvoert of hoeveel proces-verbalen je uitschrijft, dat soms wel de zwaarste straffen ingezet moeten worden, maar dat het nog veel belangrijker is welk maatschappelijk doel je bereikt?
Ik deel de opvatting van de heer Van Zanten op het punt dat het bereiken van het maatschappelijk doel voorop moet staan. Dit is ook in lijn met het advies van commissie Van Aartsen. Ook de commissie Van Aartsen geeft aan dat outcome (het maatschappelijke doel) belangrijker is dan output (bijvoorbeeld het aantal inspecties). Ik merk hierbij graag op dat de toezichthouder, voor een goede regelnaleving, meerdere instrumenten tot zijn beschikking heeft. Het gaat om de instrumentenmix welke bijvoorbeeld bestaat uit: zorgen voor actuele vergunningen en wetgeving, inspectiebezoeken, handhavingsacties, strafrechtelijk en bestuursrechtelijk optreden in samenhang, voorlichting over veel gemaakte overtredingen en communicatie. En ook hierbij geldt dat het niet gaat om de aantallen, maar om het juiste instrument op het juiste moment. Op deze wijze wordt de beperkte capaciteit zo effectief mogelijk ingezet met het grootste rendement in het bereiken van de doelstellingen
Klopt het dat cacaofabriek Cargill Aurora in Zaandam jaarlijks tientallen tonnen ammoniak uitstoot en dat autoriteiten hiervan niet op de hoogte waren?3 Zo ja, hoe is het mogelijk dat deze fabriek hier zo lang mee weg heeft kunnen komen?
Voor de cacaofabriek van Cargill Aurora in Zaandam is de gemeente Zaanstad bevoegd gezag vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en voert de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied de VTH-taken uit in mandaat van de gemeente. Bij deze omgevingsdienst is het allang bekend dat er ammoniak vrijkomt bij de productie van cacao door Cargill Aurora. De emissies en daarmee de depositiebijdragen van Cargill Aurora zijn vergund onder de Hinderwet en vinden reeds 30 jaar plaats. De depositiebijdragen maken deel uit van de totale bestaande stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
De omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied geeft aan dat Cargill Aurora sinds 2010 jaarlijks de hoeveelheid uitgestoten ammoniak moet rapporteren in het elektronische Milieujaarverslag (e-MJV). Deze jaarverslagen zijn steekproefsgewijs, handmatig gecontroleerd door de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Tijdens een controle is door deze omgevingsdienst in 2019 geconstateerd dat Cargill Aurora de jaarvracht ammoniak niet rapporteerde in het e-MJV. De omgevingsdienst heeft Cargill Aurora verzocht de jaarvracht ammoniak met terugwerkende kracht voor de periode 2010 – 2018 op te geven voor in het e-MJV. Inmiddels zijn deze cijfers ingediend. Deze worden ingelezen door het RIVM en zijn daarna openbaar. De omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied geeft aan de controles op de jaarverslagen deels te gaan automatiseren en verwacht daarvan in 2022 de eerste effecten te zien.
Het is voor Cargill Aurora overigens toegestaan om ammoniak uit te stoten onder de voorwaarde dat ze zich aan de emissienorm voor ammoniak (conform algemene regels of vergunning)10 en zich aan de maximaal toegestane jaarvracht11 houdt. De omgevingsdiensten leiden uit de vergunnings- en emissiegegevens af dat de werkelijke emissies van Cargill Aurora lager zijn dan de vergunde waarden. Cargill Aurora overschrijdt mogelijk wel de emissienorm voor ammoniak voor een specifiek deelproces. Hiertoe heeft de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied een voornemen tot een last onder dwangsom opgelegd. Cargill Aurora heeft hierop een zienswijze ingebracht. De omgevingsdienst beoordeelt nu of de zienswijze nieuwe informatie geeft en of er daadwerkelijk sprake is van een overschrijding en overgegaan zal worden tot het opleggen van een last onder dwangsom.
Wat betekent dit voor dichtbij zijnde natuurgebieden, natuurvergunningen en de stikstofproblematiek?
Nabij Cargill Aurora liggen meerdere Natura-2000 gebieden, zoals Kalverpolder, Wormer- en Jisperveld en Polder Westzaan. De uitstoot van ammoniak zorgt samen met de uitstoot van stikstofoxiden voor stikstofdepositie en is daarmee onderdeel van de stikstofproblematiek in Natura-2000 gebieden. Wanneer er sprake is van overbelasting van stikstofdepositie op een natuurgebied kan dit negatieve gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitats en -soorten. Voor met stikstof overbelaste Natura 2000-gebieden kunnen significant negatieve gevolgen, als gevolg van een depositiebijdrage van nieuwe projecten, lastiger worden uitgesloten. In het geval dat de significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten en mitigatie door bijvoorbeeld extern salderen niet mogelijk is, kan het bevoegd gezag geen nieuwe vergunning op grond van de Wet natuurbescherming verlenen.
De provincie Noord-Holland is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming voor Cargill. De omgevingsdienst Noord-Holland Noord voert deze taak, samen met de toezichts- en handhavingstaak, in mandaat van de provincie Noord-Holland uit. De provincie Noord-Holland draagt zorg voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen in de omliggende Natura 2000-gebieden en het voorkomen van verslechtering. Het is voor Cargill Aurora toegestaan om ammoniak uit te stoten onder de voorwaarde dat ze zich aan de uitstooteisen voor ammoniak houdt. De depositiebijdrage van Cargill Aurora, destijds vergund onder de Hinderwet, maken deel uit van de bestaande totale stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Hierover geeft de provincie Noord-Holland aan dat er niet meer stikstof wordt uitgestoten dan in de referentiesituatie is toegestaan. Hierdoor behoeft Cargill Aurora geen aparte vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. Ook leiden de omgevingsdiensten uit de vergunnings- en emissiegegevens af dat de werkelijke emissies van Cargill Aurora lager zijn dan de vergunde waarden. De omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied geeft aan dat er voor de Natura 2000-gebieden geen nieuwe negatieve gevolgen zijn vanwege de jaarvracht van ammoniak van Cargill Aurora.
Het kabinet geeft met een pakket aan natuur en stikstof reducerende maatregelen concreet invulling aan de verplichting om de landelijke staat van instandhouding van Natura 2000 gebieden te verbeteren totdat deze gunstig is. Het gaat om maatregelen aanvullend op eerder vastgesteld beleid dat ook zorgt voor stikstofreductie12.
Bent u op de hoogte van het feit dat bij de productie van cacao uit cacaobonen veel ammoniak vrijkomt en dat de twee grootste cacaofabrieken in de top-5 van ammoniakbronnen in Nederland staan, vlak onder kunstmestmakers? Zo ja, wat is de reden dat deze piekbelasters niet eerder in beeld zijn gebracht en dat hier niet steviger op wordt gecontroleerd?
Via de openbaar te raadplegen website www.emissieregistratie.nl zijn deze en andere emissiegegevens van verschillende verontreinigende stoffen in Nederland te raadplegen. In de top 5 van industriële ammoniakbronnen in Nederland staan inderdaad 2 cacaofabrieken. De cacaobranche is sinds de stikstofcrisis in 2019 nadrukkelijk in beeld bij de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Sindsdien heeft deze omgevingsdienst bij één bedrijf uit de cacaobranche de omgevingsvergunning milieu aangescherpt. Vervolgens heeft het desbetreffende bedrijf maatregelen genomen die leiden tot verlaging van de uitstoot ammoniak. Deze omgevingsdienst geeft aan dat deze maatregelen -vanuit het principe van level playing field- ook bij andere cacaobedrijven in de regio zullen worden ingevoerd. Verder verwijs ik u ook naar het antwoord op vraag 5 van uw fractie.
