Gedwongen ontslagen bij de Belastingdienst |
|
Ed Groot (PvdA), Pierre Heijnen (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Mes gaat in Belastingdienst»?1
Ja.
Is het waar dat de directeur-generaal van de Belastingdienst via een interne boodschap de vrees voor gedwongen ontslagen heeft uitgesproken? Zo ja, in hoeverre is die vrees gerechtvaardigd? Zo nee, wat was de boodschap dan wel?
De directeur-generaal Belastingdienst heeft zijn medewerkers via een intern interview op de hoogte gebracht van de bezuinigingstaakstellingen waarvoor de Belastingdienst staat. De taakstellingen uit de vorige kabinetsperiode bedragen ca € 270 mln. structureel, terwijl uit het Regeerakkoord een aanvullende taakstelling van ongeveer € 125 mln. structureel in 2015 voortvloeit. In totaal gaat het om een bedrag van ca € 400 mln. structureel in 2015. Er heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden over de precieze invulling van de taakstelling. Wel heeft de directeur-generaal in het interview aangegeven dat het onvermijdelijk is dat de formatie moet inkrimpen. De reden hiervoor is dat het grootste deel van het budget wordt besteed aan personele kosten.
Binnen de Belastingdienst wordt op dit moment uitgewerkt welke maatregelen nodig zijn om de taakstellingen in te vullen. Daarbij wordt ook gekeken naar de doelstellingen die de Belastingdienst zich voor de komende jaren stelt. Dit maakt het mogelijk expliciete keuzes te maken op welke wijze de taakstellingen doorwerken in het takenpakket van de Belastingdienst. Een onafhankelijk onderzoek naar de consequenties van de taakstellingen voor de taakuitoefening van de Belastingdienst is dan ook niet aan de orde.
Nadat er meer duidelijkheid is over de invulling van de taakstellingen bij de Belastingdienst zal ik uw Kamer daarover informeren. Overigens is de natuurlijke mobiliteit van medewerkers van de Belastingdienst naar de huidige stand bijzonder laag. Sowieso staat dan ook al wel vast dat moet worden ingezet op het verder stimuleren van hun mobiliteit. Daarbij is het streven zoveel mogelijk binnen fase 2 van het sociaal flankerend beleid te blijven, dit om de volgende fase – gedwongen mobiliteit – te voorkomen.
Kunt u de Kamer informeren over de omvang van het aantal gedwongen ontslagen, het sociaal plan, de kosten ervan en de pogingen die worden ondernomen om overtollige medewerkers elders in de rijksdienst aan het werk te helpen ?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel extern personeel werkt er bij de Belastingdienst en voor welk bedrag? Kan daarmee de taakstelling niet worden opgevangen?
Bij de invulling van de taakstellingen worden alle mogelijkheden in kaart gebracht. Niet alleen wordt gekeken naar efficiënter te werken, ook worden vereenvoudigingen van wet- en regelgeving geïnventariseerd en blijft de Belastingdienst kritisch kijken naar de noodzaak van externe inhuur.
De Belastingdienst huurde in 2008 voor ca. € 320 mln aan extern personeel in. Het betrof ca. 2 900 fte uitzendkrachten en ca. 700 fte ander extern personeel. In 2009 ging het om ca. € 270 mln (ca. 2 700 fte uitzendkrachten en ca. 550 fte ander extern personeel). Naar verwachting zullen de uitgaven voor de inhuur van extern personeel voor 2010 ca. € 170 mln bedragen (ca. 2 100 fte uitzendkrachten en 300 fte ander extern personeel).
Een efficiënte bedrijfsvoering brengt met zich mee dat ook in de toekomst in voorkomende gevallen van externe inhuur gebruik zal worden gemaakt. Te denken valt bijvoorbeeld aan de inzet van uitzendkrachten in de flexibele schil van de Belastingtelefoon, waarmee effectief kan worden ingespeeld op fluctuaties in het aanbod van telefonische vragen. In de praktijk zal het ook incidenteel blijven voorkomen dat door middel van externe inhuur moet worden voorzien in een tijdelijke behoefte aan specifieke expertise.
Bent u bereid om onafhankelijk onderzoek te doen plaatsvinden naar de vraag of de belastinginning op hetzelfde niveau kan blijven na realisatie van de opgelegde taakstelling, bijvoorbeeld door de Algemene Rekenkamer?
Zie antwoord vraag 2.
Terugvordering van Wet Werk en Bijstand (WWB) budgetten door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u bij de gemeente Rotterdam delen van het WWB budget teruggevorderd, die door deze gemeente werden ingezet voor de financiering van Regionaal opleidingscentrum (ROC) contracten voor risicojongeren, omdat de gemeente deze niet binnen de daarvoor geldende regels heeft uitgegeven?
Ja, ik heb een besluit tot terugvordering van 25 mln. van de gemeente Rotterdam genomen.
Op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) 2008 dient bij onrechtmatige besteding, overgegaan te worden tot terugvordering bij Rotterdam. De terugvordering betreft uitgaven uit 2008 die betrekking hebben op de ondersteuning van zgn. risicoleerlingen op ROC ’s om voortijdig schooluitval te voorkomen. Deze uitgaven aan personen die nog regulier onderwijs volgen, kunnen op grond van de toenmalige vigerende regelgeving niet ten laste van de ontvangen WWB-middelen worden gebracht. Als voorwaarde bij de toekenning van re-integratievoorzieningen gold toentertijd ondermeer dat deze personen beschikbaar moesten zijn voor de arbeidsmarkt en daarom als werkloos-werkzoekend moesten staan ingeschreven bij het UWV. Dit is in het onderhavige geval niet gebeurd, aangezien zij nog regulier onderwijs volgen. Hierdoor is niet aan een toentertijd expliciet in de WWB gestelde eis voldaan.
Kunt u ingaan op eventuele aanpassingen van de regels sindsdien?
De Wet Participatiebudget is 1 januari 2009 in werking getreden. Daarin zijn de re-integratiemiddelen, inburgeringsgelden en educatiemiddelen samengevoegd.
De middelen van het participatiebudget kunnen worden ingezet voor een brede doelgroep van een in Nederland woonachtige Nederlander of daaraan gelijkgestelde vanaf 18 jaar.
Op grond van artikel 3; eerste lid van de wet kan het College van B&W aan personen van de doelgroepopleidingen educatie- of re-integratievoorzieningen aanbieden of aan personen van de doelgroep inburgering- of taalkennisvoorzieningen aanbieden of vaststellen.
In aanvulling hierop is in artikel 3; derde lid van de Wet participatiebudget opgenomen, dat het college van B&W re-integratievoorzieningen kan aanbieden aan personen van 16- of 17 jaar oud, voor wie de leerplicht of de kwalificatieplicht nog niet is geëindigd en ten aanzien waarvan het College van oordeel is dat een leer-werktraject geraden is, voor zover deze re- integratievoorziening voorziet in de kosten van ondersteuning die nodig zijn bij een leer-werktraject voor die personen.
Is het zo dat deze WWB gelden onder de huidige regelgeving niet teruggevorderd zouden worden?
De zogenoemde werkmiddelen van de WWB waaruit re-integratievoorzieningen worden bekostigd zijn per 1-1-2009 overgeheveld naar de Wet Participatiebudget.
Artikel 3, derde lid is in deze wet opgenomen, om de ondersteuning van leerwerktrajecten voor personen in de doelgroep mogelijk te maken. Terugvordering is niet aan de orde voor zover de aan de gemeente beschikbaar gestelde middelen rechtmatig worden besteed.
De uitgaven voor de ondersteuning van risicojongeren zijn onder het Participatiebudget rechtmatig, indien aan alle de in de regelgeving gestelde eisen wordt voldaan en de accountant de rechtmatigheid van de uitgaven heeft beoordeeld en geen opmerkingen heeft bij de rechtmatigheid. Aangezien een dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden, is hierover geen eensluidend antwoord te geven.
Heeft de gemeente Rotterdam over de besteding van het WWB budget gesproken met vertegenwoordigers van het ministerie van SZW? Zo ja, heeft het ministerie van SZW bij die gelegenheid haar bezwaren tegen de voorgestelde besteding kenbaar gemaakt?
Er zijn in de loop van de tijd diverse overleggen en contacten geweest waarop dit onderwerp aan de orde is geweest. De gemeente Rotterdam heeft er steeds op aangedrongen om financiering van bedoelde uitgaven ten laste van de WWB mogelijk te maken. Op grond van de Wet werk en bijstand is dit niet mogelijk en SZW heeft hierop steeds gewezen.
Het toenmalige kabinet achtte een specifieke oplossing voor Rotterdam niet mogelijk. Het kabinet was van oordeel dat het onderwerp van de risicojongeren en schooluitval in een breder perspectief dient te worden geplaatst en dat gewacht zou moeten worden op de inwerkingtreding van de Wet Participatiebudget.
Deelt u de mening dat een rigide toepassing van regels een effectieve en binnen de doelstelling van de regelgeving passende aanwending van middelen niet in de weg mag staan?
Het anticiperen op toekomstige regelgeving is alleen vooraf door middel van een aan de Staten Generaal kenbaar gemaakt gedoogbesluit mogelijk. Een dergelijk besluit kan in een geval zoals dit, zich niet alleen op één gemeente richten. Die weg is toen niet bewandeld. Dit gebeurt slechts bij hoge uitzondering. Uitgangspunt is dat de uitgaven geschieden op grond van de op dat moment vigerende regelgeving.
Het door werkgevers onterecht gedeeltelijk ziekmelden van werknemers die terugkeren van ziekteverzuim |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Baas verlaagt loon bij ziekte door truc»1 en «Ziekmelding jaagt werknemer op kosten»?2
Ja.
Deelt u de mening dat het ten onrechte gedeeltelijk ziekmelden van werknemers die terugkeren van ziekteverzuim door werkgevers ongewenst is? Zijn hiervoor sancties mogelijk en ligt hier niet een taak voor de arbeidsinspectie?
Naar mijn mening betreft het hier geen ziekmelding, maar wordt de werknemer door de werkgever niet hersteld gemeld. Uit de krantenberichten wordt overigens niet duidelijk of dat herstel niet wordt gemeld bij de bedrijfsarts/arbodienst en/of de salarisadministratie van de werkgever.
In de eerste plaats merk ik op dat er nu geen verplichting voor de werkgever bestaat om zijn werknemer hersteld te melden, noch bij de bedrijfsarts/arbodienst, noch bij de salarisadministratie. Daarom is een sanctie niet mogelijk en ligt hier ook geen taak voor de arbeidsinspectie.
In de tweede plaats merk ik op dat een dergelijke verplichting naar mijn mening ook niet nodig is, omdat de werkgever alleen maar zichzelf ermee heeft als hij de werknemer niet hersteld meldt bij de bedrijfsarts/arbodienst of zijn salarisadministratie. In de eerste situatie zal snel boven water komen dat geen herstelmelding heeft plaatsgevonden. De bedrijfsarts/arbodienst zal de betrokkene namelijk oproepen, omdat hij/zij moet nagaan of sprake is van dreigend langdurig verzuim en dus binnen zes weken na de eerste ziektedag een oordeel over het desbetreffende ziektegeval moet geven aan de werkgever. Verder brengt de opvatting van de werkgever dat de werknemer nog steeds ziek is, mee dat hij zijn verplichtingen op grond van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar zal moeten nakomen. Zo dient hij onder meer een re-integratiedossier bij te houden, een plan van aanpak op te stellen, een afschrift daarvan aan de werknemer en de bedrijfsarts/arbodienst te verstrekken, dit plan regelmatig te evalueren en ervoor te zorgen dat de bedrijfsarts/arbodienst de werknemer regelmatig hoort over het verloop van de arbeidsongeschiktheid. De werkgever kan dat allemaal nalaten maar daarmee verzwakt hij zijn positie ernstig indien het tot een rechtszaak of een aanvraag voor een WIA-uitkering komt.