Wanneer moet het bedrijf haar ammoniakuitstoot over de afgelopen jaren hebben gerapporteerd aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)? Zijn hier gevolgen aan verbonden, zo ja welke?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 moet Cargill Aurora jaarlijks haar ammoniakjaarvracht rapporteren in het e-MJV, omdat het een zogeheten IPPC-bedrijf is en een jaarvracht van meer dan 10.000 kg ammoniak heeft. Jaarlijks moeten voor 1 april de jaarvrachten worden gerapporteerd. Hierop is één keer uitstel mogelijk van 3 maanden, waarna de rapportage door de beoordelende instantie (hier de omgevingsdienst) goed- of afgekeurd wordt. Als de gegevens ontbreken in het e-MJV doordat ze zijn afgekeurd of niet zijn ingediend dan kan de omgevingsdienst handhavend optreden. Cargill Aurora heeft inmiddels de ontbrekende gegevens ingediend voor de jaren 2010 tot en met 2018 op verzoek van de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.
Welk risico’s hebben het lage aantal controles, de weinige sancties en de terugkerende overtredingen met betrekking tot de stikstofproblematiek?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 is het van belang dat het bevoegd gezag zorg draagt voor het opstellen en uitvoeren van een risicoanalyse bij een bedrijf. Aan de hand hiervan wordt onder andere de frequentie van het aantal controles bepaald; bij een laag risico is de controlefrequentie ook lager. Een incident – melding van overlast of ongewoon voorval – of bijvoorbeeld de stikstofcrisis in 2019 kan aanleiding zijn opnieuw een risicoanalyse uit te voeren. Zoals is aangegeven op het antwoord op vraag 5 van uw fractie moest Cargill Aurora vanaf 2010 jaarlijks de hoeveelheid uitgestoten ammoniak rapporteren in het e-MJV. Dit heeft zij niet gedaan in de periode 2010–2018.
Het is voor Cargill Aurora toegestaan om ammoniak uit te stoten onder de voorwaarde dat ze zich aan de emissienorm voor ammoniak (conform algemene regels of vergunning) en zich aan de maximaal toegestane jaarvracht houdt. De depositiebijdragen van Cargill Aurora zijn vergund onder de Hinderwet en deze depositiebijdragen maken deel uit van de totale bestaande stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De omgevingsdiensten leiden uit de vergunnings- en emissiegegevens af dat de werkelijke emissies van Cargill Aurora lager zijn dan de vergunde waarden. De omissie in het e-MJV tussen 2010–2018 zorgt derhalve niet voor nieuwe effecten op de stikstofproblematiek.
Kan worden gereflecteerd op het rapport van de commissie Van Aartsen en hun aanbevelingen omtrent het onderzoek van Investico?
Het onderzoek van Investico en de artikelen hieromtrent onderstrepen de urgentie van het onderwerp en ondersteunen de conclusies en aanbevelingen van de commissie Van Aartsen. De in mijn ogen zorgwekkende conclusies zijn voor mijn voorganger mede aanleiding geweest om de Kamer met de Kamerbrief versterking VTH-stelsel13 te informeren over de acties die worden voorzien om de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen op te volgen.
Mogelijke ontwijking van het statiegeldsysteem |
|
Kiki Hagen (D66) |
|
Steven van Weyenberg (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
![]() |
Kunt u de huidige stand van zaken schetsen, naar aanleiding van de uitspraak van uw voorganger op 19 november 2020 om «de vinger aan de pols te houden» omtrent het functioneren van het statiegeldsysteem en mogelijke ontwijking daarvan?
Sinds 1 juli jl. is statiegeld verplicht op alle kunststof drankflessen voor water en frisdrank tot en met 3 liter. Het kabinet heeft toegezegd te monitoren of producenten, in reactie op de statiegeldverplichting, uitwijken naar verpakkingen waar geen statiegeldverplichting voor geldt. Daarbij is ook toegezegd om aanvullende beleidsmaatregelen te nemen indien er sprake is van een verschuiving.
Zoals in deze brief uiteengezet ben ik voornemens de toezegging om de verschuivingen te monitoren op twee manieren na te komen. Ten eerste door te kijken naar ontwikkelingen in de hoeveelheid drankverpakkingen in het zwerfafval door middel van de monitoring door Rijkswaterstaat. Ten tweede door op basis van marktgegevens in beeld te brengen welke drankverpakkingen zijn verkocht en te bezien of de verkoop van drankverpakkingen zonder statiegeld toeneemt.
Bent u bekend met de recente ontwikkeling dat als vervanger van plastic statiegeldflesjes kartonnen drankverpakkingen op de markt worden gebracht waarover geen statiegeld betaald wordt en dat deze verpakkingen bijna net zo veel plastic bevatten?1
Ja, daarmee ben ik bekend en deze ontwikkelingen baren ook mij zorgen.
Deelt u de mening dat dit een onwenselijke ontwikkeling is? Zo ja, hoe kan dit tegengegaan worden? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat een dergelijke ontwikkeling onwenselijk is en de signalen baren mij dan ook zorgen. Statiegeld zorgt voor een hoogwaardige inzameling en kunststof flessen die via statiegeld worden ingezameld kunnen daarom gerecycled worden tot nieuwe flessen. Ook gaat inzameling via statiegeld het ontstaan van zwerfafval tegen. Wanneer producenten kiezen voor andere drankverpakkingen zonder statiegeld, worden deze positieve effecten van statiegeld ondermijnd.
Zoals ik tijdens de Begrotingsbehandeling al heb aangekondigd, heb ik de verschuiving naar drankenkartons besproken met het bedrijfsleven. Daarbij heb ik aangegeven dat ik van het bedrijfsleven verwacht dat de ontwikkeling stopt.
Is sprake van een toename van producten met kartonnen drankverpakkingen ten opzichte van de situatie voor de invoering van statiegeld op kleine plastic flessen?
Zoals in deze brief uiteengezet kan ik in april 2022 in kaart brengen in hoeverre er sprake is van een toename van het gebruik van drankenkartons ten opzichte van de situatie voor de invoering van statiegeld.
Bent u bekend met het feit dat de Albert Heijn water in kartonnen verpakkingen verkoopt en daarbij adverteert met de zin «zonder statiegeld»?2 Wat is uw oordeel hierbij?
Ja, dat voorbeeld heb ik gezien. Ik vind het een zeer ongelukkig gekozen wijze om waren aan te prijzen. Wel heb ik de indruk dat het een uiting van een individuele supermarktondernemer betreft en niet breder door de supermarktketen wordt gebruikt. Dat heeft het concern ook aan mij bevestigd.
Deelt u de mening dat dit ontwijking van het statiegeldsysteem is? Zo ja, op welke manier gaat u deze ontwijking tegen? Zo nee, waarom niet?
Een ongelukkig advertentie is mijn inziens nog niet direct ontwijking. Ik ontvang echter ook signalen van producenten of supermarktketens die structureel lijken te kiezen voor het verpakken van water of ijsthee in een drankenkarton. Daar richt mijn zorg zich meer op. Zoals in de brief uiteengezet heb ik besloten om een recyclingdoelstelling voor drankenkartons in te voeren. Deze doelstelling zorgt voor een gelijk speelveld voor alle soorten drankverpakkingen.
Daarnaast heb ik richting het bedrijfsleven gecommuniceerd dat als uit de bovengenoemde zwerfafvalmonitor of monitor van de marktgegevens in 2022 blijkt dat de hoeveelheid drankenkartons toeneemt, aanvullende maatregelen worden genomen. Daarbij verken ik in ieder geval de mogelijkheden van het verplichten van statiegeld op drankenkartons en het verbieden van het gebruik van drankenkartons voor het verpakken van water en frisdrank.
Zijn al gesprekken gestart met supermarkten en drankproducenten over deze ontwikkelingen? Zo ja, welke boodschap geeft u hier af?
Ja, ik heb gesproken met het bedrijfsleven. In deze brief ben ik hierop ingegaan.
Daarnaast heeft ook de ILT contact gezocht met de betreffende producenten en onderzoekt of het gebruik van drankenkartons voor het verpakken van water in strijd is met geldende wettelijke eisen voor verpakkingen.
In hoeverre denkt u dat supermarkten en producenten de genoemde verpakkingen zullen toepassen op producten die nu in blikjes worden verpakt, als eind 2022 ook op blikjes statiegeld geheven zal worden? Hoe kan dit voorkomen worden?
Drankenkartons worden in Nederland voornamelijk gebruikt voor het verpakken van zuivel en sap. Drankenkartons zijn niet geschikt voor het verpakken van koolzuurhoudende dranken. Bij de voorbeelden die naar voren worden gebracht, is er dan ook sprake van het toenemend gebruik van drankenkartons voor het verpakken van koolzuurvrij water of het verpakken van koolzuurvrije ijsthee. Metalen drankblikjes worden voornamelijk gebruikt voor het verpakken van koolzuurhoudend bier en koolzuurhoudende frisdranken. Het is niet mogelijk drankenkartons hiervoor te gebruiken. Een klein deel van de metalen drankblikjes wordt gebruikt voor water, sappen, zuivel en andere (alcoholische) drankjes. Beleidsmaatregelen voor het voorkomen van een verschuiving van deze drankblikjes naar drankenkartons zijn mijn inziens gelijk aan de genoemde maatregelen om verschuiving van flesjes naar drankenkartons tegen te gaan.
Welke andere alternatieve drankverpakkingen om statiegeld te ontlopen zijn sinds de verruiming van het statiegeldsysteem in opkomst? Op welke schaal is vindt deze ontwikkeling plaats?
Naast de verschuiving rond drankenkartons, ben ik bekend met een voorbeeld van een producent die water verkoopt in een herbruikbare fles en daarover geen statiegeld in rekening brengt. Ondanks dat een overstap naar herbruikbare flessen wenselijk is, hecht ik eraan te benadrukken dat alle kunststof flessen die gevuld met water of frisdrank worden verkocht onder de statiegeldverplichting vallen. De ILT heeft contact gezocht met de betreffende producent.
Is het huidige ontwijkingsgedrag reden om de huidige en aangekondigde regelgeving aan te scherpen?
Ik ben in deze brief nader ingegaan op mijn inzet en de (mogelijke) maatregelen die ik voorzie.
Is het mogelijk om deze vragen te beantwoorden voor het commissiedebat Circulaire economie op 18 november 2021?
Bij deze heb ik aan uw verzoek voldaan.
De berichten dat ophoping van plastics en chemicaliën gerust mag worden beschouwd als de derde planetaire crisis en dat de schade door plastic bijna tien keer hoger ligt dan de prijs |
|
Eva van Esch (PvdD) |
|
Steven van Weyenberg (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Plastic en andere chemische stoffen stapelen zich op in de grond: een nieuwe planetaire crisis dreigt»?1
Ja. Het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) heeft milieuvervuiling bestempeld als een van de drie planetaire crises.
Wat is uw reactie op het feit dat de ophoping van chemicaliën op onze planeet gerust mag worden beschouwd als de derde planetaire crisis – naast klimaatverandering en het grootschalig verlies aan biodiversiteit – en dat deze drie problemen elkaar continu beïnvloeden?
De wereldwijde vervuiling van bodem, water en lucht met schadelijke stoffen kan inderdaad een planetaire crisis genoemd worden. Het is één van de oorzaken van het verlies aan biodiversiteit.
Wat is uw reactie op de stelling van bodemonderzoeker Violette Geissen «als de diversiteit in de bodem afneemt en het tegelijk warmer wordt zodat de grond uitdroogt, diezelfde grond steeds minder weerstand heeft tegen andere verstoringen zoals chemische vervuiling»? Houdt uw beleid rekening met zulke wisselwerkingen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin klopt deze stelling. Een gezonde bodem heeft een goede verhouding tussen de chemische, fysische en biologische aspecten van de bodem. Beschikbaarheid van water is natuurlijk essentieel voor het functioneren van bodems. Het is duidelijk dat bij droogte en een verminderde ecologie van de bodem gewassen minder groeien. Aanwezigheid van chemicaliën heeft uiteraard ook effect op de bodemecologie. Hieruit blijkt al dat het bodemsysteem complex is. Vanuit het beleid wordt wel steeds meer gekeken vanuit het gehele bodem-ecosysteem, zo wordt bijvoorbeeld via goede landbouwpraktijk invulling en maatwerk geleverd. Ook wordt gewerkt aan klimaatadaptatie, peilbeheer en het beter vasthouden van water door het verhogen van het organisch stofgehalte in de bodem. Voorts is in de bodemregelgeving in de normstelling voor verontreinigingen nadrukkelijk rekening gehouden met de schadelijkheid van verontreinigingen voor de ecologie. Door het RIVM wordt, zoals ook in het artikel wordt opgemerkt, verder gewerkt aan de kennisbasis rond mengseltoxiciteit.
Het klopt dat er internationaal, met name vanuit de EU grote aandacht is voor bodemecologie. De aangekondigde herziening van de EU bodemstrategie eind dit jaar komt deels voort uit de Biodiversiteitsstrategie 2030. In zijn algemeenheid deel ik de zorg van de afnemende biodiversiteit en daarmee ook die van de Nederlandse bodems. Ik bekijk in hoeverre ik dit kan meenemen in de uitwerking van het Programma Bodem en Ondergrond dat opgesteld wordt als uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie.
Welke (extra) maatregelen gaat u nemen om het groeiende plasticprobleem en de ophoping van chemicaliën in Nederland tegen te gaan?
Zoals vraag 2 al aangeeft moet op de eerste plaats worden gesteld dat de problematiek rond chemicaliën een mondiale aanpak vraagt. In eigen land onderkende Nederland, als dichtbevolkt land met veel industriële en agrarische activiteit, al begin jaren ’70 de noodzaak van het aanpakken van milieuverontreiniging, waarna we ons niet alleen nationaal maar ook Europees en mondiaal hebben ingezet om dit aan te pakken.
Nederland heeft een relatief groot aandeel in de ontwikkeling van het Europese beleid, waarvan het artikel enkele voorbeelden geeft. Over een recent Nederlands initiatief is uw Kamer regelmatig geïnformeerd: de voorbereiding, samen met enkele andere lidstaten, van een Europees verbod op gebruik van stoffen uit de PFAS-groep (behoudens in essentiële toepassingen).
Ook mondiaal draagt Nederland actief bij aan het signaleren en aanpakken van milieuverontreiniging, onder meer via inzet op goede implementatie van de drie chemicaliënverdragen. In dit kader is Nederland een donorland voor ontwikkelingslanden die ondersteuning krijgen bij het opzetten en handhaven van beleid.
Op de aanpak van de nadelige gevolgen van plasticgebruik ga ik in het antwoord op vraag 8 in.
Wat is uw reactie op de stelling van bodemonderzoeker Violette Geissen dat we in een papieren schijnwereld leven, «waar alles perfect is en elke norm altijd gehaald wordt, maar in de echte wereld kijken we nauwelijks»?