Daarmee kom ik op de tweede situatie, te weten dat de werkgever zijn salarisadministratie niet informeert over het herstel van de werknemer. Zolang de werkgever het loon volledig doorbetaalt bij ziekte, heeft dit geen materiële of andere gevolgen voor de werknemer. Dat komt anders te liggen wanneer de werkgever op een zeker moment minder loon gaat betalen. Als de werkgever dit motiveert met de stelling dat de werknemer nog steeds ongeschikt is voor de bedongen arbeid vanwege ziekte, kan de werknemer daartegen beroep instellen bij de rechter. Volgens hem is de werkgever immers zijn verplichting om loon te betalen niet nagekomen (art. 7:616 BW). De werknemer heeft een grote kans op toewijzing van zijn vordering als de werkgever zijn hiervoor genoemde verplichtingen niet is nagekomen. Ik zie dan ook geen reden om voor deze situatie een andere procedure in te stellen dan ingeval de werkgever zijn verplichting om loon te betalen om een andere reden niet is nagekomen.
Tot slot kan zich in de tweede situatie voordoen dat de werkgever na 104 weken geen loon meer doorbetaalt, omdat hij van oordeel is dat zijn loondoorbetalingsverplichting is geëindigd. Ook in deze situatie kan de werknemer een loonvordering instellen bij de rechter. Daarnaast kan de werknemer zekerheidshalve een WIA-uitkering aanvragen. Bij de claimbeoordeling moet het UWV onder meer vaststellen of de wachttijd is vervuld. Dat is niet het geval als de werknemer in de hiervoor genoemde periode meer dan vier weken de bedongen arbeid heeft verricht. Als het UWV tot dit oordeel komt, kan de werknemer dit in of buiten rechte tegenover zijn werkgever gebruiken.
Afrondend concludeer ik dat de huidige regelgeving omtrent ziekteverzuim geen tekortkomingen heeft. Ik ben dan ook niet voornemens om wettelijke of andere maatregelen te treffen ter zake dan wel onderzoek te doen naar de omvang van de problematiek.
Vindt u dat de angst van werknemers in de praktijk voor baanverlies als gevolg van het aanvragen van een medische onderbouwing en eventueel een deskundigenoordeel van UWV gegrond is? Zo nee, waarom denkt u dan dat de rechten van werknemers in de betreffende situatie wel voldoende zijn beschermd?
De mogelijkheid om een deskundigenoordeel van het UWV te vragen is een laagdrempelige procedure, waarmee wordt beoogd om gerechtelijke procedures te voorkomen. Dit kan en mag voor een werkgever nooit een reden zijn om een werknemer te ontslaan. Het is dan ook zeer onwaarschijnlijk dat op die grond het UWV toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding zal geven of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst zal ontbinden. Naar mijn mening biedt het ontslagrecht dan ook voldoende bescherming voor werknemers.
Bent u bereid verder onderzoek te doen naar de omvang van de problematiek en binnen welk termijn kan hierover dan meer informatie naar de Kamer worden gezonden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u in overweging nemen om de wettelijke bepalingen in de wet Poortwachter aan te scherpen zodat onterechte gedeeltelijke ziekmeldingen voorkomen worden en wat is daarbij uw afweging?
Zie antwoord vraag 2.
Welke andere maatregelen gaat u nemen om werknemers te informeren over deze tekortkoming in de wet Poortwachter?
Zie antwoord vraag 2.
Over bijstorten in de pensioenpolis |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Pensioenstrop voor oude baas bij waardeoverdracht»?1
Ja.
Is het waar dat een werkgever bij vertrek van zijn werknemer soms tienduizenden euro’s moet bijstorten in de pensioenpolis bij de verplichte waardeoverdracht? Hoe vaak komt zo'n verplichte bijstorting per jaar voor?
Dergelijke situaties kunnen zich voordoen bij werkgevers die hun pensioenregeling hebben ondergebracht bij een verzekeraar en die met uitgaande waardeoverdracht worden geconfronteerd naar een andere verzekeraar. SZW, noch DNB beschikt over gegevens hoe vaak dit in de praktijk voorkomt. Wel heb ik de indruk op grond van een schatting van het Verbond van Verzekeraars, dat bijbetaling kan leiden tot individuele problemen bij in potentie een omvangrijke groep bedrijven in het midden- en kleinbedrijf.
De bijbetalingsproblematiek zoals in de vragen geschetst, kan zich voordoen als de overdrachtswaarde van de pensioenaanspraken bij uitkering- en kapitaalovereenkomsten en bij premieovereenkomsten waarbij tussentijds een aanspraak op kapitaal of uitkering wordt ingekocht, meer bedraagt dan het tot dat moment gefinancierde deel van de aanspraken. Voor zover die aanspraken niet zijn gefinancierd, dient dit bij de waardeoverdracht alsnog te gebeuren. De berekening van de overdrachtswaarde geschiedt sinds 2008 aan de hand van de marktrente (rentetermijnstructuur). Deze rente is tussen 2008 en 2011 gedaald van 4,926% naar 2,984%. Deze daling kan leiden tot bijbetaling door de oude werkgever.
Verandering van baan leidt overigens lang niet altijd tot forse bijbetalingen:
Een en ander laat echter onverlet dat het in individuele situaties kan gaan om forse bedragen en dat die situaties zich bij veel bedrijven in het midden- en kleinbedrijf kunnen voordoen.
Deelt u de mening dat deze verplichte nabetaling zeer belemmerend kan werken op de arbeidsmarkt en dat er snel een oplossing gezocht moet worden voor het probleem van bijbetalingen voor beide werkgevers bij de verplichte waardeoverdracht van pensioenen?
Op zich zou het kunnen dat de bijbetalingsproblematiek de arbeidsmarktmobiliteit tegenwerkt. Ik heb hierover geen harde gegevens. Voor het effect op de arbeidsmobiliteit is nog van belang dat doorgaans pas nadat een werknemer van baan is gewisseld en de nieuwe werkgever betrokkene heeft aangenomen, eventuele waardeoverdracht aan de orde is. Eerst dan ontstaat ook zicht op (de hoogte van) de bijbetaling. Dan heeft de wisseling van baan wel al plaatsgevonden.
Overigens is waardeoverdracht niet verplicht. Wel zijn er situaties waarin een pensioenuitvoerder op grond van de pensioenregelgeving moet meewerken als een ex-deelnemer verzoekt om waardeoverdracht. Het komt voor dat werkgevers in geval van bijbetaling, werknemers verzoeken om af te zien van hun recht op waardeoverdracht. Zo kunnen werkgevers de bijbetalingsproblematiek voorkomen. Voor werknemers hoeft het achterwege laten van waardeoverdracht – bijvoorbeeld bij middelloon- en beschikbare premieregelingen – niet financieel nadelig te zijn.
Daar waar gevraagd wordt om een oplossing voor beide werkgevers, ga ik er vanuit dat hiermee de situaties zijn bedoeld waarin sprake is van bijbetaling door de oude of de nieuwe werkgever zoals aan de orde in artikel 26 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, respectievelijk artikel 19, van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. Ik ben met de Kamer eens dat een oplossing voor beide bijbetalingsvraagstukken wenselijk is. Er zijn schrijnende situaties mogelijk bij beide kwesties. Ik zal – met de Stichting van de Arbeid en het pensioenveld – inventariseren hoe deze effecten kunnen worden weggenomen of beperkt. In de reeds voorgenomen meer fundamentele discussie over waardeoverdracht zal dit aspect separaat en met voorrang worden behandeld.
Ik zal uw Kamer daarover zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk in het eerste kwartaal van 2011, informeren.
Op welke wijze gaat u uitvoering geven aan de motie die vraagt om een einde van de bijbetalingsproblematiek en die nog steeds niet is uitgevoerd?2
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u of de toezichthouder inzicht in de omvang van de niet afgefinancierde verplichtingen bij Nederlandse verzekeraars?3 Zo nee, wilt u daar onderzoek naar doen?
Er is geen sprake van niet afgefinancierde verplichtingen. Op grond van de Wet op het financieel toezicht dienen verzekeraars de pensioenverplichtingen af te financieren. De bijbetalingen zoals hier bedoeld, vinden niet hun oorzaak in onvoldoende affinanciering, maar in verschillen in rentevoeten als waardeoverdracht plaatsvindt. Het gaat dan om verschillen tussen de rentevoet die door de verzekeraar wordt gehanteerd richting de deelnemer, de rentevoet die de verzekeraar hanteert voor de bepaling van de technische voorzieningen en de rentevoet die geldt voor de berekening van de over te dragen waarde.
DNB heeft geen inzicht in de omvang van de bijbetalingen. Wat mijn ministerie betreft verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Het bericht dat vier op de tien jongeren onder de 24 jaar moelijk aan de bak komen |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Hebt u kennis kunnen nemen van het artikel «Veel jongeren moeilijk aan de bak»?1
Ja.
Wat is uw reactie op een van de conclusies van het rapport van Manpower dat ondanks dat de vraag naar werknemers stijgt, vier op de tien jongeren onder de 24 jaar moeilijk aan de bak komt?
De conclusie dat vier op de tien jongeren moeilijk aan de bak komt, wordt niet herkend. Op basis van de mij bekende cijfers en onderzoeken, kom ik tot een genuanceerder beeld. Er zijn in Nederland bepaalde groepen jongeren die het moeilijker hebben op de arbeidsmarkt. Het gaat dan met name over jongeren zonder startkwalificatie en voortijdig schoolverlaters, maar ook over jongeren met beperkingen. Mét startkwalificatie hebben jongeren twee keer meer kans op een baan en minder kans op ontslag.
Er zijn in Nederland iets meer dan 2 miljoen jongeren in de leeftijd 15 tot en met 24 jaar. Slechts een klein deel van die jongeren participeert niet in onderwijs of werk. Uit recente CBS cijfers blijkt dat de werkloosheid onder jongeren in het derde kwartaal 2010 opnieuw is afgenomen (12,9% in het tweede kwartaal naar 11,1% in het derde kwartaal). Op basis van de CBS-definitie die ook door het Rijk wordt gehanteerd, is iemand werkloos wanneer hij of zij geen werk heeft, actief op zoek is naar werk en direct beschikbaar is. Dit betekent dat ook jongeren in de leeftijdscategorie 15–24 jaar die op school zitten meetellen in de cijfers. Wanneer we alleen naar de niet-studenten kijken, ligt de werkloosheid dus lager.
In het tweede kwartaal (= «mei») 2010, waren 110 000 jongeren 15–24 werkloos, maar de meeste van hen volgen onderwijs. Een minderheid van 41 000 jongeren is niet-onderwijs volgend en werkloos. Daarvan bezitten er 19 000 ook geen startkwalificatie. In het eerste kwartaal 2010 ging het nog om 54 000 werkloze jongeren, waarvan 25 000 zonder startkwalificatie. Dit betekent dat ook binnen de kwetsbare groep jongeren zonder startkwalificatie er een duidelijke afname zichtbaar is.
Kunt u inzichtelijk maken waarom het actieplan Jeugdwerkloosheid juist deze kwetsbare groep jongeren niet bereikt?
De opvatting dat kwetsbare jongeren niet worden bereikt door het Actieplan, wordt niet gedeeld. Uit de resultaten van het Actieplan blijkt dat de 30 arbeidsmarktregio’s die de Actieplannen regionaal uitvoeren, erin geslaagd zijn om een groot aantal jongeren, namelijk ruim 68 000, te plaatsen op een baan, leerwerkbaan of een stage. Van deze jongeren heeft bijna de helft (31 270) geen startkwalificatie.
Naast het reguliere instrumentarium wordt in het Actieplan ook extra ingezet om de toeleiding naar werk van kwetsbare jongeren te verbeteren. Er zijn specifieke pilots ontwikkeld om de samenwerking tussen zorg, onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren, opdat de toeleiding naar werk van de kwetsbare jongeren wordt versterkt. Ook heeft het Rijk de regio’s ondersteund om hun aanpak voor toeleiding naar de arbeidsmarkt van kwetsbare jongeren te versterken. In de voortgangsrapportage van 1 september (TK, 2009–2010, 29 544, nr. 257) bent u uitgebreid geïnformeerd over de voortgang van het Actieplan Jeugdwerkloosheid.
Wat is uw inhoudelijke reacties op de drie aanbevelingen die Manpower in haar rapport doet namelijk stimuleren meestergezelrelatie, meer werk-leertrajecten en meer geïntegreerde persoonlijke dienstverlening?