Het kabinetsbeleid is erop gericht om alle plastic – zowel bioafbreekbaar als niet bioafbreekbaar plastic in te zamelen en te recyclen. Het achterblijven van plastic in de natuur is niet de bedoeling. Specifiek voor bioafbreekbaar plastic geldt dat mijn voorganger in haar brief aan uw Kamer van 10 juni 2021 heeft gemeld dat we werken aan een verbod op bioafbreekbare plastics, behalve in toepassingen waar het meerwaarde heeft (bijvoorbeeld wanneer deze gebruikt worden als inzamelmiddelen en er daarmee meer organisch materiaal in de kringloop wordt gehouden of vervuiling in de compost wordt verminderd). Deze regelgeving werkt IenW uit in samenspraak met de Vereniging Afvalbedrijven en andere betrokken partijen, zodat het goed aansluit bij de praktijk.
Is het volgens u noodzakelijk om een internationaal panel van wetenschappers op te richten dat beleidsmakers kan voorzien van advies over het plastic en chemicaliën probleem? Of zijn er al voldoende wetenschappelijke adviezen die aangeven wat we moeten doen, en moeten we dus vooral tot uitvoering overgaan?
Er zijn verschillende mondiale gremia en verdragen waarbij aandacht is voor de kennisopbouw, kennisuitwisseling, afspraken en implementatie om de verontreiniging van chemicaliën en plastic terug te dringen. Voorbeelden hiervan zijn de VN-verdragen van Bazel, Rotterdam, Stockholm en Minamata over respectievelijk het beheer en overbrenging van afval, voorafgaande kennisgeving bij overbrenging gevaarlijke stoffen, beheer en uitfasering persistente organische vervuilingen en kwik. Daarnaast is er SAICM (Strategic approach to international chemicals management), een multi-stakeholder samenwerkingsverband. Zoals ook in het antwoord op vraag 4 aangegeven, zet Nederland zich al sinds de jaren ’70 in op nationaal, Europees en mondiaal niveau om milieuverontreiniging aan te pakken, waaronder in bovengenoemde gremia.
Er is veel wetenschappelijke kennis over chemicaliën en plastic en deze kennis ontwikkelt zich altijd verder en soms leidt dat tot tegengestelde conclusies. Daarom wordt mondiaal nu ook gesproken over nut en noodzaak van een wetenschappelijk panel vergelijkbaar met het IPCC onder het klimaatverdrag om eenduidige informatie te krijgen voor beleidsbeslissingen.
Ik ben een voorstander van een op bewijs gebaseerde aanpak van milieuverontreiniging en daarmee ook het zorgen voor een goede verbinding tussen wetenschap en beleid op internationaal niveau. Wat mij betreft is er op dit moment voldoende informatie beschikbaar om daar waar nodig actie te ondernemen. Deze boodschap draag ik internationaal uit.
Kent u het bericht «Schade door plastic ligt bijna tien keer hoger dan de prijs: wereldwijd 2,8 biljoen euro aan verborgen kosten»?2
Ja.
Voelt u de urgentie om iets aan het plasticprobleem te doen en te voorkomen dat Nederland bijdraagt aan dit probleem? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Ja, net als mijn voorganger voel ik de urgentie om de problematiek die speelt rond plastic aan te pakken. De afgelopen jaren zijn heel wat maatregelen genomen om de milieu-impact van plastic te verkleinen. Sinds juli van dit jaar is wetgeving gericht op wegwerpplastics ingegaan, waaronder een verbod op een aantal specifieke producten die veel in het zwerfafval worden aangetroffen en waarvoor prima alternatieven beschikbaar zijn. Tevens is er statiegeld op kleine flesjes ingevoerd. Ik zal op korte termijn nadere maatregelen bekendmaken om het gebruik van plastic bekers en maaltijdverpakkingen terug te dringen. Ook werk ik aan uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor de kosten van het zwerfafval. Dit is in aanvulling op de gedragscampagne om ervoor te zorgen dat er minder zwerfafval ontstaat in parken. Er is daarnaast een beleidsprogramma microplastics waarin wordt gewerkt aan het tegengaan van de uitstoot van microplastics.
In het Plastic Pact NL hebben koplopers afspraken gemaakt om in elke fase van de plasticketen – van ontwerp, het gebruik en afdanken tot nieuwe toepassingen van eenmalige plastic producten en verpakkingen – maatregelen te nemen. Er zijn ambitieuze doelstellingen voor 2025 voor de recyclebaarheid, reductie, hergebruik, recycling en het toepassen van gerecycled materiaal.
Bent u tevreden met het Nederlandse beleid zolang er jaarlijks nog altijd meer plastics en chemicaliën het milieu ingaan dan we eruit halen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u eraan doen dat te veranderen?
We zijn er nog lang niet, dus dit verdient onze blijvende aandacht. Daarom werkt het kabinet aan nieuwe maatregelen. De Europese Commissie werkt aan de verdere aanscherping van de Verpakkingenrichtlijn. Daarbij zet ik mij in voor de reductie van wegwerpplastic, meer hergebruik en de verplichte toepassing van een percentage recyclaat in nieuwe kunststof producten. Op EU-niveau wordt ook gewerkt aan een voorstel met een beperking tot het op de markt brengen van bewust toegevoegde microplastics (deeltjes kleiner dan 5 millimeter doorsnede). Dit voorstel wordt eind dit jaar verwacht.
En net voor de zomer heeft uw Kamer een rapport ontvangen waarin een heffing op fossiele plastic is verkend (Kamerstukken II 2020/21, 35 572, nr. 90). De eventuele uitwerking van een plastic taks is aan het volgende kabinet
Wat vindt u ervan dat voor iedere euro die wordt betaald voor de productie van plastic, de maatschappij nog eens € 9 betaalt voor de schade die dit plastic aanricht?
Het gegeven dat de werkelijke kosten van plastic – maar overigens ook van andere productgroepen, zoals textiel – veel hoger liggen dan de productieprijs of de prijs die consumenten betalen, past niet in een circulaire economie. Ik zet me in voor een circulaire economie waarin efficiënter en zorgvuldiger wordt omgegaan met grondstoffen. Dit levert een belangrijke bijdrage aan het tegengaan van klimaatverandering en biodiversiteitsverlies, maar ook aan het tegengaan van vervuiling van lucht, water en bodem en het vermindert de leveringsrisico’s van grondstoffen.
Wat vindt u ervan dat de externe kosten – kosten die niet bij de prijs van kunststoffen zijn inbegrepen – in 2019 wereldwijd werden geschat op 2,8 biljoen euro en dit bedrag in 2040 ruim kan zijn verdubbeld als we niets doen aan onze omgang met plastics?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe hoog zijn de externe kosten van plastic voor Nederland?
Er is mij geen integrale studie bekend over de precieze externe kosten voor plastic in Nederland. Wel wordt in een studie van PBL uit 2018 ingegaan op monetaire milieuschade in Nederland van onder meer de basis-chemie, maar dit ziet alleen op de emissies naar de lucht die ontstaan bij de productie. TNO meldt in een white-paper over circulaire plastics uit 2020 het volgende over de verborgen kosten van de plasticindustrie wereldwijd. In 2014 schatte UNEP de totale verborgen kosten van de plasticindustrie op $ 75 miljard per jaar, waarvan 30% als gevolg van broeikasgasemissies. Dit is waarschijnlijk een onderschatting, want er is sprake van voortschrijdend inzicht wat betreft de schade van plastic-afval voor de bodem en de oceanen, en de gevolgen van broeikasgasemissies voor de klimaatverandering. Het genoemde bedrag vertegenwoordigt ongeveer 14% van de jaaromzet in plastics, zijnde $ 523 miljard. In 2020 schatte Carbon Tracker de totale verborgen kosten van plastics op € 350 miljard per jaar.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de schade die plastic aanricht in Nederland wordt verhaald op de producent hiervan en niet de maatschappij?