Ik juich het toe dat werkgeversorganisaties zich verdiepen in de kenmerken van de jongere generatie zodat zij tijdig en adequaat hun organisatie daarop kunnen inrichten. Werkgevers kunnen de aanbevelingen uit dit onderzoek aangrijpen om initiatieven te ontwikkelen om deze groep binnenboord te krijgen en te houden. Het arbeidsmarktbeleid richt zich op het vinden van passende manieren om duurzame arbeidsparticipatie te waarborgen. De aanbevelingen die Manpower doet, sluiten hier op aan. Werk-leertrajacten vormen bijvoorbeeld al een belangrijk onderdeel van de uitvoering van de Wet WIJ.
Bent u bereid het actieplan Jeugdwerkloosheid zodanig aan te passen dat het resulteert in een meer sluitende aanpak die (meer) aansluit op de behoeften van jongeren in de praktijk? Zo nee, waarom niet?
In de voortgangsrapportage van 1 september jl. bent u uitgebreid geïnformeerd over deze resultaten. Het Actieplan loopt tot in 2011. De resultaten van het Actieplan tot nu toe en de relatief nog korte duur van het Actieplan zijn voor mij geen aanleiding om het Actieplan aan te passen.
De arbeidsomstandigheden van arboartsen |
|
Roos Vermeij (PvdA), Hans Spekman (PvdA) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Arboarts ziek van werkdruk»?1
Ja.
Wat is uw opvatting over de in dit bericht weergegeven problemen waarmee arboartsen vaak te maken hebben?
Deze tekst is conform het antwoord bij 2010Z15318 vraag 2 van het lid Ulenbelt.
Er zijn vanuit verschillende invalshoeken signalen gekomen over de positie van de bedrijfsarts. In gezamenlijke opdracht van mijn ministerie en het ministerie van VWS loopt thans een nader onderzoek. Het doel van dit onderzoek is om knelpunten in de positie van de bedrijfsarts binnen de huidige kaders van het arbozorg systeem en in de interactie met de curatieve zorg, in beeld te brengen en te objectiveren. Het door u genoemd onderzoek onder bedrijfsartsen wordt, naast diverse andere bronnen, in het lopende onderzoek betrokken.
Het onderzoek wordt voor de zomer van 2011 afgerond.
Deelt u de mening dat een goed functionerende arboarts een absoluut recht van iedere werknemer is? Zo nee, waarom niet?
Nee.
Er is geen absoluut recht van iedere werknemer op toegang tot een bedrijfsarts.
Verwacht mag worden dat een bedrijfsarts of basisarts die werkzaam is in de bedrijfsgezondheidszorg conform de huidige stand van de wetenschap en praktijk handelt.
Primair dient de arbozorg in de onderneming zelf beschikbaar en toegankelijk te zijn voor alle werknemers. De werkgever heeft een zorgplicht voor zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden en in de Risico Inventarisatie & -Evaluatie (RI&E) dient hij aan te geven op welke wijze de toegang van werknemers tot onder meer de bedrijfsarts is geregeld.
Als er sprake is van ziekteverzuim heeft de werknemer in principe toegang tot een bedrijfsarts op basis van een daartoe door de werkgever afgesloten contract met een arbodienst of bedrijfsarts.
Deelt u de mening dat de constatering dat «een meerderheid van de arboartsen vindt dat ze te veel met andere dingen bezig zijn en hun huidige werk onvoldoende onafhankelijk kunnen doen. Hierdoor worstelen zij met hun beroepsethiek» werkelijk zeer ernstig is en noopt tot onmiddellijke actie? Zo nee, waarom niet?
De Arbowet vereist dat de deskundigen hun bijstand met behoud van hun zelfstandigheid en onafhankelijkheid kunnen verlenen.
Het is aan de verantwoordelijken zelf om over te gaan tot actie. De bestaande wet- en regelgeving en professioneel statuut noopt daar toe en biedt steun om met elkaar waar nodig de werkwijze te actualiseren.
In hoeverre worden de gesignaleerde knelpunten voor arboartsen veroorzaakt door het soort contracten dat bedrijven met hen afsluiten? Heeft dit te maken met een toename van marktwerking in de contractering van arboartsen? Zo ja, acht u deze ontwikkeling ongewenst?
Het is voor het ministerie niet duidelijk of de gesignaleerde knelpunten gerelateerd zijn aan het soort contracten. Bedrijven, arbodiensten of bedrijfsartsen en de ondernemingsraad zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de contracten. Geprobeerd wordt om via genoemd onderzoek ook objectieve gegevens over het soort contracten te krijgen.
Of er sprake is van een toename van marktwerking is ons niet bekend. Wel is er sinds 2005 meer maatwerk mogelijk in de wijze waarop een werkgever zijn deskundige bijstand organiseert.
Wat betekent het voor de inzetbaarheid van onze beroepsbevolking op de langere termijn als bij iedereen met arbo-gerelateerde klachten «niet de gezondheid, maar de kosten» voorop staan?
Het is onverstandig om alleen te kijken naar de kosten. Investeren in gezondheid en inzetbaarheid is een direct bedrijfsbelang en een belangrijke factor voor een gezonde economie. Werkgevers hebben een zorgplicht ten aanzien van gezond en veilig werken en om ziekteverzuim of arbeidsongeschiktheid van werknemers te voorkomen. In geval van onvoldoende investeren in preventie en gezondheid kan een bedrijf te maken krijgen met onnodige kosten van productiviteitsverlies, verzuim en re-integratie.
Is de regering bereid in te grijpen, ook gezien het feit dat de meerderheid van de arboartsen getuige dit bericht uit ontevredenheid overweegt een andere betrekking te zoeken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen kan de Kamer van uw regering verwachten?
Het kabinet wacht de resultaten van het onderzoek naar de positie van de bedrijfsarts, zoals genoemd in antwoord op vraag 2, af. De uitkomsten daarvan worden voor de zomer van 2011 verwacht.
Dit laat onverlet dat ik verwacht dat de betreffende beroepsgroep, via de NVAB, zijn verantwoordelijkheid zal nemen om het gesprek aan te gaan met relevante actoren om te werken aan een gewaardeerde positionering van de bedrijfsarts in de gezondheidszorg.
Over ex-landsambtenaren BES (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) die een deel van hun salaris later krijgen |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Ex-landsambtenaren BES krijgen deel salaris later»?1
Ja.
Is het waar dat ongeveer 300 ambtenaren van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN) op Bonaire, Saba en Sint Eustatius deze maand maar tweederde deel van hun salaris uitbetaald krijgen? Indien dit klopt, hoe heeft dit kunnen gebeuren? Welke voorzorgsmaatregelen heeft u getroffen om ervoor te zorgen dat de eerste salarisbetaling soepel zou verlopen?
De medewerkers die van de eilandgebieden Bonaire, Saba en Sint-Eustatius en het land Nederlandse Antillen zijn overgekomen naar de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN), hebben allen per 10 oktober 2010 een aanstelling gekregen bij de RCN. De eerste salarisbetaling van de RCN aan deze medewerkers heeft tijdig plaatsgevonden. Deze salarisbetaling heeft alleen betrekking op de periode waarin de RCN de werkgever is en als werkgever verantwoordelijk is voor het salaris, derhalve van 10 tot en met 31 oktober 2010. De oude werkgever is verantwoordelijk voor de salarisbetalingen over de periode daaraan voorafgaand. Daar zijn ook duidelijke afspraken over gemaakt tussen de RCN en de oude werkgevers.
Waarom is de RCN niet direct in actie gekomen toen hij vaststelde niet de beschikking te hebben over geld voor het juiste inkomen per persoon?
De afspraak was dat de oude werkgevers de eindafrekening richting hun werknemers zouden uitvoeren. De Eilandgebieden zijn die afspraak zonder problemen nagekomen. De RCN heeft op 15 oktober twee bedragen ontvangen van de minister van Financiën van het voormalige land de NA zonder omschrijving of onderbouwing. Bij navraag bleek dat de bedragen waren bedoeld voor de salariskosten over de eerste 9 dagen van oktober. Dat was niet conform afspraak. Het was tevens op een tijdstip dat de salarisverwerking bij de RCN niet meer beïnvloedbaar was. Daarbij komt dat het voor de RCN niet mogelijk is per werknemer een juiste afrekening te maken omdat hij gewoonweg niet beschikt over de data uit de salarisadministratie van de oude werkgevers van de werknemers over de periode vóór 10–10. Dat heeft de RCN meegedeeld aan het voormalige Land Nederlandse Antillen.
Toen in week 42 (25 oktober) bleek dat het voormalige Land Nederlandse Antillen de afgesproken afrekening jegens zijn werknemers niet is nagekomen, heeft de RCN direct vanuit het goed werkgeverschap het initiatief genomen om de mensen in kwestie een voorschot uit te betalen, dat gelet op het feit dat de RCN niet over de salarisdata beschikt, die liggen vóór de periode dat de RCN als werkgever verantwoordelijk is voor de salarisbetaling, slechts gebaseerd kan zijn op het salaris vanaf 10-10-10. Met de betaling van het voorschot van 40% van het reeds uitbetaalde netto salaris hebben de betrokken ambtenaren nog in de maand oktober over de maand oktober een netto inkomen ontvangen als waren zij de hele maand in dienst van de RCN.
Deelt u de mening dat het ongepast is dat deze rijksambtenaren op zijn vroegst in november a.s. het resterende salaris ontvangen en dat hierdoor sprake is van slecht werkgeverschap?
De salarisbetaling over de periode tot 10 oktober 2010 is de verantwoordelijkheid van de oude werkgever(s). Met de oude werkgevers is ook afgesproken dat zij het salaris tot 10-10-10 zouden betalen. Het voormalige Land Nederlandse Antillen blijkt deze afspraak niet te zijn nagekomen. Om de werknemers niet in de kou te laten staan, heeft de RCN besloten de betreffende mensen onverplicht een voorschot te betalen, zodat zij over de maand oktober een volledig maandinkomen hebben ontvangen.
Wat gaat u eraan doen om ervoor te zorgen dat deze rijksambtenaren zo snel mogelijk hun volledige salaris ontvangen of dat zij in ieder geval niet in de problemen komen door te weinig salaris?
RCN heeft ervoor gezorgd dat voormalige Landsambtenaren van de Nederlandse Antillen die sinds 10 oktober 2010 zijn aangesteld bij de Rijksdienst Caribisch Nederland deze week bij wijze van voorschot het salaris hebben ontvangen over de periode van 1-10-10 tot 10-10-10. In totaal heeft deze groep ambtenaren over de maand oktober dan een salaris ontvangen dat ongeveer gelijk is aan het salaris dat zij bij een dienstverband bij de RCN gedurende de hele maand oktober zouden hebben gehad.
Binnenkort zal een vereffeningscommissie worden ingesteld die de niet tijdig door het Land Nederlandse Antillen uitbetaalde rekeningen, waaronder ook de salarissen, alsnog zal afwikkelen. Hierbij zullen naast de afrekening van het salaris over de periode 1-10-10 tot 10-10-10 ook de overige door het land niet vóór 10-10-10 afgehandelde salariscomponenten worden betrokken, zoals nog uit te betalen overwerk, niet genoten vakantiedagen, vakantietoeslag tot 10-10-10 en eventuele herberekeningen met terugwerkende kracht in verband met herwaardering van de functie. De RCN zal in overleg treden met de vereffeningscommissie over de wijze en het moment van de uitbetaling.
http://www.rnw.nl/caribiana/article/ex-landsambtenaren-bes-krijgen-deel-salaris-later
Gepubliceerd op : 23 oktober 2010 – 6:31 am | door René Roodheuvel (foto: René Roodheuvel)
Zo'n 300 ambtenaren van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN) op Bonaire, Saba en Sint-Eustatius krijgen deze maand maar tweederde deel van hun salaris uitbetaald. De rest zal op z'n vroegst pas in november volgen omdat de uitbetalingsprocedure voor deze maand al is begonnen, zo heeft een woordvoerder van de Rijksdienst tegen de Wereldomroep gezegd.