Voor plastic verpakkingen kennen we in Nederland een systeem van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Dit betekent dat producenten die plastic verpakkingen op de markt brengen wettelijk verantwoordelijk zijn deze verpakkingen in te zamelen en te recyclen. Producenten dragen hiervan ook reeds te kosten, deze liggen in de huidige situatie tussen de € 200 en 300 miljoen per jaar. Het systeem van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid wordt met ingang van 2023 verder uitgebreid. Producenten gaan dan ook meebetalen aan de kosten voor het opruimen van zwerfafval van plastic verpakkingen.
In het antwoord op vraag 9 verwees ik naar de verkenning die dit kabinet – naar aanleiding van een motie van het lid Van Raan (PvdD) – heeft laten uitvoeren naar een nationale heffing op virgin plastic. In deze studie zijn verschillende varianten onderzocht voor een heffing op nieuw plastic en zijn de effecten daarvan op milieu en economie kwalitatief in beeld gebracht. Deze verkenning kan dienen als het vertrekpunt voor de uitwerking van een plastic taks.
Hoe verhouden de kosten van het opruimen van plastic uit de natuur in Nederland zich tot de kosten die gemaakt moeten worden om te voorkomen dat plastic in de natuur terecht komt? Welke van die twee is het meest kostenefficiënt?
De inzet is dat plastic niet in het milieu terechtkomt. Preventie door het voorkomen van onnodig gebruik van plastic is daarbij de eerste stap. Voor plastic dat wel op de markt komt moeten goede manieren van inzameling beschikbaar zijn, waarmee wordt voorkomen dat plastic afval in de natuur komt. Het opruimen van zwerfafval is een laatste stap. Kostenefficiëntie is geen factor die van invloed is op deze afvalhiërarchie, en is derhalve niet in kaart gebracht.
Bent u het eens dat het beter is om kosten te maken om te vóórkomen dat plastic in de natuur eindigt dan om kosten te maken om de plastic op te ruimen wanneer het al in de natuur ligt? Zo ja, wat gaat Nederland doen om het huidige plasticverbruik te verminderen? Zo nee, waarom niet?
Het voorkomen van plastic in de natuur is het uitgangspunt. Het verminderen van plastic verbruik is daarbij een van de oplossingsrichtingen. In het kader van de implementatie van de Single Use Plastic richtlijn zijn verschillende kunststofproducten voor eenmalig die veel in het zwerfafval tegenkomen, verboden. Binnenkort zal ik uw Kamer nader informeren over de aanvullende maatregelen die Nederland neemt in het kader van de richtlijn, maatregelen die als doel hebben de hoeveelheden drank- en voedselverpakkingen voor eenmalig gebruik te reduceren. Daarnaast zijn producenten, zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 13, verantwoordelijk voor het opzetten van inzamelsystemen voor plastic verpakkingen. Onderdeel hiervan is ook de wettelijke verplichting voor statiegeld op plastic flessen. Op 31 december 2022 gaat ook de verplichting voor statiegeld op blikjes in.
Vooruitlopend op wet- en regelgeving heeft het Plastic Pact NL de doelstelling om reductie en hergebruik van plastic te bevorderen. Zo wordt er ingezet op een pilot voor herbruikbare koffiebekers en maaltijdcontainers, en wordt het gebruik van alternatieve materialen gestimuleerd waar het aantoonbaar een betere milieu-impact oplevert.
Het voorkomen van zwerfafval kan ook door het effectief faciliteren van het weggooi- en achterlaatgedrag, bijvoorbeeld door goede afvalbakken op goede locaties en een open inrichting van de openbare ruimte en handhaving. Hier hebben de gebiedsbeheerders in Nederland volop aandacht voor. Daarnaast is er veel te winnen in het gedrag van mensen: effectieve communicatie of andere manieren van gedragsbeïnvloeding zijn daarbij de instrumenten. Gezien de vele oorzaken van zwerfafval, is het onwaarschijnlijk dat het zwerfafval probleem volledig op te lossen is met preventief beleid. Opruimen zal ook noodzakelijk blijven. Met de invoering van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor zwerfafval krijgen de gebiedsbeheerders meer middelen tot hun beschikking om dit goed te doen.
Op welke manier gaat Nederland bijdragen aan het stimuleren van innovatie en gebruik van alternatieven voor (wegwerp) plastic?
Zoals in het antwoord op vraag 15 genoemd, zal ik uw Kamer nog dit najaar informeren over nadere maatregelen die worden genomen om de hoeveelheid plastic drink- en voedselverpakkingen voor eenmalig gebruik te reduceren. Doel van die maatregelen is de hoeveelheid eenmalige verpakkingen te reduceren en het stimuleren van innovatie in de transitie naar herbruikbare verpakkingen.
Bent u bereid hogere belasting te heffen op plastics uit aardolie, externe kosten toe te voegen aan de prijs voor plastic zodat het recyclen van kunststoffen rendabeler wordt en het verbod op wegwerpplastic uit te bereiden? Zo ja, hoe gaat u dit aanpakken en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de brief aan uw Kamer op 14 juni jongstleden, laat het kabinet het besluit over de invoering van een plastic taks over aan het nieuwe kabinet.
Hoe staat u tegenover het heffen van belasting op virgin plastics waartoe wordt opgeroepen in de aangehouden motie van de leden Van Esch en Van Raan over een belasting op polymeren?3 Bent u van plan eigenstandig met een wetsvoorstel te komen om belasting op polymeren in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 17.
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie-Van Esch c.s. over onderzoeken welke productgroepen recyclebaar gemaakt kunnen worden?4
De WUR heeft recentelijk onderzoek afgerond naar de recyclebaarheid van kunststof verpakkingen.5 Uit dit onderzoek blijkt dat 27% van de kunststofverpakkingen goed te recyclen is. De overige 73% is onder te verdelen in verschillende categorieën:
Ter uitvoering van de motie Agnes Mulder/de Groot (Kamerstukken II 2020/21, 32 852 nr. 169) ben ik met het verpakkende bedrijfsleven in gesprek over een over een plan om het aandeel recyclebare verpakkingen te verhogen. Ik zal uw Kamer voor het volgende commissiedebat over circulaire economie over de voortgang informeren.
Wat vindt u van het idee van het World Wide Fund for Nature (WWF) om te onderhandelen over een «juridisch bindend mondiaal verdrag over plasticvervuiling in de zee» om zo het plastic probleem internationaal aan te pakken? Bent u bereid zich hiervoor hard te maken bij de vijfde zitting van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (VN-Milieuprogramma) in februari 2022? Zo nee, waarom niet?
In UNEA-verband vindt al enige jaren discussie plaats over een mondiale aanpak van plastic zwerfvuil. Een mondiale verbindende architectuur, die een mondiaal level playing field voor een mondiaal probleem creëert, ontbreekt op dit moment. Er lijkt op dit moment brede steun voor de ontwikkeling van een juridisch instrument, een Verdrag. NL en de EU zouden de totstandkoming van een Verdrag zeker toejuichen. Een internationaal Verdrag creëert een wereldwijd basisniveau en kan bestaan naast bestaande initiatieven op lokaal, nationaal en regionaal niveau.