Sinds 101 010 werken deze rijksambtenaren (zoals politiemensen, brandweerlieden, leerkrachten, etc.) voor Nederland. Daarvoor waren ze in dienst van het land Nederlandse Antillen. Over de betaling van hun laatste periode als Antilliaans landsambtenaar – van 1 tot en met 9 oktober – is nu onduidelijkheid en vooral ook veel onrust ontstaan. De Rijksdienst wordt naar eigen zeggen «overspoeld» door vragen.
Volgens de RCN lag er een afspraak dat de Nederlandse Antillen het salaris, de toelagen en de opgebouwde vakantietoeslag tot en met 9 oktober rechtstreeks aan zijn mensen zou uitbetalen. Een soort eindafrekening dus. Maar dat is volgens de RCN niet gebeurd.
Aanvankelijk liet de Rijksdienst vrijdag in een persbericht in het midden wat er met het salarisgeld is gebeurd. Wel werd het (niet meer bestaande) land indirect opgeroepen «de gemaakte afspraken te respecteren en werknemers niet in onzekerheid te laten verkeren».
In een reactie stelt de voormalige minister van Financiën, Ersilia de Lannooy, dat er een andere afspraak lag over de betaling en dat er «onrust voor niks» wordt gemaakt. Volgens haar is met de regering op Sint-Maarten en de Rijksdienst voor de BES-eilanden overeengekomen dat het geld via hen zou worden overgemaakt. Voor de Antilliaanse ambtenaren die in dienst van het land Curaçao zijn gekomen, geldt een wat andere regeling.
De Lannooy meldde verder dat haar ex-directeur van de Directie Financiën van het land – verantwoordelijk voor de uitbetaling van salarissen – een bewijs had van storting van de totale loonsom voor de ex-landsambtenaren op de BES-eilanden op een RCN-rekening.
Daarop gaf de RCN in Kralendijk toe het geld inderdaad begin oktober al te hebben ontvangen, maar zonder de informatie over het juiste inkomen per persoon. Volgens woordvoerder Friso Fennema weet men daarom niet wat men precies per ambtenaar moet uitbetalen.
De Lannooy vraagt zich af waarom de RCN nu pas in actie komt en het geld niet veel eerder heeft teruggestort indien de storting niet juist was. En bij de informatie per ambtenaar gaat het volgens haar slechts om een «simpel bestandje».
Om uit de impasse te komen heeft de Rijksdienst Caribisch Nederland bemiddeling gevraagd van de Nederlandse Vertegenwoordiging in Willemstad. Ex-minister De Lannooy liet van haar kant weten dat er komende maandag overleg plaatsvind. Wie met wie praat en waar wilde ze niet zeggen, maar ze is wel optimistisch over het resultaat: «Ze komen er wel uit.»
Tekortschietende fiscale stimulering leerwerkbedrijven bij kleine ondernemingen |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het advies «Uitsluiting fiscale stimuleringsregeling beroepsonderwijs in de ambachtseconomie» van het Hoofdbedrijfschap Ambachten van 28 september jl.?
Ja.
Deelt u de analyse dat de Wet Afdrachtvermindering Onderwijs onbedoeld kleinschalige ondernemingen en zelfstandigen zonder personeel uitsluit? Zo nee, waarom niet?
De afdrachtvermindering onderwijs is een fiscale tegemoetkoming in de vorm van een vermindering op de af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Daarbij is onderkend dat conform het principe «no taxes no gains» als gevolg van deze keuze nooit een grotere compensatie wordt geboden dan het bedrag aan – vóór toepassing van de afdrachtvermindering – verschuldigde loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Inherent aan de keuze voor een dergelijk fiscaal instrument is dat inhoudingsplichtigen die relatief weinig loonheffingen afdragen minder snel de volledige afdrachtvermindering kunnen verzilveren. Voornoemde uitwerking is dan ook niet onbedoeld, maar expliciet voorzien1 bij de invoering van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Zolang er sprake is van een fiscaal instrument is er geen aanleiding om thans op de gemaakte keuze en de daaraan verbonden consequenties terug te komen.
Bent u bereid een einde te maken aan deze uitsluiting? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de Kamer voor 1 december 2010 een brief te sturen waarin de verschillende oplossingsrichtingen uit het advies worden onderzocht en een keuze wordt gemaakt voor één van hen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven is er momenteel geen reden om op de gemaakte keuzes terug te komen. Wel geef ik hierna in het kort een reactie op het advies van het Hoofdbedrijfschap Ambachten.
Dit voorstel betreft verrekening van het niet-verzilverbare deel van de afdrachtvermindering met de verschuldigde inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting in de vorm van een heffingskorting. Dit lijkt ons geen adequate oplossing voor het verzilveringsprobleem, aangezien zeker bij ondernemers de verschuldigde inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting niet altijd toereikend zal zijn om de heffingskorting te verzilveren.
Dit voorstel betreft invoering van een niet-fiscale compensatieregeling voor een fiscaal verzilveringsprobleem. Een dergelijke combinatie leidt tot complexe regelgeving en uitvoering. Bovendien maakt dit een inbreuk op de eerder genoemde systematiek die inherent is aan een fiscaal instrument. Deze variant is slechts bij hoge uitzondering toegepast bij de uitgaven voor specifieke zorgkosten (voorheen: buitengewone uitgaven).
Een dergelijke regeling biedt inderdaad een oplossing voor het verzilveringsprobleem. Echter dit zal leiden tot een toename van de administratieve lasten voor ondernemers en vergt een afzonderlijke uitvoeringspraktijk.
Een sectorbreed stagefonds is feitelijk een variant op een subsidieregeling. In tegenstelling tot het genoemde stagefonds in de zorg dat is bedoeld voor wettelijk geregeld zorgaanbod, is de door het Hoofdbedrijfschap Ambachten bedoelde groep ondernemers niet op eenzelfde eenduidige wijze af te bakenen. Bovendien zou het beperken van een tegemoetkoming tot een specifieke sector leiden tot rechtsongelijkheid. Immers, ook binnen andere sectoren kan het verzilveringsprobleem zich op eenzelfde wijze voordoen.
Met betrekking tot bovengenoemde voorstellen wil ik in zijn algemeenheid nog het volgende opmerken. Alle varianten brengen met zich mee dat het bereik wordt vergroot (ook voor ondernemers die in het geheel niet of beperkt gebruik maken van de afdrachtvermindering), waardoor het budgettaire beslag in alle varianten hoger zal uitvallen dan dat geldt voor de huidige regeling. Hiervoor bestaat thans geen dekking. Ook zullen de administratieve lasten toenemen en zullen de kosten voor de uitvoeringspraktijk aanzienlijk oplopen. Tenslotte zal een compensatie voor het verzilveringsprobleem binnen de afdrachtvermindering onderwijs uitstralingseffecten hebben richting de overige afdrachtverminderingen (zeevaart en speur- en ontwikkelingswerk), met alle gevolgen van dien.
Kinderarbeid bij de hazelnotenpluk in Turkije |
|
Bruno Braakhuis (GL) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op een item van EenVandaag over de grootschalige inzet van jonge kinderen bij de hazelnotenpluk in Noord Turkije?1
Zie het gecombineerde antwoord op vraag 1 en 5 van de vragen van de leden Gesthuizen, Irrgang en Voordewind. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 789)
Kunt u bevestigen dat er alleen al uit de provincie rond de stad Sanliurfa 70 000 leerplichtige kinderen, soms niet ouder dan 8 of 9 jaar maandenlang met hun ouders meegaan naar Noord Turkije om daar tegen betaling van € 1,– per uur werkdagen van 11 uur te maken? Zo nee, bent u bereid deze cijfers na te trekken?
Hierover zijn geen officiële cijfers bekend. De gemeente van Şanliurfa en de Association of Seasonal Agricultural Workers (METIDER), gevestigd in Şanliurfa, bevestigen dat personen in Şanliurfa hun inkomen verdienen door seizoensarbeid in andere regio’s. METIDER geeft als onofficiële schatting dat de helft van de personen in het rurale gebied van Şanliurfa en 44 procent van de lagere inkomensgroepen in de stedelijke gebieden (dit laatste gaat om ongeveer 125 000 personen) werkzaam is in de seizoensarbeid. METIDER geeft aan dat het vaak grote gezinnen betreft met gemiddeld vijf kinderen.
De Turkse onderwijsbond Eğitim Sen deed eind 2007 onderzoek onder 115 scholen voor primair onderwijs in zes Turkse zuidoostelijke steden. Hieruit kwam naar voren dat deze scholen 243 000 leerplichtige kinderen onder hun hoede hebben, 23 683 kinderen een deel onderwijs missen vanwege seizoensmigratie.
Kunt u een overzicht geven van Nederlands bedrijven die (op enige schaal) handelen in Turkse hazelnoten of deze in hun producten verwerken?
Zie het antwoord op vraag 4 van de vragen van de leden Gesthuizen, Irrgang en Voordewind. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 789)
Bent u van mening dat producenten van bijvoorbeeld hazelnotenpasta of -chocola de consument inzicht zouden moeten geven in de herkomst van deze noten, temeer daar 75 procent van de hazelnoten afkomstig is uit Turkije waar kennelijk op grote schaal kinderen worden ingezet bij de pluk?
Zie het antwoord op vraag 6 van de vragen van het lid Ferrier. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 790)
Bent u bereid het initiatief te nemen (bijvoorbeeld in het kader van het Initiatief Duurzame Handel) om met alle betrokkenen (producten, leveranciers, supermarkten) ervoor te zorgen dat maatregelen worden genomen om dit soort misstanden in de hele keten uit te bannen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie het gecombineerde antwoord op vraag 1 en 5 van de Kamervragen van de leden Gesthuizen, Irrgang en Voordewind (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 789) en het antwoord op vraag 5 van het lid Van Veldhoven-van der Meer. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 791)
Ziet u mogelijkheden om in Europese Unie-verband initiatief te nemen om de Turkse regering aan te spreken op de gesignaleerde praktijken? Zo ja, welke?
Zie het antwoord op de vragen 2 en 6 van het lid Ferrier (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 790) en het antwoord op vraag 4 van het lid Van Veldhoven-van der Meer. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 791)
De stokkende vrouwenemancipatie in Nederland |
|
Ineke van Gent (GL) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Hebt u kennis genomen van de Global Gender Gap Index van het World Economic Forum?1
Ja.
Deelt u de teleurstelling over het feit dat Nederland van de elfde naar de zeventiende plaats is gezakt op de wereldranglijst die de gelijkheid tussen mannen en vrouwen meet?
Het kabinet vindt de gelijkheid tussen vrouwen en mannen belangrijk. Een daling op de wereldranglijst opgesteld door het World Economic Forum is een signaal dat Nederland achter blijft bij andere landen. De deelname van vrouwen in alle sectoren en lagen van de samenleving is ook in Nederland nog niet vanzelfsprekend. Daarom is het bevorderen van emancipatie ook expliciet in het regeerakkoord opgenomen.
Wat denkt u dat de oorzaak is van deze daling?
De Global Gender Gap Index vergelijkt 134 landen met elkaar op basis van vier hoofdindicatoren: economische participatie, onderwijs, gezondheid en politieke participatie. Op de meeste hoofdindicatoren en subindicatoren is voor de gelijkheid tussen mannen en vrouwen in Nederland een verbetering te zien ten opzichte van voorgaande jaren. De belangrijkste oorzaak van de daling van Nederland in de rangorde is dat een aantal landen het beter is gaan doen. Kijken we alleen naar de positie van Nederland dan scoren we op onderwijs en gezondheid maximaal op gendergelijkheid. Op het terrein van de economische participatie scoort Nederland boven het gemiddelde. Op het terrein van de politieke participatie heeft Nederland in 2010 een lagere score dan in 2009. Dat is ook een reden voor de daling op de ranglijst. De politieke participatie weegt in de totale weging relatief zwaar. Het al dan niet hebben van een vrouwelijke premier weegt bijvoorbeeld net zo zwaar als bijvoorbeeld het aandeel vrouwen dat op de arbeidsmarkt participeert.
Bent u bereid u tot doel te stellen dat Nederland aan het eind van uw kabinetsperiode weer in de top tien van de Global Gender Gap Index staat? Zo nee, waarom niet?
Over de ambities van het kabinet en de wijze waarop daar nadere invulling aan zal worden geven, zal uw Kamer in het voorjaar van 2011 worden geïnformeerd.
De uitkomsten van de Global Gender Index en de Emancipatiemonitor 2010 van het Sociaal en Cultureel Planbureau zullen daar bij worden betrokken.
Bent u bereid de emancipatieportefeuille onder te brengen bij het ministerie van Algemene Zaken, zodat de coördinatie richting andere departementen door uzelf effectief ter hand genomen kan worden?
Nee. De emancipatieportefeuille is uitstekend belegd bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zij zal ook de coördinatie richting de andere departementen ter hand nemen.
Welke stappen gaat u zetten om er voor te zorgen dat Nederland die top tien positie weer in gaat nemen?
De ambities en doelstellingen van dit kabinet op het terrein van emancipatie voor de periode 2011 tot 2015 zullen worden uitgewerkt in een Actieplan Emancipatie dat uw Kamer in het voorjaar van 2011 zal ontvangen.
Overtredingen van de Arbeidstijdenwet bij de brandweer Zuid-Limburg |
|
Ronald van Raak |
|
Wat vindt u van het trieste jubileum dat tussen juli en oktober 2010 de Arbeidstijdenwet bij de brandweer Zuid-Limburg meer dan honderd keer is overtreden?1
Ik kan niet bevestigen dat de Arbeidstijdenwet tussen juli en oktober 2010 meer dan 100 keer is overtreden. Of deze informatie juist is zal de Arbeidsinspectie vaststellen in een nieuwe inspectieronde die nog dit jaar start.
Hoe verklaart u dat zoveel overtredingen van de Arbeidstijdenwet hebben plaatsgevonden?
Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven kan nog niets met zekerheid worden gezegd over het aantal overtredingen van de Arbeidstijdenwet. Het zelfde geldt voor mogelijke verklaringen.
Deelt u de overtuiging dat de Arbeidstijdenwet er niet voor niets is en dat overtreding hiervan gevolgen kan hebben voor de veiligheid van het personeel en de burgers, en dat hiertegen moet worden opgetreden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Zoals eerder aangegeven2 ligt de verantwoordelijkheid voor het op juiste wijze toepassen van de Arbeidstijdenwet bij beroepsbrandweerlieden en brandweervrijwilligers bij de werkgever van de brandweerlieden (veiligheidsregio’s en gemeenten).
Het is dan ook allereerst aan het bestuur van veiligheidsregio’s en gemeenten om hun leidinggevenden zodanig te instrueren dat ze op een adequate manier toezien op de naleving van de rusttijden. Het is aan de Arbeidsinspectie om ingeval van structurele overtredingen van de Arbeidstijdenwet corrigerend op te treden zodat de veiligheid van brandweerpersoneel en burgers gewaarborgd blijft.
Is de arbeidsinspectie op de hoogte van bovengenoemde overtredingen? Wat zijn haar bevindingen? Heeft zij sancties opgelegd? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op de vragen 1 en 2.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat in de toekomst geen overtredingen meer zullen plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat door het gevoerde beleid teveel druk op de vrijwilligers komt te liggen en dat dit een ongewenste situatie is? Zo nee, waarom niet?
Pas na afronding van het onderzoek van de Arbeidsinspectie kan ik u daarover nader informeren.
Wat zijn de gevolgen van de overtredingen voor de vrijwilligers zelf? Is de vrijwilliger nog verzekerd als er tijdens de dienst iets gebeurd, terwijl op dat moment sprake is van een overtreding van de Arbeidstijdenwet?
Het voldoen aan de regels van de Arbeidstijdenwet is geen criterium voor het toekennen voor verzekeringsuitkeringen.
Is dit een louter een regionaal probleem, of speelt dit ook landelijk? Zo ja, in welke korpsen? En wat gaat u hieraan doen?
Volgens de mij ter beschikking staande informatie wordt de werkwijze en benadering zoals die wordt gehanteerd door het regionale brandweerkorps
Zuid-Limburg door meerdere brandweerkorpsen in Nederland gehanteerd.
Ik heb geen signalen dat de toepassing van deze werkwijze daar leidt tot overtreding van de arbeids- en rusttijdenregels. Ik zie dan ook op dit moment geen aanleiding om de minister van SZW; die verantwoordelijk is voor de Arbeidsinspectie, te verzoeken de inspecties bij de brandweer te intensiveren.
Korting op het arbeidsloon bij een re-integratiebedrijf vanwege een dienstverband elders |
|
Sadet Karabulut |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Kent u de constructie waarbij een gerechtigde voor de Wet werk en bijstand (WWB) in dienst wordt genomen bij een re-integratiebedrijf op basis van het principe «loon voor uitkering» en waarbij de WWB-uitkering wordt beëindigd per gemeentelijke beschikking in verband met dit contract?1
Ja.
Is het waar dat bij deze constructie het arbeidsloon wat wordt ontvangen van het re-integratiebedrijf is gebaseerd op het wettelijk minimumloon tot op de hoogte van de bijstandsnorm en dus in feite een parttime arbeidscontract is? Zo nee, vindt u het wenselijk dat mensen hierdoor de facto onder het minimumloon komen te werken? Kunt u dit toelichten?
Op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) treed ik niet in de besluitvorming van individuele gevallen.
In algemene zin geldt dat een werkgever gehouden is tot betaling van het minimumloon. Indien minder uren wordt gewerkt dan het aantal uren dat hoort bij de normale arbeidsduur, zoals in casu kennelijk het geval is, wordt de beloning ook evenredig lager. De normale arbeidsduur en de omvang van het aantal uren in de arbeidsovereenkomst (in dit geval 28 uur per week) bepalen dus uiteindelijk de hoogte van het loon.
Kunt u toelichten welke rechten mensen met bovengenoemde constructie opbouwen als het gaat om pensioen, verlofmogelijkheden, etc?
Er bestaat voor een werkgever geen wettelijke verplichting om een pensioenvoorziening te treffen. In beginsel geldt dat werknemers die in een bedrijf dezelfde werkzaamheden verrichten ook dezelfde arbeidsvoorwaarden zullen hebben tenzij er objectieve redenen zijn om daarvan af te wijken. Bij een geschil daarover is het aan de rechter om daar een oordeel over te geven.
Is het juridisch houdbaar en wenselijk dat – in betreffende casus – het re-integratiebedrijf in zijn rol als werkgever de extra inkomsten van deze persoon – uit een dienstverband elders – in mindering brengt op het uit te betalen loon? Zo nee, wat gaat u doen om deze constructie in de toekomst te voorkomen?
In een arbeidsovereenkomst met een re-integratiebedrijf kunnen afspraken worden gemaakt dat een werknemer zoveel als mogelijk bij een ander bedrijf werkzaamheden verricht. Als een werknemer daarbij inkomsten verwerft, kan tevens overeengekomen worden dat deze verrekend kunnen worden met het loon dat de werknemer van het re-integratiebedrijf ontvangt.
Of in deze casus verrekening volgens de regels heeft plaatsgevonden kan ik niet beoordelen en is ook niet aan mij om te beoordelen. Het betreft hier een arbeidsovereenkomst en eventuele geschillen over de uitvoering daarvan kunnen worden voorgelegd aan de rechter.
Hoeveel mensen in Nederland hebben een arbeidsovereenkomst met een re-integratiebedrijf op basis van het principe «loon voor uitkering»? Staan mensen met een dergelijk contract nog geregistreerd als werkloos of werkzoekend? Kunt u dit toelichten?
De inzet valt binnen de verantwoordelijkheid die gemeenten vanuit de toepassing van de WWB hebben. Daarnaast hebben gemeenten diverse andere instrumenten tot hun beschikking (zie ook het antwoord op vraag 6). Vanuit de systematiek van de WWB hoeven gemeenten zich niet specifiek te verantwoorden over de inzet van de afzonderlijke instrumenten. Het is daardoor niet bekend hoeveel mensen landelijk via deze constructie werken.
Uit een rapportage van de Inspectie Werk en Inkomen en Divosa «MaatWerk First» (2009) onder 42 (intergemeentelijke) sociale diensten blijkt dat ongeveer een gelijk deel van de personen die deelnemen aan work first, werken met behoud van uitkering of regulier loon ontvangen (47%, respectievelijk 42%).
Overigens staan personen met een arbeidsovereenkomst niet langer geregistreerd als bijstandsgerechtigde. Of zij geregistreerd staan als werkzoekende, is afhankelijk van de vraag of een persoon zich ingeschreven laat staan als werkzoekend bij het UWV Werkbedrijf.
Bent u van mening dat publiek re-integratiegeld voor bovenstaande constructies bedoeld is? Kunt u dit toelichten?
In de WWB is de verantwoordelijkheid voor een doelmatig en doeltreffend re-integratiebeleid en oordeel hierover gelegd bij de gemeente zelf. Door gemeenten voor zowel het WWB inkomensdeel als het participatiebudget te budgetteren, is in het stelsel een prikkel voor gemeenten ingebouwd om de re-integratiemiddelen efficiënt en effectief te besteden.
Gemeenten hebben daarbij de mogelijkheid om verschillende instrumenten in te zetten om personen te laten re-integreren. Een van de mogelijkheden daarbij is om een cliënt in dienst te laten treden van de gemeente of een re-integratiebedrijf en deze werkzaamheden bij een bedrijf of organisatie te laten verrichten. Zo kunnen cliënten werkritme opdoen. Het is aan de gemeente om te bepalen of en voor welke cliënten dit instrument wordt ingezet.
Uit bovengenoemde rapportage MaatWerk First van de Inspectie Werk en Inkomen en Divosa blijkt dat in projecten waarin gewerkt wordt met een regulier contract betere uitstroom naar werk wordt gerealiseerd dan bij constructies waarin wordt gewerkt met behoud van uitkering (44 procent in geval van een regulier contract, 26 procent in geval van werken met behoud van uitkering).
Bent u bereid deze vragen voor het algemeen overleg re-integratie op 27 oktober 2010 te beantwoorden?
Ja.
Overigens heb ik begrepen dat dit algemeen overleg tot nader order is uitgesteld.
Het ontslag van 120 jeugdhulpverleners bij Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant |
|
Nine Kooiman |
|
Wat is uw reactie op het bericht «120 man weg bij jeugdzorg Brabant»?1
In het Afsprakenkader dat met provincies is overeengekomen is een budget vastgesteld voor 2010 en 2011. Het structurele budget voor de provincie Noord-Brabant stijgt in 2011 met ruim € 6 000 000 ten opzichte van 2010. Ik initieer hiermee geen bezuinigingen. Het maken van afspraken met bureau jeugdzorg acht ik primair een verantwoordelijkheid van de provincie.
Hoe kan het dat Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant zich genoodzaakt ziet om – vooruitlopend op bezuinigingen van de provincie en de rijksoverheid en mede verwijzend naar het regeerakkoord – 120 goed opgeleide jeugdhulpverleners te ontslaan?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat het bedrag dat jaarlijks door u ter beschikking is gesteld om de stijgende personeelskosten op te vangen (de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA)) niet evenredig meestijgt met de autonoom stijgende kosten voor Bureau Jeugdzorg? Zo ja, hoe zou Bureau Jeugdzorg volgens u deze kosten moeten opvangen?
De OVA-systematiek voorziet jaarlijks in een een bijdrage die in principe toereikend is om de stijging van de loonkosten, die optreedt ten gevolge van CAO-onderhandelingen, op te vangen. Wanneer deze compensatie niet voldoende is om de stijgende kosten van bureau jeugdzorg op te vangen, is het aan de provincie en bureau jeugdzorg om maatregelen te nemen.
Is het waar dat het aantal zorgmeldingen/ Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK)- meldingen vooralsnog toeneemt, ondermeer door goede campagnes om vermoedens van kindermishandeling vooral te melden? Zo ja, hoe zou Bureau Jeugdzorg dan met minder budget kunnen uitkomen?
Ja, volgens cijfers van de provincie is zowel het aantal zorgmeldingen bij bureau jeugdzorg als het aantal meldingen bij het AMK toegenomen. Dit kan mede een effect zijn van de publiekscampagne «Wat kan ik doen?» die in 2008 is gestart.
Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 1 en 2.