Het bericht ‘Greenwashing bedrijven dreigt door lage prijs CO2-compensatie’ |
|
Raoul Boucke (D66), Romke de Jong (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (staatssecretaris economische zaken) (VVD), Stef Blok (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Greenwashing bedrijven dreigt door lage prijs CO₂-compensatie en bent u het eens met de conclusie van de geciteerde onderzoeken dat echte CO₂-reductie immers veel meer kost dan wat bedrijven nu betalen voor het compenseren van hun uitstoot? Zo nee, waarom niet?1
Ja, ik ben bekend met het artikel. Het klopt, zoals de onderzoekers stellen, dat er momenteel nog oude rechten uit de implementatieperiode van het Kyoto Protocol in de markt voor CO2-compensatie rechten beschikbaar zijn. Ik onderschrijf ook dat de gemiddelde prijs nu lager ligt dan je zou mogen verwachten als er alleen gecompenseerd wordt met nieuwe CO2-reducties, door de beschikbaarheid van deze oude rechten. Ik wil daaraan echter niet de conclusie verbinden dat in alle gevallen de prijs van CO2-compensatierechten geen goede weergave is van wat het op dit moment kost om CO2-uitstoot te reduceren. De daadwerkelijke prijs die reductie kost is afhankelijk van verschillende factoren. Zo zal in ontwikkelingslanden, waar nog mogelijkheden zijn om tegen relatief lage kosten CO2-uitstoot te reduceren, de prijs een stuk lager liggen dan in landen die al verder zijn met hun klimaatbeleid. Ook kunnen er grote verschillen zijn in de prijs tussen economische sectoren.
Wat is de gemiddelde prijs om een ton CO₂ te compenseren in Nederland, binnen en buiten de Europese Unie?
De gemiddelde marktprijs voor compensatie buiten Nederland wordt gedreven door vraag en aanbod en varieert per aanbieder van CO2-compensatierechten. Op deze mondiale markt zijn verschillende aanbieders en tussenhandelaren actief. De actuele gemiddelde prijzen worden niet openbaar gemaakt. Wel zijn er verschillende studies beschikbaar waar prijzen en de ontwikkeling ervan zijn onderzocht. Zo is er Ecosystem Marketplace, dat deze informatie opvraagt bij aanbieders en jaarlijks publiceert. Het meest recente overzicht is van 2020 met daarin data over de prijsontwikkeling van het jaar 2019. Daaruit blijkt dat voor aanbieders die zich richten op meer kleinschalige projecten en projecten met co-benefits voor duurzame ontwikkelingsdoelen, zoals Gold Standard ($ 5,27) en Plan Vivo ($ 8,99) de gemiddelde prijs hoger is dan aanbieders die rechten van relatief meer grootschalige projecten aanbieden, zoals het Clean Development Mechanism ($ 2,02) en Verified Carbon Standard ($ 1,62)2.
Partijen buiten het EU ETS kunnen er ook voor kiezen om ETS rechten op te kopen en te vernietigen. Daarvoor geldt de EU ETS marktprijs, die momenteel schommelt rond de € 60 per ton.3
Klopt het dat op de markt een overschot aan oude CO₂-credits bestaat? Zo ja, op welke manier zijn deze ontstaan en hoe groot is dit overschot?
Ja, dit klopt. Zie ook mijn antwoord op vraag 1.
Er zijn verschillende schattingen hoe groot het overschot is, afhankelijk van welke aannames worden gebruikt. Zo zijn er veel «slapende» projecten van het Clean Development Mechanism (CDM; het Kyoto Protocol instrument voor compensatie in ontwikkelingslanden). Dit zijn projecten die zich ooit geregistreerd hebben bij de UNFCCC (United Nations Framework Convention on Climate Change) maar die nog nooit of slechts gedeeltelijk CO2-rechten hebben uitgegeven. Bij een hogere prijs door toenemende vraag zouden deze projecten weer rechten kunnen gaan uitgeven. Een studie van experts van de OESO en IEA uit 2019 berekende destijds dat er zo’n 3500 slapende projecten zijn. Ook verwees deze studie naar een analyse van het UNFCCC-secretariaat uit 2019, waaruit een mogelijk overschot blijkt van tussen de 2.300 megaton CO2 en 4.500 megaton CO2 voor de periode t/m 2020, afhankelijk van hoeveel projecten nog rechten gaan uitgeven4.
Het overschot is ontstaan door verschillende oorzaken. Er zijn in het verleden veel CDM-projecten geregistreerd omdat naast de EU, dat CDM-rechten toestond in haar ETS, de verwachting was dat ook grote landen als de VS vraag zouden hebben naar deze rechten. Vervolgens daalde de vraag naar emissierechten sterk doordat de VS zich terugtrok, vanwege de recessie als gevolg van de mondiale financiële crisis in 2008–2009, de sterkere nadruk op binnenlandse emissiereducties in plaats van compensatie in het buitenland en het besluit van de EU om het gebruik van CDM-rechten in het EU-ETS te beperken.
Is het mogelijk dat Europese bedrijven gebruik maken van oude CO₂-credits? En hoe passen deze credits binnen het Europese systeem voor emissiehandel (ETS)?
Bedrijven kunnen binnen het EU ETS geen gebruik maken van compensatie-credits. In het verleden kon dit wel. Het gebruiken van internationale credits van het Clean Development Mechanism en Joint Implementation, instrumenten voor de implementatie van het Kyoto Protocol, was mogelijk onder diverse kwalitatieve restricties, tot een maximum hoeveelheid en tot het jaar 2020.
De Europese Unie heeft geen regulering voor bedrijven die vrijwillig hun CO2-uitstoot compenseren en welke credits ze daarvoor mogen gebruiken. Bedrijven doen dit bijvoorbeeld als ze zelf, zonder aanwijzing van de overheid, eigen klimaatdoelen hebben gesteld.
Hoe oordeelt u over de uitspraak van professor Simon Lewis dat de huidige markt voor compensatierechten het «wilde westen» is en meer onafhankelijk toezicht nodig is?
De huidige markt voor CO2-compensatierechten kent geen toezicht door overheden. Er zijn verschillende aanbieders van CO2-compensatie rechten actief en ook zijn er standaarden waar aanbieders terecht kunnen voor het certificeren van projecten waarmee CO2-compensatie rechten worden uitgegeven. De afgelopen tijd is de markt door een groeiend aantal bedrijven die zelf klimaatdoelen stellen aan omvang toegenomen.
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft instrumenten tot haar beschikking om Nederlandse consumenten te beschermen tegen misleiding door verkopers en dit geldt ook voor misleidende duurzaamheidsclaims. Wanneer een consument het vermoeden heeft dat er bij aangeboden CO2-compensatie sprake is van misleiding, kan hiervoor een melding worden gemaakt bij de ACM. De ACM kan vervolgens besluiten om op basis van meldingen een onderzoek te starten naar het bedrijf dat de CO2-compensatie aan consumenten aanbiedt. Naast onderzoek op basis van meldingen kan de ACM ook zelf actief claims en aanbieders van CO2-compensatie onderzoeken. In dit onderzoek kan de ACM kijken naar misleiding in de claims, maar ook naar onderliggend bewijs van de aanbieders.
Daarnaast is dit voorjaar een brief gestuurd naar de Europese Commissie (DG CLIMA) van de Europese Commissie om de Commissie te vragen de mogelijkheden te onderzoeken voor beleid vanuit de Europese Unie. Het is in mijn optiek effectiever om transparantie in de CO2-compensatiemarkt te borgen wanneer Europese lidstaten en de Europese Commissie hier gezamenlijk in optrekken, vanwege het internationale karakter van deze markt.