Is het waar dat de sector er tot nu toe nog niet in is geslaagd de instroom in de jeugdzorg te beperken, maar dat de sector onder verwijzing naar de intentie om deze instroom te beperken nu al minder budget krijgt? Deelt u de mening dat dit de verkeerde volgorde is, en dat pas minder budget kan worden verstrekt vanaf het moment dat de instroom daadwerkelijk is beperkt?
Als staatssecretaris ben ik verantwoordelijk voor het stelsel van jeugdzorg en is de provincie verantwoordelijk voor de uitvoering van de jeugdzorg. Ik bied de provincie hiervoor een financieel kader in de vorm van een doeluitkering. Ik acht het de verantwoordelijkheid van de provincie en het bureau jeugdzorg om te komen tot afspraken over de besteding van de doeluitkering.
Wat zijn de gevolgen voor het personeel? Om hoeveel arbeidsplaatsen gaat het precies? Vallen er ook gedwongen ontslagen? In hoeverre worden betrokkenen van werk naar werk begeleid?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zijn de gevolgen voor de drieduizend pupillen die Bureau Jeugdzorg Brabant nu onder haar hoede heeft?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zijn de gevolgen van het vertrek van deze jeugdhulpverleners voor de drieduizend pupillen en hun ouders waar Bureau Jeugdzorg zorg voor draagt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de vrees dat het ontslaan van jeugdhulpverleners zal leiden tot een snelle en ingrijpende groei van de wachtlijsten? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de vrees dat het ontslaan van jeugdhulpverleners tot gevolg zal hebben dat het bieden van preventieve hulp, vroeghulp en vrijwillige begeleiding als eerste zullen sneuvelen, omdat Bureau Jeugdzorg zich met de beperkte middelen eerst zal moeten richten op het gedwongen kader en de zwaardere zorgvragen? Zo niet, hoe gaat u dit geschetste gevolg voorkomen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u de garantie bieden dat het ontslaan van jeugdhulpverleners niet zal leiden tot langere wachtlijsten? Zo niet, bent u bereid deze ontslagen te voorkomen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u de garantie bieden dat jongeren en gezinnen die hulp krijgen die zij nodig hebben? Kunt u uw antwoord toelichten?
In het Afsprakenkader Jeugdzorg is met provincies afgesproken dat alle kinderen de noodzakelijke zorg binnen verantwoorde wachttijden ontvangen. Dit geldt ook voor de provincie Noord-Brabant.
Ik heb uw Kamer op 8 november (TK 2010–2011, 31 839, nr. 75) geïnformeerd over de stand van de wachtlijsten op 1 juli 2010.
Bent u bereid er voor te zorgen dat er geen jeugdhulpverleners hoeven te vertrekken bij Bureau Jeugdzorg, in ieder geval tot het moment dat de instroom van zorgvragen aantoonbaar is beperkt? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk, uiterlijk 11 oktober 2010, te beantwoorden?
Ik heb deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Oost-Europese concurrentie in de thuiszorg |
|
Eddy van Hijum (CDA), Sabine Uitslag (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Oost-Europese concurrentie in de thuiszorg» waarin wordt gemeld dat Oost-Europese vrouwen hun intrede doen in de thuiszorg?1
Ja.
Hoeveel Bulgaarse en Roemeense thuishulpen zijn via een detacheringconstructie in de thuiszorg werkzaam? Herkent u het beeld dat het vooralsnog gaat om naar schatting enkele honderden mensen? Verwacht u dat dit aantal in de toekomst zal toenemen?
Voor werknemers uit Bulgarije en Roemenië is een tewerkstellingsvergunning vereist: Nederland maakt immers gebruik van de mogelijkheid om overgangsmaatregelen toe te passen met betrekking tot het vrij verkeer van werknemers uit deze landen. Voor vrij verkeer van diensten gelden geen overgangsmaatregelen. Dit betekent dat Bulgaren en Roemenen wel als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) mogen werken in Nederland of als werknemer in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening. Uit het aangehaalde krantartikel blijkt dat Seniorcare24 stelt dat het de laatstgenoemde constructie benut: grensoverschrijdende dienstverlening met eigen werknemers.
Op grond van het vrij verkeer van diensten mag een in een andere EU-lidstaat gevestigde dienstverlener in Nederland met eigen werknemers een dienst komen verrichten, ook als het werknemers betreft voor wie nog geen vrij verkeer van werknemers geldt (zoals Bulgaren). In de Wet arbeid vreemdelingen is geregeld dat voor deze categorie geen tewerkstellingsvergunning is vereist: er kan worden volstaan met een melding («notificatie») bij UWV. Deze notificatieplicht geldt niet wanneer enkel sprake is van het ter beschikking stellen van arbeid: hiervoor blijft een tewerkstellingsvergunning vereist. Uit de cijfers van UWV blijkt dat er dit jaar tot nu toe 24 Bulgaarse vreemdelingen zijn genotificeerd in de zorgsector. In hoeverre in de toekomst gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid is vooralsnog niet in te schatten.
De Arbeidsinspectie controleert of grensoverschrijdende dienstverleners die hebben genotificeerd niet feitelijk arbeid ter beschikking stellen. In dat geval is sprake van illegale tewerkstelling en wordt in principe een boete opgelegd aan zowel de in het buitenland gevestigde werkgever als aan de in Nederland gevestigde opdrachtgever(s).
Als het gaat om oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt, geldt dat ook gedetacheerde werknemers recht hebben op het wettelijk minimumloon. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van de WML. Ook gelden voor gedetacheerde werknemers de algemeen verbindend verklaarde kernbepalingen uit de van toepassing zijnde cao. Behalve om loon gaat het hierbij om belangrijke arbeidsvoorwaarden zoals werk- en rusttijden, vakantiedagen en gezondheid, veiligheid en hygiëne. Cao-partners zijn zelf verantwoordelijk voor de controle op naleving van de bepalingen in cao’s. Op dit moment is er overigens geen algemeen verbindend verklaarde cao voor de thuiszorg.
Zoals gezegd mogen Bulgaren en Roemenen ook als zzp’er werken in Nederland. Als blijkt dat feitelijk sprake is van een werkgever-werknemerrelatie spreken we van schijnzelfstandigheid. Wanneer de werkgever niet beschikt over een tewerkstellingsvergunning, is sprake van illegale tewerkstelling en legt de Arbeidsinspectie een boete op aan de werkgever. Met de Belastingdienst en IND worden gegevens uitgewisseld over schijnzelfstandigheid. Ook vindt intensieve voorlichting plaats over schijnzelfstandigheid: via brochures in verschillende talen, de campagne «Weet hoe het zit» en de website van de Arbeidsinspectie.
De Arbeidsinspectie heeft de aanpak van werkgevers van Bulgaarse en Roemeense schijnzelfstandigen tot een van de speerpunten benoemd in 2010. Het thema «het oneigenlijk verkrijgen van toegang tot de arbeidsmarkt door zelfstandigen zonder personeel» maakt deel uit van het programmaproject ter uitvoering van amendement nr. 43 bij de SZW-begroting 2010, waarover uw Kamer per brief van 15 maart jl. is geïnformeerd.2
Op dit moment heeft de Arbeidsinspectie enkele zaken in de thuiszorg in onderzoek, waaronder het in het artikel genoemde bureau. In deze zaken wordt onderzocht of er sprake is van illegale tewerkstelling door de inzet van schijnzelfstandigen of door het ter beschikking stellen van arbeid zonder de benodigde tewerkstellingsvergunning.
Als het gaat om oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt specifiek in de thuiszorg kan ik u melden dat de Arbeidsinspectie in 2011 een inspectieproject op het terrein van arbeidsmarktfraude zal opstarten in de zorgsector. De ontvangen signalen en de ervaringen uit de lopende onderzoeken zullen hierin worden meegenomen.
Kunt u toelichten of de detacheringconstructie die wordt toegepast rechtmatig is? Gaat het hier om schijnzelfstandigen die de facto werknemers zijn? Bent u van mening dat met deze constructie de benodigde tewerkstellingsvergunning voor Roemenen en Bulgaren wordt omzeild?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke manier bent u voornemens schijnzelfstandigheid en oneerlijke concurrentie in de thuiszorg aan te pakken? In hoeverre controleert de Arbeidsinspectie op schijnzelfstandigheid in de thuiszorg?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat de uitlatingen van de voorzitter van Divosa, over dat jonggehandicapten in de bijstand moeten, op persoonlijke titel zijn |
|
Sadet Karabulut |
|
Piet Hein Donner (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
Deelt u de mening dat de plannen van de voorzitter van Divosa ertoe zullen leiden dat arbeidsgehandicapten voor altijd in de armoede geduwd worden, geen extra baan voor arbeidsgehandicapten oplevert maar slechts leidt tot vergaande tweedeling in de samenleving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat de plannen van de voorzitter van Divosa om arbeidsgehandicapten onder het minimumloon te laten werken verwerpelijk zijn?1
Nee. De voorzitter van Divosa, dhr. R. Paas refereert in een artikel in Trouw aan een voorstel van Divosa uit maart 2010 om de onderkant van de arbeidsmarkt te hervormen. Divosa wil de politiek hiermee een alternatief bieden om de mogelijke bezuinigingen in de sociale zekerheid op te vangen. Het nieuwe kabinet heeft in het concept regeerakkoord VVD CDA aangegeven voornemens te zijn met voorstellen te komen op dit punt. Voor deze voornemens geldt dat deze nog verdere uitwerking behoeven alvorens ze beoordeeld kunnen worden.
Verder merk ik op dat het kabinet de afgelopen jaren verschillende voorstellen heeft gedaan om meer mensen vanuit de WWB/WIJ, Wsw en Wajong aan het werk te helpen. Zo zijn onlangs een aantal pilots «Werken naar vermogen» gestart, waaronder een pilot loondispensatie, waarbij werkgevers toestemming kunnen krijgen om mensen met een arbeidsbeperking minder dan het wettelijk minimumloon te betalen als zij door deze beperking minder productief zijn. Ook hierbij geldt dat het tijd vergt om de resultaten te kunnen beoordelen. Uitgangspunt is altijd dat een activerende uitkeringssystematiek en maatwerk bij re-integratie moeten leiden tot een zorgvuldige aanpak om meer mensen aan het werk te helpen.
Deelt u de mening dat een voorzitter van een vereniging van sociale diensten op persoonlijke titel en zonder enig politiek mandaat of – verantwoordelijkheid dergelijke ingrijpende plannen niet zou moeten presenteren, temeer omdat hij de indruk heeft gewekt namens de vereniging te spreken en honderdduizenden arbeidsgehandicapten de stuipen op het lijf heeft gejaagd?23 Zo ja, welke consequenties verbindt u aan deze uitspraken? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven geeft Divosa aan de politiek een alternatief te willen bieden om de mogelijke bezuinigingen op te vangen. Daarbij wordt door organisaties soms de pers opgezocht. Ik stel het op prijs dat organisaties meedenken om meer mensen aan het werk te krijgen. De voorzitter van Divosa refereert in het artikel in Trouw aan het eerdergenoemde voorstel van Divosa van maart 2010 voor «Een regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt», hij spreekt daarmee namens Divosa en niet op persoonlijke titel.
Wat is volgens u de reden dat de voorzitter van Divosa op persoonlijke titel dergelijke uitspraken heeft gedaan? Is het mogelijk dat hij zich heeft willen profileren als minister van Sociale Zaken? Zo ja, deelt u de mening dat dit voor een minister van Sociale Zaken onwaardige uitspraken zijn en de voorzitter van Divosa zich hiermee heeft gediskwalificeerd als toekomstig minister en als voorzitter van Divosa?
Zie antwoord vraag 2.
Verdenking van vastgoedfraude bij pensioenfondsbeheerder AZL |
|
Jan de Wit , Sharon Gesthuizen (GL) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «OM verdenkt directeur pensioenfonds AZL van omkoping»?1
Ja.
Hoe kan het dat de vreemde verkoopconstructie, waarbij een pand meerdere keren op een dag van eigenaar veranderde terwijl de prijs onverklaarbaar fors steeg, niet direct is opgemerkt?