Hoe oordeelt u over het feit dat het compenseren van CO₂ en de credits die hier uit volgen vele malen hoger zijn in Nederland dan in andere landen?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 5 bestaan hierover tussen landen op dit moment geen internationale afspraken. Ik heb daarom ook geen inzicht of deze praktijk in Nederland meer voorkomt dan in andere landen en hoeveel door Nederlandse partijen gecompenseerd wordt. Vanuit de overheid wordt CO2-compensatie door partijen die eigen vrijwillige klimaatdoelen stellen niet opgelegd.
Op welke manier worden bedrijven gestimuleerd om bij andere lokale ondernemers zoals landbouwers CO₂ te compenseren en credits op te bouwen?2
Momenteel wordt er geen specifiek beleid gevoerd om bedrijven te stimuleren bij andere lokale ondernemers CO2 te compenseren. De handel, die plaatsvindt op de vrijwillige markt voor CO2-compensatie telt niet meer voor de realisatie van de klimaatopgave in het kader van het Klimaatakkoord.
Hoe past de Stichting Nationale Koolstofmarkt binnen het ETS model en op welke manier worden landbouwers en bedrijven gestimuleerd om CO₂ op te slaan en mee te doen aan dit soort initiatieven?
Stichting Nationale Koolstofmarkt is een voortzetting van de green deal nationale koolstofmarkt. De rijksoverheid heeft geen rol bij deze stichting, maar juicht dergelijke initiatieven van harte toe. De stichting richt zich per definitie op vrijwillige, bovenwettelijke reductie en kan alleen certificaten uitgeven aan projecten uit sectoren die géén onderdeel vormen van het EU-emissiehandelssysteem.
Het loslaten van oranje plastic ballonen voor TeamNL |
|
Eva van Esch (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Ballonnen voor TeamNL»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Nederlandse ambassade in Japan een boot vol oranje plastic ballonnen heeft opgelaten boven het water langs het olympisch dorp?
Ja.
Deelt u het inzicht dat het oplaten van ballonen slecht is voor het milieu en het onderwaterleven? Zo nee, waarom niet?
De impact van ballonnen is onderwerp van milieubeleid. Ballonnen behoren tot de 10 plastic producten voor eenmalig gebruik (single-use plastics) die het vaakst in het zwerfafval op Europese stranden worden aangetroffen, en die worden aangepakt in het kader van het beleid voor die producten. Er wordt bijvoorbeeld gewerkt aan het invoeren van een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid om de producenten verantwoordelijk te maken voor het verminderen en opruimen van afval ten gevolge van ballonnen. In Nederland heeft een aanzienlijk aantal gemeenten het oplaten van ballonnen via algemene plaatselijke verordeningen verboden of ontmoedigt dit op andere wijze. Rijkwaterstaat licht gemeenten hierover voor. Het oplaten van ballonnen is echter niet van rijkswege verboden. In die zin was het event van de ambassade in Japan niet in strijd met het Nederlandse milieubeleid.
Deelt u de mening dat het oplaten van ballonen tegen het Nederlandse milieubeleid is, dat gericht is op preventie? Zo ja, bent u bereid om de Nederlandse ambassades op te roepen om zich minimaal aan het Nederlandse milieubeleid te houden?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het oplaten van ballonen in het buitenland een slecht visitekaartje is voor Nederland en dat het getuigt van onnadenkendheid met betrekking tot de gevolgen?
In algemene zin is het van belang dat ambassades bij het ontwerp en de uitvoering van activiteiten rekening houden met de beleidsdoelstellingen van Nederland, inclusief de sportieve en milieuambities. In dit specifieke geval is dit ook gebeurd, en is in afstemming met de Japanse autoriteiten, het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken en NOC*NSF de afweging gemaakt dat onder deze omstandigheden de activiteit verantwoord was. Omdat er bij de Olympische Spelen in Tokio geen publiek aanwezig mag zijn, heeft de ambassade op alternatieve en covid-verantwoorde manier de atleten van TeamNL willen steunen en aanmoedigen. Uit duurzaamheidsoverwegingen is bewust gekozen voor biologisch afbreekbare ballonnen van een Japans evenementenbedrijf dat dergelijke ballonnen voor tal van gelegenheden levert en daarvoor over de juiste vergunningen beschikt. Ook door de Japanse autoriteiten was goedkeuring verleend voor deze actie. De aanmoedigingsactie heeft vele enthousiaste reacties opgeleverd, niet in de laatste plaats van TeamNL zelf. Tegelijkertijd zijn er vanuit Nederland ook kritische reacties geweest, waarbij erop werd gewezen dat ook aan biologisch-afbreekbare ballonnen nadelen zitten vanuit het oogpunt van duurzaamheid. De ambassade heeft daarom besloten om het bij deze eenmalige actie te houden.
Deelt u het inzicht dat de actie van de Nederlandse ambassade niet had mogen geschieden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om de Nederlandse ambassade in Japan op te roepen om het zelf veroorzaakte plastic afval op te ruimen of om geld te geven aan een lokale NGO voor het opruimen van het plastic afval? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
Na de actie is geen afval aangetroffen in het water. Voor wat betreft eventuele vervolgactie geldt dat de Nederlandse ambassade in Japan al buitengewoon actief is op het gebied van duurzaamheid en die inzet zal voortzetten. Zo heeft de ambassade bijgedragen aan het vestigen van de Tokio editie van What Design Can Do (WDCD), een Nederlands initiatief waarbij design wordt gebruikt om maatschappelijke problemen aan te pakken. Dit jaar gebeurde dit via een «no waste challenge» waarop meer dan 50 Japanse inzendingen kwamen. De ambassade zal de WDCD Tokio editie in ieder geval tot eind 2023 steunen. Verder is Nederland in Japan actief op het gebied van onder andere waterstof, zonne-energie, wind op zee en energiebesparing in de bouw. Er wordt nauw samengewerkt met Japan in het bevorderen van de circulaire economie, inclusief circulaire landbouw. Ten slotte voert Nederland constant een dialoog met Japan over de aanscherping van de Japanse klimaatdoelen.
Bent u bereid om Nederlandse ambassades op te roepen geen onnadenkende acties uit te voeren, waardoor Nederland bijdraagt aan vervuiling in het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven in het antwoord op vragen 3 en 4 uiteengezet was geen sprake van een onnadenkende actie. Uiteraard blijft de inzet dat werkzaamheden en activiteiten bij de ambassades zoveel mogelijk in lijn met Nederlandse beleidsambities zijn. Dit is staand beleid en vraagt geen aparte oproep.
Het inzamelen van blikjes met statiegeld in de supermarkt |
|
Bouchallikh |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
Bent u bekend met het bericht «CBL en FNLI doen uitvraag statiegeldsysteem blik»1 en het bericht «Milieuorganisaties: blikjes met statiegeld niet via supermarkt inzamelen is een slecht idee»2?
Ja, ik ben bekend met deze berichten.
Wat is uw oordeel over het feit dat de brancheorganisatie van de supermarkten het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) en de koepel van de levensmiddelenindustrie FNLI een uitvraag gaan doen naar een landelijk dekkend «innamesysteem voor blikjes buiten de supermarkt»? Kunt u hierop reflecteren?
Op basis van de regelgeving zijn producenten verantwoordelijk om een fijnmazig en landelijk dekkend statiegeldsysteem in te richten, waarmee 90% van de blikjes worden ingezameld. Ik vind het begrijpelijk dat daarvoor verschillende innamelocaties zijn bekeken. Voor een laagdrempelig en klantvriendelijk systeem ligt het voor de hand om innamelocaties in te richten dicht bij de plekken waar mensen consumeren en de lege blikjes vrijkomen. In het verlengde daarvan zie ik het als logisch om te bekijken of innameapparatuur geplaatst kan worden in bijvoorbeeld winkel- en stadscentra, in de aanlooproutes naar supermarkten, maar ook op bijvoorbeeld OV-knooppunten, aan randen van parken, en dichtbij mensen in woonwijken. Tot slot zie ik een verbreding met inname op andere locaties ook als een kans en wellicht zelfs een stap die nodig is om in de transitie naar een circulaire economie innamesystemen in de toekomst te kunnen opschalen naar andere verpakkingssoorten en producten.
Deelt u de mening van de milieuorganisaties dat het zeer inefficiënt én verwarrend voor de consument is als blikjes met statiegeld niet via de supermarkt worden ingezameld terwijl dat wel gebeurt met alle andere drankverpakkingen met statiegeld? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in antwoord op vraag 2 heb uiteengezet, kan ik me voorstellen dat een systeem met inzameling buiten de supermarkten effectief kan zijn. Maar het is de verantwoordelijkheid van producenten om een systeem op te zetten waarmee de wettelijk aan hen opgelegde en afdwingbare doelstellingen worden gehaald.
Bent u ook van oordeel dat het onnodig ingewikkeld is om een heel nieuw innamesysteem te ontwikkelen, terwijl er al een goed functionerend statiegeldsysteem in de supermarkt is? Zo nee, waarom niet?
Het huidige statiegeldsysteem is gericht op plastic flessen en zou drastisch moeten worden aangepast en uitgebreid om het ook geschikt te maken voor blikjes. Daarbij is de vervuiling die niet-sluitbare blikjes veroorzaken, evenals het extra volume van ruim 2 miljard blikjes, een grote uitdaging. Voor een effectief en klantvriendelijk systeem begrijp ik de inzet om verpakkingen in te zamelen dichtbij waar deze verpakkingen gebruikt worden en de inname niet te beperken tot supermarkten. Ik vind het daarom logisch dat het verpakkende bedrijfsleven deze mogelijkheid heeft bekeken en wil gebruiken.
Deelt u de mening dat de supermarkten een grote verantwoordelijkheid dragen om de blikjes met statiegeld goed in te zamelen, aangezien zo’n 80% van de plastic flesjes en blikjes worden verkocht in de supermarkten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om de innameplicht voor supermarkten weer wettelijk te verankeren?
Supermarkten zijn producent van hun eigen merken en als zodanig ook verantwoordelijk voor de inname van blikjes en het statiegeldsysteem als geheel. Deze producentenverantwoordelijkheid is in regelgeving vastgelegd, is handhaafbaar en kent een meetbare norm van 90% inzameling. Binnen deze kaders is het aan producenten en daarmee ook supermarkten, het systeem zo inrichten dat zij de doelstelling halen. Daarbij kiezen ze zelf de meest effectieve aanpak. De doelstelling is afdwingbaar, ik zie dan ook geen reden om een innameplicht voor supermarkten wettelijk te verankeren.
Deelt u de visie van de milieuorganisaties dat deze actie van het bedrijfsleven een manier is om uiteindelijk opnieuw uitstel van statiegeld op blikjes te kunnen vragen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om na te gaan of de huidige wetgeving solide genoeg is om vertraging te voorkomen?
Ik zie deze uitvraag als een teken dat het bedrijfsleven de vormgeving van het systeem actief ter hand neemt. Wat betreft de tijdslijn is het Besluit beheer verpakkingen helder: statiegeld voor blikjes moet op 31 december 2022 een feit zijn en de doelstelling van 90% inzameling moet in 2024 gehaald zijn. Ik verwacht van het verpakkende bedrijfsleven dat zij mij op de hoogte houden over de voortgang en blijf met hen in gesprek over de implementatie, waarbij ik ook blijf wijzen op hun verplichtingen.
Kunt u garanderen dat statiegeld op blik daadwerkelijk zal worden geïmplementeerd op 31 december 2022?
Deze datum is in regelgeving vastgelegd. Het is de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven om deze verplichting na te komen. Zoals in antwoord op vraag 6 aangegeven, houd ik een vinger aan de pols. Wanneer niet aan de verplichtingen wordt voldaan, wordt naleving van de verplichtingen via het handhavingsinstrumentarium afgedwongen.
De Rutte-doctrine inzake het Granulietdossier |
|
Eva van Esch (PvdD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (VVD) |
|
![]() |
Kunt u aangeven waarom mijn eerdere schriftelijke vragen over granuliet van 25 mei 2021 (2021Z09219) na verzoek om uitstel op 17 juni (2021D24044) nog altijd niet beantwoord zijn?1, 2
Naar aanleiding van de berichtgeving over het mogelijk vrijkomen van granuliet in de Moleneindse Waard heb ik Arcadis gevraagd naar de feitelijke situatie te kijken en het reviewrapport indien nodig hierop aan te passen. De voorbereiding daarvan kostte meer tijd dan verwacht. De beantwoording van uw vragen van 28 mei jl. is bijgevoegd.
Kunt u aangeven waarom mijn eerdere schriftelijke vragen over granuliet van 8 juni 2021 (2021Z10107) zonder bericht van uitstel nog altijd niet beantwoord zijn?3
Ik bied mijn excuses aan voor het feit dat de uitstelbrief te laat is verzonden aan uw Kamer. De beantwoording van de vragen heeft langer geduurd omdat nadere afstemming noodzakelijk was. De beantwoording van uw vragen van 8 juni jl. is bijgevoegd.4
Kunt u beter onderbouwen waarom u weigert inhoudelijk te reageren op het verzoek ten aanzien van granuliet van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat van 18 mei 2021 (Kamerstuk 30 015, nr. 100)?
Aan de Kamer is in de in de vraag aangehaalde brief gemeld dat beide stukken onderdeel zijn van een lopende rechtszaak. Een inhoudelijke reactie naar uw Kamer is, zoals te doen gebruikelijk met stukken «die onder de rechter zijn», daarom nu niet gepast. Ik stuur u als bijlage bij deze brief wel de antwoordbrief die ik gelijktijdig met deze brief verzonden heb aan het Burgercollectief Dreumelse en waarin een reactie is opgenomen op relevante punten die geen onderdeel uitmaken van de rechtszaak. Uiteraard zal ik de Kamer na afloop van de rechtszaak informeren over de uitkomst.
Klopt het dat uw verweer (namelijk: «de stukken zijn onder de rechter en daarom kan ik niet inhoudelijk reageren») geen stand houdt, aangezien de genoemde stukken niet zijn aangedragen in de aangehaalde rechtszaken?
Beide stukken zijn ingebracht door de gemeente West Maas en Waal op 12 mei 2021 en daarmee vormen deze onderdeel van het dossier voor de rechter.
Indien de stukken wel blijken te zijn aangedragen in de aangehaalde rechtszaken, klopt het dan dat u daar al inhoudelijk op heeft gereageerd tijdens de zitting die op 2 juni 2021 heeft plaatsgevonden?
Inhoudelijk is er tijdens de zitting op 2 juni 2021 niet specifiek op de twee stukken gereageerd.
Waarom kunt u die geleverde reactie of een update danwel een aanvulling daarbij niet delen met de Kamer?
Zie antwoord 5.
Kunt u alsnog op de kortst mogelijke termijn voldoen aan het verzoek van de commissie Infrastructuur en Waterstaat? Zo nee, waarom besluit u een meerderheidsverzoek naast u neer te leggen?
Zie antwoord 3.
Kunt u de genoemde verzoeken, schriftelijke vragen en de voorliggende vragen binnen één week beantwoorden? Zo nee, kunt u dan dan op de kortst mogelijke termijn de Kamer informeren waarom u dat niet kunt?
Het is helaas niet mogelijk gebleken om aan dit verzoek te voldoen. De Kamer is hier op 16 juli 2021 over geïnformeerd5.