De notaris is de eerst aangewezen functionaris om onregelmatigheden bij onroerendgoedtransacties op te merken. Degenen die een doorverkoopconstructie te kwader trouw gebruiken, zullen onregelmatigheden echter willen verbergen voor de notaris. Een door mij bij het Kadaster en de gemeente Rotterdam gestarte pilot had als doel de transparantie van vastgoedtransacties te bevorderen (TK, 2008–2009, 29 911, nr. 16). In deze pilot heeft het Kadaster onder andere gewerkt aan een systeem om notarissen eerder in de keten die een vastgoedtransactie behelst van meer informatie te kunnen voorzien. Het Kadaster kan het notariaat naast het reeds werkzame Kadaster-on-Line het systeem «Gebeurtenis gedreven informatie (GGI)» bieden. Hierbij neemt de notaris een abonnement op het over te dragen object en wordt vanaf dat moment geautomatiseerd geïnformeerd over eventuele wijzigingen in de registratie.
Opsporingsdiensten zijn bij het bestrijden van vastgoedfraude afhankelijk van signalen van notarissen en bijvoorbeeld de Belastingdienst. Naar dergelijke signalen wordt ook actief gezocht door opsporingsdiensten door informatie uit onderzoeken te analyseren.
Over de gang van zaken in de onderhavige zaak kan ik vanwege het opsporingsbelang geen mededelingen doen.
Is het waar dat een groot deel van de strafbare feiten inmiddels is verjaard door een inschattingsfout van het Openbaar Ministerie (OM)?2 Waarom is in dit geval verzuimd de verjaring van de strafbare feiten te stuiten? Hoe is dit mogelijk, gelet op het feit dat de bestrijding van vastgoedfraude topprioriteit wordt genoemd?
Het OM heeft hieromtrent het volgende meegedeeld. Bovengenoemde bezwaarschriften van twee van de vier verdachten over het verjaard en niet tijdig gestuit zijn van de strafbare feiten, zijn door de raadkamer ongegrond verklaard. Deze verdachten hebben daar geen hoger beroep tegen ingesteld. De behandeling van de strafzaken tegen deze twee verdachten kan in ieder geval doorgaan.
Ten aanzien van de twee andere verdachten loopt de procedure over de vermeende verjaring nog. De Hoge Raad heeft die zaken terugverwezen naar het Gerechtshof. Het OM stelt zich op het standpunt dat sprake is geweest van stuiting van de verjaring.
Is er naar uw mening voldoende capaciteit en expertise voor de bestrijding van vastgoedfraude? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen?
Ondermeer voor de aanpak van deze vorm van fraude is binnen het OM een gespecialiseerd parket gevormd, te weten het Functioneel Parket. Binnen het Functioneel Parket is op dit terrein bijzondere expertise ontwikkeld. Ten aanzien van de opsporings-, vervolgings-, en zittingscapaciteit is uw Kamer eerder bericht dat deze niet oneindig is. Daarom moet altijd een selectie worden gemaakt bij het oppakken van strafzaken. Ik ben van mening dat er voldoende expertise is en dat met de beschikbare capaciteit vastgoedfraude zo goed mogelijk wordt aangepakt.
Tevens is onder regie van mijn ambtsvoorganger en de ambtsvoorgangers van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties en Financiën ingezet op een samenhangende strategie gericht op verschillende actoren om misbruik van, en manipulatie met, vastgoed aan te pakken (TK, 2008–2009, 29 911, nr. 16).
Verder verwijs ik naar mijn brief van 1 april 2010 over onder andere het Vastgoed Intelligence Center (VIC; TK, 2009–2010, 29 911, nr. 40). Het VIC ondersteunt de programmatische aanpak van vastgoedgerelateerde georganiseerde misdaad op zaaksniveau door analyses van concrete zaken en op strategisch niveau door onder andere het in beeld brengen van fenomenen.
Is het waar dat openbare behandeling van deze zaak tot nu toe is voorkomen, omdat relevante strafrechtelijke antecedenten bij de verdachten zouden ontbreken en een openbare zitting reputatieschade op zou leveren? Is dit een legitiem argument, waarop eenieder een beroep kan doen? Of geldt dit argument slechts voor «witte boorden', mensen met een hoge positie in het bedrijfsleven?
Nee. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft de verdachten gedagvaard voor de zitting van 29 oktober 2008 van de rechtbank te Den Bosch. Door alle verdachten is tegen de dagvaarding een bezwaarschrift ingediend. De behandeling van de bezwaarschriften vindt plaats in de raadkamer van de rechtbank en dergelijke raadkamerzittingen zijn niet openbaar.
Overweegt u in deze zaak toestemming te geven aan een eventuele schikking tussen de verdachten en het OM waardoor strafrechtelijke vervolging wordt voorkomen? Zo ja, waarom? Bent u bereid deze toestemming niet te verlenen en in ieder geval nader overleg met de Kamer over de schikkingen in fraudezaken af te wachten?
De verdachten zijn gedagvaard. Het OM heeft meegedeeld dat het afdoen van de strafzaak door middel van een transactie op dit moment niet aan de orde is.
Zijn er ex-mijnwerkers of andere pensioenrechthebbenden benadeeld door deze fraude? Zo ja, hoe wordt daarmee omgegaan?
Het OM heeft meegedeeld dat uit het strafrechtelijk onderzoek niet is gebleken dat er ex-mijnwerkers of andere pensioengerechtigden zijn benadeeld door deze fraude.
Het ontslag van het voltallige huishoudelijk personeel van thuiszorgaanbieder Amstelring |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht dat thuiszorgaanbieder Amstelring het voltallige huishoudelijk personeel zal ontslaan omdat de gemeente Haarlemmermeer met een andere aanbieder in zee gaat?1
Ja. Het gaat overigens om drie andere aanbieders die de opdracht gegund hebben gekregen.
Heeft u inzicht in de manier waarop de gemeente Haarlemmermeer voldoet aan haar inspanningsverplichting, zoals die in de Wet maatschappelijke ondersteuning(Wmo) is opgenomen, ten opzichte van de 400 werknemers die door deze aanbesteding nu hun baan verliezen?
Artikel 10a van de Wmo bepaalt dat de nieuwe aanbieder in overleg treedt met de voormalige aanbieder over de overname van personeel. De gemeente ziet er op toe dat dit overleg plaatsvindt. De bedoelde inspanningsverplichting rust dus bij de nieuwe aanbieder en niet bij de gemeente.
De gemeente Haarlemmermeer heeft deze wettelijke verplichting tot overleg ook in het pakket van eisen opgenomen. Daarnaast heeft zij in haar bestek opgenomen dat aanbieders de CAO VVT moeten naleven. Dit betekent dat de opdrachtnemers ook contractueel verplicht zijn om met de vorige aanbieder(s) in overleg te treden over de overname van personeel tegen de arbeidsvoorwaarden zoals in de toepasselijke CAO zijn opgenomen.
Eén en ander heeft er dan ook toe geleid dat de betrokken aanbieders met elkaar in overleg zijn getreden, met als resultaat dat vrijwel het gehele betrokken personeel van Amstelring per 1 januari 2011 aan de slag kan bij één van de nieuwe aanbieders.
Heeft u er zicht op of de medewerkers van Amstelring, die bij een nieuwe werkgever met soortgelijk werk aan de slag kunnen, dat onder soortgelijke arbeidsomstandigheden en voor hetzelfde loon kunnen doen?
Zoals aangegeven eist de gemeente Haarlemmermeer van haar aanbieders dat zij de CAO VVT naleven. Medewerkers van Amstelring die bij een nieuwe aanbieder in dienst treden moeten conform de arbeidsvoorwaarden van de CAO VVT worden beloond. Dit betekent echter niet dat zij altijd aanspraak kunnen maken op hetzelfde loon als voorheen. De gemeente Haarlemmermeer geeft aan dat de medewerkers voor wie dit geldt, hiervoor door de nieuwe aanbieders gedeeltelijk worden gecompenseerd.
Weet u of de gemeente Haarlemmermeer voornemens is de overige medewerkers via re-integratie te laten doorstromen in nieuwe functies? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om de gemeente daartoe aan te sporen, ook gezien de uitvoering van de motie Wolbert c.s. die verzoekt om een stappenplan voor doorstroom van alfahulpen2
Het UWV is verantwoordelijk voor de reïntegratie van werkzoekenden die een uitkering van het UWV ontvangen en de gemeente is verantwoordelijk voor de reïntegratie van de overige werkzoekenden. Dit houdt in dat ten aanzien van de hier bedoelde medewerkers de nodige reïntegratie-activiteiten gaan plaatsvinden, hetzij door het UWV, hetzij door de gemeente Haarlemmermeer.
Voor de duidelijkheid meld ik hier nog dat het hier niet om alfahulpen gaat, maar om medewerkers in loondienst.
Het faillissement van Kip caravans |
|
Agnes Wolbert (PvdA), Roos Vermeij (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het faillissement van Kip caravans te Hoogeveen?1
Ja. De Rechtbank te Assen heeft op 28 september 2010 het faillissement van Kip caravans uitgesproken.
Is er inderdaad een reële kans dat er opnieuw een doorstart komt, zoals de organisatie vermeldt in haar persbericht?
Kip Nederland heeft in haar persbericht van 23 september aangegeven dat een eventuele doorstart met alle betrokkenen onderzocht wordt. Op 1 oktober meldde de curator in de Volkskrant dat zich 18 partijen hebben gemeld voor een eventuele doorstart. Er is dus een reële kans op een doorstart, maar of en in hoeverre resultaten bereikt worden met de 18 partijen, is op dit moment nog niet bekend.
In hoeverre zijn het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en het mobiliteitscentrum ingezet om de medewerkers van werk naar werk te begeleiden?
Op 27 september is er een bijeenkomst geweest met de medewerkers van Kip caravans. UWV was vertegenwoordigd met medewerkers van de afdeling faillissementen, het mobiliteitscentrum in Emmen en medewerkers van het Werkplein Hoogeveen. Er zijn concrete afspraken gemaakt met de medewerkers, zij worden uitgenodigd voor bijeenkomsten «Werken aan werk» en het maken van een CV en brief. UWV inventariseert alle vacatures in de regio (Zwolle, Emmen, Hardenberg, Steenwijkerland en Assen) welke vervolgens worden geplaatst in een speciale werkkrant voor de medewerkers van Kip caravans. Daarnaast is UWV in gesprek met uitzendbureaus over plaatsingsmogelijkheden in de regio.
Zijn er ook overheden, zowel lokale als provinciale, betrokken bij de voorkoming van het faillissement en bij de begeleiding van medewerkers naar nieuw werk?
Het mobiliteitscentrum in Emmen brengt alle partijen op het gebied van werk, scholing en inkomen uit de regio bijeen om de met ontslag bedreigde medewerkers zo snel mogelijk naar nieuw werk te begeleiden. Dit zijn onder andere de uitzendbureaus, de gemeenten, werkgevers en scholingsinstellingen. Er is ook contact gelegd met de arbeidsmarktregio IJsselvecht (Zwolle). Ook de provincie is nauw betrokken bij alle mobiliteitsinitiatieven.
Heeft het bedrijf gebruik gemaakt van de deeltijd-WW mogelijkheden die er in de afgelopen periode waren?
Kip Caravans heeft vanaf 29 juni 2009 gedurende drie maanden gebruik gemaakt van de deeltijd WW. Er waren toen 62 personen in dienst. Zestig medewerkers hebben toen voor 50% gebruik gemaakt van de deeltijd WW. Na afloop van deze periode heeft Kip Caravans aangegeven geen verlenging aan te vragen, omdat er voldoende orders waren voor de volgende drie maanden. De regeling deeltijd WW sluit uit dat daarna nog opnieuw een beroep op de regeling kan worden gedaan.
Eén van de verplichtingen bij het gebruik van deeltijd WW is dat arbeidsmarkt-relevante scholing plaatsvindt. De eerste drie maanden deeltijd WW zijn gebruikt voor oriëntatie, korte gerichte bijscholing en voorbereiding op lange termijn-scholing.
Is er in de afgelopen jaren geïnvesteerd in scholing, zodat medewerkers meer kansen hebben op de arbeidsmarkt?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat er alles op alles gezet moet worden om de werkgelegenheid in Drenthe te behouden en dat dit ook geldt voor het werk van deze medewerkers van Kip caravans? Wat zou uw rol daarin kunnen zijn?
Ik ben van mening dat alles in het werk gesteld moet worden om niet alleen de werkgelegenheid in Drenthe, maar in heel Nederland te behouden. Het bedrijfsleven en de overheid hebben daarin ieder een eigen verantwoordelijkheid. De overheid richt zich op het creëren van randvoorwaarden voor structurele economische ontwikkeling en heeft een rol bij het begeleiden van met werkloosheid bedreigde werknemers en werklozen naar ander werk. Bedrijven zijn zelf verantwoordelijk voor de strategische beslissingen die zij nemen over de aard en inrichting van hun productieprocessen en daarmee ook voor de continuïteit van hun onderneming.
Ik besef dat het faillissement en het ontslag voor de medewerkers hard aankomt. Voor hen breekt een periode van onzekerheid aan. Ik verwacht dan ook van de samenwerkende partijen in het mobiliteitscentrum Emmen, dat zij alles in het werk zullen stellen om de betrokken medewerkers zo snel mogelijk naar ander werk te begeleiden.
Het ontslag van 31 medewerkers bij de sociale werkvoorziening in Purmerend |
|
Sadet Karabulut |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het ontslag van 31 medewerkers van de sociale werkvoorziening in Purmerend vanwege het mislopen van een rijkssubsidie door de gemeente?1
Ik heb kennis genomen van de twee berichten in het Noord Hollands dagblad. Ik maak daaruit op dat het gaat om het niet verlengen van het dienstverband van 31 personen omdat het re-integratietraject eindigt. De gemeente Purmerend zet in het kader van re-integratie van jongeren een vorm van gesubsidieerde arbeid in (talentenbanen). Jongeren worden tijdelijk in dienst genomen bij Baanstede (sw-bedrijf) om hen werkervaring op te laten doen. Inzet van dit re-integratietraject heeft derhalve geen verband met de Wsw.
In het kader van de Wet Investering in Jongeren geven gemeenten jongeren van 18 tot 27 jaar die zich melden voor een uitkering een leer/werkaanbod. Dit kan een baan zijn, een vorm van scholing of een combinatie van beide, afgestemd op de situatie van de jongeren. De gemeente maakt daarbij zelf de keuze voor inrichting van dit leer/werkaanbod. Het behalen van een startkwalificatie kan van groot belang zijn voor de duurzame inzetbaarheid van jongeren. Het is echter aan de gemeente Purmerend om een keuze te maken in de wijze waarop zij werkloze jongeren een leer/werkaanbod doen.
Ervan uitgaande dat niet-geïndiceerden zichzelf moeten zien te redden, vindt u dit een juiste uitvoering van de Wet Investeren in Jongeren (WIJ)? Zo nee, wat gaat u hiertegen doen?2
Zie antwoord vraag 1.
Acht u het wenselijk dat 31 jongeren per direct moeten stoppen met hun opleiding en hun Talentbaan omdat de gemeente Purmerend de geldkraan dichtdraait? Vindt u het wenselijk dat deze jongeren hierdoor geen startkwalificatie kunnen behalen? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat jongeren beter een opleiding en een werktraject kunnen volgen in plaats van dat zij werkloos thuis op de bank moeten gaan zitten? Zo ja, vindt u het een verstandige keuze van het college in Purmerend om deze jongeren naar huis te sturen?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat de gemeente Purmerend gekort wordt door het Rijk voor 3,5 miljoen euro, waardoor zij niet meer in staat is om de Talentbanen voor jongeren te financieren? Zo ja, erkent u dat dit leidt tot meer werkloze jongeren en een langere wachtlijst Wet sociale werkvoorziening (WSW)? Zo nee, hoe zit het dan wel?
De 31 medewerkers van Baanstede in Purmerend waren niet in dienst in het kader van de uitvoering van de Wsw en dus leidt dit niet tot een langere wachtlijst van de Wsw. Het Wsw-budget mag niet worden ingezet voor re-integratie van niet-Wsw-geïndiceerden. Het werkvoorzieningschap Baanstede had deze personen in dienst in het kader van een re-integratietraject. Deze vorm van gesubsidieerde arbeid wordt gefinancierd vanuit het Participatiebudget.
Het participatiebudget van de gemeente Purmerend is in 2010 niet voor 3,5 miljoen euro gekort. In 2010 is het macrobudget van het participatiebudget afgenomen. Dit heeft geleid tot een verlaging van het participatiebudget voor Purmerend in 2010 met 675 duizend euro. Daarnaast heeft de gemeente Purmerend in 2009 haar uitgave aan re-integratie verdubbeld, waarbij voor ruim 2,7 miljoen euro is ingeteerd op de uit voorgaande jaren meegenomen budgetten (meeneemregeling).
Zijn er meer bedrijven voor Sociale Werkvoorziening (SW) die van plan zijn om, vanwege het ontbreken van rijkssubsidie, contracten van SW-geïndiceerden op korte termijn te beëindigen en deze mensen naar huis te sturen? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, kunt u dit uitsluiten?
De 31 banen die niet zijn verlengd hebben geen betrekking op de Wsw, maar vloeien voort uit de inzet van een re-integratietraject uit het participatiebudget. Het is aan de gemeente Purmerend om te besluiten of zij de Talentenbanen voor deze jongeren wil behouden.
Het is mij niet bekend of gemeenten van plan zijn om tijdelijke contracten van Wsw-geïndiceerden niet te verlengen. Gemeenten ontvangen jaarlijks de toekenning Wsw waarin is opgenomen het minimum aantal te realiseren Wsw-plekken met het daarbij behorende budget. Het is aan gemeenten deze toegekende plekken te realiseren.
Ziet u mogelijkheden om de Talentbanen in Purmerend voor deze jongeren te behouden, zodat zij een startkwalificatie kunnen halen en zich kunnen voorbereiden op hun toekomst? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat – vanwege de forse bezuinigingen van 120 miljoen euro per jaar vanaf 2011 – het aantal ontslagen en wachtlijsten zullen groeien en deze bezuiniging van tafel moet? Zo nee, vindt u het sociaal om te bezuinigen op arbeidsgehandicapten die toch al geen of weinig perspectief hebben op een reguliere baan?3
Zoals ik tijdens de begrotingsbehandeling van SZW ook heb gemotiveerd en uiteengezet, ben ik van mening dat een efficiëncykorting op het Wsw-budget voor 2011 noodzakelijk is en dat het mogelijk moet zijn voor de uitvoering dit te realiseren. De Wsw is in vergelijking met het buitenland erg ruim en kostbaar. Er moet, gelet op deze cijfers, dus ruimte zijn voor minder subsidie. Bovendien zitten er in de Wsw mensen die veel meer kunnen dan waarvoor ze worden ingezet. Daarnaast vindt uitstroom naar een reguliere werkgever in het kader van de Wsw (begeleid werken) nog steeds nauwelijks plaats, landelijk 5%, terwijl uit de Wsw statistiek kan worden afgeleid dat ongeveer de helft zou kunnen werken bij een reguliere werkgever. Tenslotte kan uit de statistiek worden opgemaakt dat het aandeel werknemers van voor 1998, die vaak relatief veel betaald krijgen, jaarlijks afneemt door (pre)pensioen van deze werknemers.
"Gesjoemel met veiligheidscertificaten" en het niet optreden van de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) |
|
|
|
Camiel Eurlings (minister verkeer en waterstaat) (CDA) |
|
Kent u de artikelen «Inspectie machteloos bij «fraude» veiligheidscertificaten» en «Nieuwe cijfers: baanwerkers doorliepen cursus niet zelf»1 en «Risicosituaties langs het spoor»?2
Ja.
Is het mogelijk dat baanwerkers veiligheidscertificaten verkrijgen waarvoor zij niet zelf de test met succes hebben afgelegd? Zo ja, waarom is er geen adequate beveiliging van het internet examensysteem zodat fraude onmogelijk is? Zo ja, welke maatregelen neemt u zodat deze fraude per direct onmogelijk wordt gemaakt?
De in vraag 1 genoemde artikelen spreken van «veiligheidscertificaten». Met het bedoelde internet examensysteem wordt echter een «bewijs van deelname» verstrekt. De Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) vermoedt dat het mogelijk is dat baanwerkers dit bewijs van deelname kunnen verkrijgen zonder zelf de vragen te beantwoorden. Dit vermoeden is gerezen door de geclusterde momenten waarop de bewijzen van deelname zijn afgegeven. Dit is naar voren gekomen tijdens het onderzoek naar een dodelijke aanrijding van een baanwerker met een metro in Amsterdam Zuid.3
De vragenlijst en het bijbehorende bewijs van deelname zijn geen wettelijk verplichte instrumenten. Ze worden gebruikt door de spoorbeheerder, in dit geval het Gemeente Vervoer Bedrijf (GVB), als middel om het veiligheidsbewustzijn van de baanwerkers te vergroten. Naast deelname aan de internetmodule, krijgen baanwerkers nadere instructies over veilig werken aan de spoorbaan. Het maken van de toets en het verkrijgen van het bewijs van deelname zijn onderdeel van de interne kwaliteitseisen waaraan de baanwerker moet voldoen. De inspectie heeft vastgesteld dat vermoedelijk niet aan deze kwaliteitseisen is voldaan en heeft daarom het signaal afgegeven aan de betrokken ondernemingen dat teveel waarde wordt gehecht aan het bewijs van deelname aan de internetmodule Veiligheid langs de metrobaan. Het is aan de ondernemingen om met behulp van dit signaal hun kwaliteitsborging te verbeteren.
Is het waar dat de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) het niet tot haar verantwoordelijkheid rekent om aangifte van strafbare feiten te doen, ook niet wanneer sprake is van het ten onrechte verkrijgen van veiligheidscertificaten, en dat IVW het ook niet nodig vindt een rapport hierover naar het Openbaar Ministerie te sturen? Zo ja, kunt u dan de IVW direct opdragen aangifte van strafbare feiten te doen en daarbij de rapporten over strafbare feiten door te sturen?
Het is de plicht van de IVW aangifte te doen van misdrijven of van het vermoeden daarvan, zoals beschreven in artikel 162 van het Wetboek van Strafrecht. Als het gaat om andere strafbare feiten, die relevant zijn voor de veiligheid, beschouwt de IVW het als haar verantwoordelijkheid ofwel zelf te handhaven, ofwel bij het Openbaar Ministerie hiervan aangifte te doen.In dit geval heeft de inspectie geoordeeld dat er geen sprake is van strafbare feiten. Daarom is besloten geen aangifte te doen. Naar aanleiding van de publiciteit heeft de IVW alsnog contact opgenomen met het Openbaar Ministerie om te toetsen of dit besluit terecht was. Het Openbaar Ministerie bevestigt de juistheid van het oordeel van de IVW en is met haar van mening dat er geen aanleiding is aangifte te doen. De inspectie kan in haar rol als veiligheidsautoriteit ook andere wegen zoeken om te handhaven, ook al heeft zij zelf geen bevoegdheden om rechtstreeks toe te zien op organisaties als het GVB. Dat zal de inspectie dan ook nog meer gaan doen.
Kunt u de veiligheidsprocedures voor baanwerkers opnieuw bezien en in het bijzonder de aan baanmedewerkers te stellen eisen? Kunt u daarbij extra aandacht besteden aan buitenlandse baanwerkers die kennelijk tolken nodig hebben voor het kunnen begrijpen van de instructies en het kunnen behalen van de certificaten?
Als werkzaamheden aan het spoor plaats moeten vinden, moet, door de aannemer onder wiens verantwoordelijkheid de werkzaamheden worden uitgevoerd, aan de hand van een risicoanalyse bepaald worden hoe dit op veilige wijze kan gebeuren. De spoorsector heeft de uit de Arbowet voortkomende verplichtingen voor het creëren van een veilige werkomgeving uitgewerkt in het Normenkader Veilig Werken. De Arbeidsinspectie en de IVW zijn van mening dat de spoorbranche hiermee haar verantwoordelijkheid neemt en goede invulling geeft aan haar zorgverplichtingen. Ik zie geen aanleiding deze procedures opnieuw te bezien en nadere eisen te stellen. De eisen en instructies zijn ook in andere talen beschikbaar voor buitenlandse baanwerkers die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheersen.