Heeft u kennisgenomen van het bericht «Een klap voor de Britse luchtvaart, massa-ontslag bij BAE Systems te wijten aan problemen Eurofighter en JSF»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de toekomst van de Britse luchtvaartindustrie gekoppeld is aan het aantal te produceren JSF toestellen?
Ik kan geen uitspraken doen over de toekomstverwachtingen van de Britse Luchtvaartindustrie.
Bent u bekend met de relatie tussen het aantal door de Britse overheid te bestellen JSF toestellen en de hoeveelheid werk die BAE in het JSF project zou mogen uitvoeren?
Ik beschik niet over informatie over de in vraag 3 genoemde relatie en ik kan geen vergelijking maken van de situatie in het Verenigd Koninkrijk met die in Nederland. Over de potentiële productieomzet van de Nederlandse industrie zijn in 2006 afspraken gemaakt met Lockheed Martin en de motorenleveranciers. In het antwoord op de vragen 10, 11, 12 en 13 wordt daar verder op ingegaan.
Deelt u de mening dat Nederland in een vergelijkbare positie verkeert en zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe oordeelt u over het feit dat de productie van de JSF toestellen nog altijd niet op gang is gekomen als gevolg van de enorme vertragingen en kostenoverschrijdingen? Wat voor gevolgen heeft dit voor de Nederlandse spelers in dit dossier?
De productie van F-35-toestellen is al enkele jaren geleden begonnen in de vorm van de Low Rate Initial Production (LRIP). De productieserie LRIP 1 (twee toestellen) is gereed, de productieserie LRIP 2 (twaalf toestellen) is grotendeels voltooid en de toestellen van de productieseries LRIP 3 en 4 (respectievelijk zeventien en 32 toestellen, waaronder de twee Nederlandse) bevinden zich op dit moment in verschillende stadia van het productieproces. Wel heeft de F-35 productie in de afgelopen tijd te maken gehad met vertragingen en is inmiddels het aantal te produceren toestellen in de eerstkomende jaren verlaagd. Hierover is de Kamer geïnformeerd met onder andere de jaarrapportage van het project Vervanging F-16 over 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 258 van 17 maart jl.). Voor de Nederlandse industrie heeft een vertraging tot gevolg dat productieomzet later zal worden behaald. Zie ook het antwoord op de vragen 6, 7 en 8.
Wanneer bent u door het Pentagon geïnformeerd over het tot nader order uitstellen door de VS van de productie van 224 JSF’s? Wanneer ben u geïnformeerd over de achterliggende reden van het door de VS tot nader order uitstellen van de productie van 224 JSF’s? Wanneer is het JPO geïnformeerd over het tot nader order uitstellen door de VS van de productie van 224 JSF’s?
Net als andere internationale partners heeft de Amerikaanse overheid de bestelreeksen voor F-35 toestellen in het verleden aangepast.
De Amerikaanse minister van Defensie Gates heeft op 1 februari 2010 aangekondigd dat de productie van 121 toestellen naar latere jaren wordt verschoven. Dit werd op 6 januari 2011 gevolgd door een soortgelijke aankondiging voor nog eens 124 toestellen. De Kamer is hierover geïnformeerd met de brieven van 16 februari 2010 en 7 januari 2011 (Kamerstukken 26 488, nrs. 217 en 252). De herkomst van het in mediaberichten genoemde aantal van 224 vertraagde toestellen is mij niet bekend.
De verplaatsing van productieaantallen naar latere jaren heeft voor de industrie, en dus ook voor de Nederlandse industrie, tot gevolg dat productieomzet later wordt behaald. Er is geen rechtstreeks verband tussen bestelreeksen van partnerlanden en de business case. De afdracht van de Nederlandse industrie aan de Staat betreft de omzet niet alleen voor toestellen van partnerlanden maar ook voor die van derde landen. Verder is begin 2010 met de industrie overeengekomen dat de business case niet meer zal worden herijkt. Wel is er sprake van boekhoudkundige meetmomenten in 2020 en in 2030. De brief van 17 januari jl. (Kamerstuk 26 488, nr. 253, antwoord op vraag 47) gaat hier nader op in.
Het Amerikaanse ministerie van Defensie zal naar verwachting moeten bezuinigen op de begroting voor 2013. Op dit moment is het nog onbekend of, en zo ja, in hoeverre het Amerikaanse F-35 project door deze bezuinigingen zal worden getroffen. Het is daarom ook niet mogelijk uitspraken te doen over eventuele effecten voor de Nederlandse werkgelegenheid in de vliegtuigindustrie.
Welke gevolgen heeft het door de VS tot nader order uitstellen van de productie van 224 JSF’s voor de huidige en de te verwachten werkgelegenheid in de Nederlandse vliegtuigindustrie? Welke gevolgen heeft het door de VS tot nader order uitstellen van de productie van 224 JSF’s voor de Nederlandse businesscase? Welke gevolgen heeft het door de VS tot nader order uitstellen van de productie van 224 JSF’s in het bijzonder voor Fokker?
Zie antwoord vraag 6.
Wanneer bent u geïnformeerd over de nieuwe reducties die mogelijk in de lucht hangen? Kunt u uiteenzetten welke gevolgen dit kan hebben voor de (te verwachten) werkgelegenheid in deNederlandse vliegtuigindustrie? Kunt u aangeven welke gevolgen dit kan hebben voor de Nederlandse businesscase?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven wanneer het officiële SAR-2010 rapport zal verschijnen waarin de aangepaste planning is verwerkt?
In de brief van 1 juli jl. (Kamerstuk 26 488, nr. 275) heb ik gemeld dat een aangepast Selected Acquistion Report (SAR) 2010 over de F-35 zeker niet voor de herfst van dit jaar aan de orde zou zijn. Inmiddels is duidelijk dat het Pentagon vanwege de mogelijke bezuinigingen op de Amerikaanse defensiebegroting geen aangepast SAR 2010-rapport meer zal aanbieden aan het Congres. Naar verwachting zal een nieuw SAR-rapport (SAR 2011) pas in het voorjaar van 2012 het licht zien.
Welke gevolgen heeft het mogelijk schrappen van de B-versie van de JSF voor de werkgelegenheid in de Nederlandse vliegtuigindustrie? Welke gevolgen heeft het mogelijke schrappen van de B-versie van de JSF voor de Nederlandse businesscase?
Zoals uiteengezet in de brieven van 24 maart 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 223) en van 17 januari jl. is in 2020 geen herijking van de business case aan de orde zoals dit begrip wordt gehanteerd in de Medefinancieringsovereenkomst. In 2020, en ook in 2 030, zal sprake zijn van een boekhoudkundig meetmoment waarbij de stand wordt opgemaakt van de gerealiseerde afdrachten door de industrie en van de verkregen royalty’s over de verkoop van de F-35 aan derde landen.
Zoals gemeld in de jaarrapportage Vervanging F-16 over 2010 (Kamerstuk 26 448, nr. 258) zijn in 2006 afspraken gemaakt met Lockheed Martin over de potentiële productieomzet. Met de motorenproducenten zijn vergelijkbare afspraken gemaakt. In de afspraken is vastgelegd hoe de Nederlandse industrie op basis van best value kan worden ingeschakeld bij de productie voor het programma. De bijbehorende Industrial Participation Plans (IP-plannen) worden halfjaarlijks door Lockheed Martin in overleg met het ministerie van EL&I geactualiseerd. Daarbij worden onder andere veranderingen in de IP-plannen verwerkt die het gevolg zijn van een andere verdeling tussen de verschillende varianten van de F-35. Met een andere verdeling tussen de F-35 varianten zal het aantal en de soort componenten waarvoor de Nederlandse industrie een offerte kan uitbrengen mogelijk in zeer beperkte mate wijzigen. Het besluit van de Britse regering wordt in de eerstvolgende cyclus verwerkt waarna eventuele effecten in kaart kunnen worden gebracht. De Britse aanschaf van de F-35 C variant in plaats van de F-35 B heeft geen significante gevolgen voor de ramingen van de Nederlandse productieomzet omdat een en ander binnen de gehanteerde marges zal blijven. Zie ook het antwoord op de vragen 6, 7 en 8.
De ramingen van de werkgelegenheid die samenhangt met het JSF-programma zoals uiteengezet in de brief van 2 april 2009 (Kamerstuk 26 488, nr. 163) berusten op de gehele periode van de productie- en instandhoudingfase tot en met 2052. De verwachting ten aanzien van de totale werkgelegenheid in die periode berust op een schatting van 4 500 te produceren toestellen voor partnerlanden en derde landen samen. Deze schatting is tot op heden niet gewijzigd. Ramingen voor afzonderlijke jaren zijn daarbij niet zinvol omdat er altijd sprake kan en zal zijn van verschuivingen tussen de jaren binnen die periode. In de komende jaarrapportages zal aandacht worden besteed aan de verwachtingen voor de betrokkenheid van de Nederlandse industrie als die in belangrijke mate wijzigen.
Welke gevolgen heeft het besluit van de Britse regering om de bestelling van 138 F-35 B’s om te zetten in goedkopere F-35 C’s voor de huidige en de te verwachten werkgelegenheid in de Nederlandse luchtvaartindustrie? Welke financiële gevolgen heeft dit voor de Nederlandse businesscase?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u uiteenzetten hoeveel banen er in het jaar 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017, 2018, 2019 en 2020 – waarin herijking van de Nederlandse businesscase zal plaatsvinden – voor de Nederlandse industrie op basis van het «JSF-werk» bijkomen, nu bekend is dat er bij BAE-systems nauwelijks of geen «JSF-werk» zal binnenkomen?
Zie antwoord vraag 10.
Wanneer ontvangt de Kamer een update over de gevolgen van de aanhoudende problemen bij de ontwikkeling en productie voor de JSF voor de Nederlandse vliegtuigindustrie? Wanneer ontvangt de Kamer een update over de gevolgen van de aanhoudende problemen bij de ontwikkeling en productie voor de JSF voor de Nederlandse businesscase?
Zie antwoord vraag 10.
Wat zijn de gevolgen van de aanhoudende problemen bij de ontwikkeling en productie van de JSF voor de Nederlandse testtoestellen?
De productie van de twee Nederlandse toestellen verloopt nog steeds volgens het schema dat is vermeld in de jaarrapportage over 2010. De aflevering van het eerste toestel is voorzien voor augustus 2012 en het tweede toestel voor maart 2013.
Welke gevolgen heeft de vertraging bij de productie van de JSF voor het langer doorvliegen met de F-16»s?
Zoals vermeld in de beleidsbrief Defensie na de kredietcrisis (Kamerstuk 32 733, nr. 1) zal het kabinet geen verplichtingen aangaan voor andere toestellen dan de testtoestellen. Dit heeft tot gevolg dat de beoogde opvolger niet eerder dan 2019 bij de luchtstrijdkrachten zal instromen. De maatregelen die Defensie neemt met betrekking tot het langer doorvliegen met de F-16 zijn dan ook ingegeven door dit besluit, en houden geen verband met de vertragingen bij de productie van de F-35.
Kunt u deze vragen ruim voor het wetgevingsoverleg Materieel Defensie van 7 november 2011 beantwoorden?
Ja.
Het bericht TNT baas krijgt 2,6 miljoen |
|
Jhim van Bemmel (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «TNT baas krijgt 2,6 miljoen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat 2,6 miljoen euro buitenproportioneel is? Zo ja, wilt u TNT, of nu PostNL, publiekelijk hierop aanspreken?
Ik realiseer me terdege dat een beloning voor een individuele bestuurder van € 2,6 miljoen als zeer fors kan worden opgevat door werknemers en maatschappij. Een eventuele discussie hierover dient echter daar gevoerd te worden waar ook de besluitvorming over de beloning plaatsvindt: binnen de onderneming zelf. Het is de verantwoordelijkheid van de raad van commissarissen om de uitvoering van het beloningsbeleid af te stemmen op de geleverde prestaties van bestuurders, en daarbij aandacht te besteden aan het lange termijn belang van de onderneming en al haar stakeholders en de beloningsverhoudingen binnen de onderneming. De afwegingen voor het toekennen van een vertrekvergoeding moeten binnen de onderneming zelf worden gemaakt op basis van het door de aandeelhoudersvergadering vastgestelde beloningsbeleid, rekening houdend met de feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Deelt u de mening dat deze vertrekpremie niet conform de code-Tabaksblat is?
De Nederlandse corporate governance code (de code) werkt volgens het principe «pas toe of leg uit». Dit betekent dat de code wordt nageleefd wanneer een onderneming de code toepast, of uitlegt waarom wordt afgeweken van de code. De code geeft in best practice bepaling II.2.8 aan dat een ontslag- of vertrekvergoeding maximaal 1 jaarsalaris mag bedragen (het «vaste» deel van de bezoldiging), en tijdens vertrek in de eerste zittingstermijn (4 jaar) maximaal 2 jaar salarissen, indien het maximum van 1 jaarsalaris kennelijk onredelijk is. Hiervan mag slechts met een goede motivering worden afgeweken. Uiteindelijk bepalen de aandeelhouders of zij genoegen nemen met een bepaalde uitleg die wordt gegeven als er wordt afgeweken van de code.
De raad van commissarissen heeft na de laatste algemene vergadering van aandeelhouders een persbericht uitgebracht waarin wordt aangegeven dat de voormalig bestuursvoorzitter van TNT in verband met zijn vertrek 2 jaarsalarissen meekrijgt.2 Het persbericht vermeldt tevens dat de heer Bakker een langdurig dienstverband heeft gehad waarvan 14 jaar als bestuurslid.
De uitleg die TNT geeft bij de naleving van bepaling II.2.8, voor zover ook betrekking op de vertrekvergoeding van de heer Bakker, zal te vinden zijn in het jaarverslag van volgend jaar over boekjaar 2011.
De Monitoring Commissie doet dit jaar speciaal onderzoek naar de kwaliteit van de gegeven uitleg bij niet-toepassing, onder andere ten aanzien van bepaling II.2.8.
De uitkomsten van dit onderzoek kunnen voor de Monitoring Commissie aanleiding zijn om individuele ondernemingen aan te spreken op de (niet-) naleving van de code.
Bij een contract van vóór de inwerkingtreding is het aan de onderneming en de bestuurder zelf of zij willen bewerkstelligen dat een contract zo wordt aangepast dat bij vertrek maximaal 1 jaarsalaris meegegeven wordt.
Bij bestuurdersbenoemingen van ná inwerkingtreding van de code wordt onderzocht welke afspraken zijn gemaakt over ontslagvergoedingen.
Ik wil benadrukken dat het kabinet van beursondernemingen verwacht dat zij de code naleven, en dus ook een afwijking van een bepaalde codebepaling goed motiveren.
Vindt u dat dit soort vertrekpremies goed aan banden kan worden gelegd door deze 100% te belasten om zo dit soort bedragen in de toekomst te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het is, zoals ik hierboven aangeef, een beslissing geweest van de raad van commissarissen en de aandeelhouders om de voormalig bestuursvoorzitter van TNT deze vertrekvergoeding toe te kennen. Ik wijs erop dat de Wet op de loonbelasting 1964 sinds 1 januari 2009 een specifieke regeling kent die tot gevolg heeft dat onder voorwaarden over excessieve vertrekvergoedingen, toegekend door de werkgever in het jaar van vertrek, een heffing van 30% verschuldigd is. Deze heffing vindt plaats bij de werkgever. De werkgeversheffing vindt plaats naast, en dus niet in de plaats van, de normale inhouding van loonbelasting. Omdat het fiscale stelsel reeds een prikkel bevat die excessieve vertrekvergoedingen ontmoedigt, zie ik geen aanleiding om dit type vergoedingen extra te belasten.
Het bericht dat de cacaosector faalt in het terugdringen van kinderarbeid en gedwongen (volwassen)arbeid |
|
Pauline Smeets (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA), Sharon Gesthuizen (GL), Joël Voordewind (CU) |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met de internationale campagne van 10 Campaign, waarin vooraanstaande internationale maatschappelijke organisaties de cacaosector monitoren en pleiten voor wetgeving om de ergste vormen van kinderarbeid en gedwongen (volwassenen) arbeid uit de cacaosector te bannen?1
Ja.
Erkent u het feit dat in de afgelopen tien jaar de wereldwijde cacao en chocolade-industrie er niet in is geslaagd een einde te maken aan de ergste vormen van kinderarbeid en gedwongen volwassen arbeid?
Diverse rapporten laten zien dat lokale overheden en bedrijfsleven wel voortgang boeken, maar er nog niet geslaagd zijn dit probleem op te lossen.
Zo ja, wat is volgens u de verklaring voor het gegeven dat de zes doelen die in het Harkin- Engel protocol genoemd worden, tot op heden niet zijn bereikt?
De productie van cacao is zeer gefragmenteerd. Meer dan drie miljoen, vaak kleine, boeren zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de productie van cacao in West-Afrika. Lokale overheden, zeker in Ivoorkust, zijn mede als gevolg van de recente onrusten nauwelijks in staat het noodzakelijke toezicht en de handhaving uit te voeren. Dit maakt het controleren op het niveau van individuele plantages en familiebedrijven zeer gecompliceerd. Hierdoor zijn bedrijven onvoldoende in staat geweest om invulling te geven aan ketenmanagement en de verantwoordelijkheid om kinderarbeid en gedwongen arbeid te bestrijden in de keten.
Certificering (via bv. UTZ, Rainforest Ailience of FairTrade) is op dit moment de meest gangbare methode om invulling te geven aan ketenverantwoordelijkheid. Op dit moment is de vraag naar gecertificeerde cacao echter groter dan het aanbod. Het kost tijd om het certificeren van plantages op een zorgvuldige manier te doen, hetgeen samen met effectief toezicht er voor kan zorgen dat gedwongen arbeid en kinderarbeid ook daadwerkelijk wordt uitgebannen.
De grote certificerende instellingen zijn in tegenstelling tot het Harkin- Engel protocol niet «single issues driven» maar kijken naar een hele reeks van factoren op het gebied van zowel people (o.a. naleving van de normen van de International Labour Organisation, ILO), planet (o.a. biodiversiteit en pesticide gebruik) en profit (o.a. leefbaar loon). Deze integrale aanpak is tijdrovend maar noodzakelijk. Schendingen van arbeidsnormen kunnen uiteindelijk alleen worden uitgebannen als de inkomens van cacao boeren structureel toenemen. Dat kan alleen als we erin slagen de productieomstandigheden en kennis van boeren op een hoger niveau te krijgen, zodat ze in staat zijn zelf hun productie en inkomen te verhogen.
Ik constateer ook dat de bedrijven de laatste jaren wel degelijk investeringen doen om hiervoor oplossingen te vinden.
Tot slot wil ik nog opmerken dat de recente onrusten in Ivoorkust, op dit moment verantwoordelijk voor 80% van de gecertificeerde cacao, het certificeren ernstig bemoeilijkt heeft. Veel NGO's hebben hun mensen in veiligheid moeten brengen waardoor programma's stil zijn komen te liggen.
Deelt u de mening dat een voortrekkersrol voor overheden niet alleen mogelijk, maar ook wenselijk en noodzakelijk is, gezien het gegeven dat tien jaar na dato zelfregulering blijkbaar niet werkt? Zo ja, op welke wijze gaat u deze voortrekkersrol uitdragen? Zo nee, waarom niet?
Het is duidelijk dat de doelstellingen om de vormen van kinderarbeid en gedwongen arbeid uit te bannen, mondiaal nog niet zijn gehaald. Echter, ik ben het niet met uw constatering eens dat zelfregulering niet werkt. Er worden wel degelijk duidelijke stappen gezet en bedrijven tonen zich gecommitteerd om de ingeslagen weg door te zetten, zie ook antwoorden op vragen 6 en 8.
De Nederlandse overheid heeft steeds een voortrekkende rol gespeeld. Onder andere door onze nauwe betrokkenheid bij het opstellen van de «Intentieverklaring Duurzame cacaoconsumptie -en productie» die op 4 maart 2010 is ondertekend door alle relevante Nederlandse betrokkenen (bedrijfsleven, overheden, non -gouvernementele organisaties en vertegenwoordigers van keurmerken). De belangrijkste buitenlandse bedrijven die in Nederland werkzaam zijn hebben een schriftelijke adhesiebetuiging gestuurd. Momenteel loopt een traject met alle betrokkenen om onder andere via het Initiatief Duurzame Handel (IDH) de gestelde doelen in de intentieverklaring t.a.v. verduurzaming te verwezenlijken.
Voor deze rol krijgen we ook erkenning in het evaluatie rapport van het Harkin- Engel protocol. Via internationale fora en het IDH zal Nederland ook invulling blijven geven aan deze rol.
Bent u zich bewust dat de intentieverklaring duurzame cacao waarin Nederland wereldwijd als voorloper wordt beschouwd slechts geldt voor de cacao die in Nederland aan de consument wordt verkocht?
De intentieverklaring heeft een dubbele doelstelling. Ten eerste is afgesproken in te zetten op de internationale aanpak van de verduurzaming van de cacaoketen. Daarnaast richt de intentieverklaring zich op het in Nederland verduurzamen van de cacaoconsumptie. Dit is een bewuste keuze. Nederland zet aldus niet alleen internationaal in op verdere stappen, maar wil dat ook waarmaken op het terrein waar het zelf een directe eigen verantwoordelijkheid heeft, namelijk de consumptie van cacao in eigen land.
Wat is uw opvatting over het gegeven dat het leeuwendeel van de cacao die binnen de Nederlandse grenzen wordt verwerkt uiteindelijk in het buitenland verkocht wordt, en daardoor buiten de intentieverklaring duurzame cacao valt?
Zoals aangegeven bij antwoord 5 richt de Intentieverklaring zich op de brede internationale cacaoketen. Het verduurzamen van onze eigen consumptie vanuit een mondiaal perspectief is een eerste stap. Ik constateer dat er initiatieven op gang zijn gekomen in België en Duitsland om onze aanpak te volgen. Ook zie ik dat internationale marktpartijen die actief zijn op de Nederlandse markt zich zeker niet to de Nederlandse markt beperken wanneer zij duurzaamheidsdoelstellingen formuleren. Zo heeft Mars zich als doel gesteld in 2020 100% van hun cacao duurzaam (Rainforest Alliance or UTZ certified) te zullen inkopen. Soortgelijke statements zijn afgegeven door bedrijven als Kraft, Armajaro, Nestlé, Barry Callebaut en Cargill. Ook het Nederlandse Verkade werkt al voor 100% met duurzame cacao en beperkt zich ook niet tot de Nederlandse consument.
Daarbij zijn de investeringen van de programma’s van IDH waarin wordt samengewerkt met NGOs en ambassades gericht op de herkomst, onafhankelijk van waar de consumptie plaatsvindt. Dit betekent dat veel IDH partners internationale bedrijven zijn die zich wereldwijd committeren en niet alleen aan verduurzaming van de cacao productie in Nederland.
Deelt u de mening dat de verantwoordelijkheid van de Nederlandse cacao industrie én de Nederlandse overheid niet beperkt kan blijven tot die cacao die in Nederland voor de consumentenmarkt verkocht wordt? Zo ja, op welke wijze gaat u deze beperking wegnemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord 5 en 6.
Bent u op de hoogte van de ketenontwikkeling in de cacaosector? Zo ja, in hoeverre en op welke wijze ondersteunt u dit initiatief? In hoeverre slaagt het Initiatief Duurzame Handel (IDH) in het bereiken van deze doelen, aangezien het kabinet heeft gekozen om 100 miljoen euro in het IDH te investeren? Welke transparante doelen en resultaten biedt het IDH op het gebied van cacao?
Bedrijven, NGO’s, boerenorganisaties en (nationale) overheden zijn actief in de cacaosector en werken aan ketenontwikkeling. Internationaal erkende certificering is momenteel een gangbare methode om kinderarbeid tegen te gaan in de keten. Dit betekent niet dat dit in de praktijk eenvoudig is. De situatie is per land verschillend. In Ghana bijvoorbeeld, wordt de cacaoproductie gedomineerd door kleine boeren (smallholders). De cacaosector is hier stevig gereguleerd, en de CoCoBod voert ook regelmatig voorlichtingscampagnes uit. In Ivoorkust is veel meer plantagecultuur en onduidelijkheid over de omstandigheden van (vaak burkinabé) werknemers, waaronder kinderen. Daar is de sector nog ondergereguleerd en door het conflict is dat mogelijk niet beter geworden.
De Nederlandse overheid ondersteunt de inspanningen om kinderarbeid in de cacaosector tegen te gaan via het Initiatief Duurzame Handel (IDH), dat verschillende actoren uit de keten bijeen brengt. De investering van € 100 miljoen is verdeeld over 5 jaar waarin het IDH per jaar € 20 miljoen over verschillende sectoren verdeelt. Een belangrijk programma daarin is het cacaoprogramma, waarvoor tot 2015 ca. € 15 mln door IDH begroot is.
De eerste resultaten van de investeringen in IDH zijn inmiddels bekend. Een eerdere quickscan uitgevoerd in 2009 door Triple Value naar de resultaten van het eerste operationele jaar van IDH toonde bemoedigende resultaten . De laatste voortgangsrapportage van Solidaridad toont aan dat het programma voortgang boekt op het bereiken van de voor 2015 gestelde doelen:
Momenteel zijn circa 31 000 cacaoboeren succesvol getraind en gecertificeerd in 6 landen en zij brengen ca. 74 600 ton gecertificeerd cacao op de markt.
IDH is daarnaast succesvol geweest in het bijeenbrengen van verschillende actoren uit de keten waaronder verschillende certificeringsprogramma’s. Ook heeft IDH een belangrijke rol gespeeld in het CertificationCapacity Enhancement (CCE) project waarbij gemeenschappelijke training tools worden ontwikkeld voor Fairtrade, Rainforest Alliance en UTZ CERTIFIED cacao boeren. Hierdoor kunnen nog meer boeren duurzaam gaan produceren.
Bent u bereid om met de relevante maatschappelijk partners en bedrijven in dialoog te treden over de mogelijke rol van de Nederlandse overheid om als voortrekker op te treden, met als doel het beëindigen van kinderarbeid en gedwongen (volwassen)arbeid in de cacaosector? Zo ja, kunt u de Kamer op de hoogte houden van dit initiatief? Zo nee, waarom niet?
De overheid is betrokken bij het Child Labor Platform. In dit platform zijn maatschappelijke organisaties vertegenwoordigd zoals Global Compact NL en FNV en zijn er banden met NGO’s, kennis instituten en organisaties die zich specifiek op vraagstukken van kinderarbeid richten zoals Stop Kinderarbeid nu. Het CLP richt zich op uitwisselen van ervaringen en praktijkvoorbeelden tussen internationaal actieve bedrijven, experts en andere belanghebbenden. In het CLP nemen circa 20 multinationals deel en er is continue inspanning om meer bedrijven aan boord te krijgen.
De multilaterale dialoog over kinderarbeid in de cacaosector wordt gevoerd in het kader van de internationale cacao-overeenkomst uit 2010 die momenteel door de diverse deelnemende landen wordt geratificeerd. De consumentenlanden dringen er via diplomatieke wegen bij de producentenlanden op aan de door hun getekende ILO en VN conventies inzake kinderarbeid na te leven.
De kritiek in het Europees parlement op Nederland |
|
Mariëtte Hamer (PvdA), Nebahat Albayrak (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kritiek in Europees parlement op Nederland»?1
Ja.
Is het waar dat u voortzetting van het globaliseringsfonds tot 2013 blokkeert? Zo ja, waarom is dat?
Nee, Nederland blokkeert de voortzetting van het globaliseringsfonds tot 2013 niet, maar staat wel kritisch ten aanzien van het voortzetten van de versoepeling van de voorwaarden voor het maken van aanspraak op het fonds. Het betreft twee bepalingen uit 2009, welke eind 2011 aflopen. Ten eerste een verruiming van de reikwijdte van het EGF met de consequenties van de financiële en economische crisis als aanvraaggrond (naast globalisering) en ten tweede een verhoogde cofinanciering van 65% (aanvankelijk 50% in verordening 1927/2006). Op 6 september 2011 heeft de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken u inzake dit voorstel van de Europese Commissie een Fiche aangeboden (TK 2010–2011, 22 112, nr. 1208).
Kunt u bevestigen dat veel Nederlandse werklozen profijt hebben (gehad) van de Europese steun door het globaliseringsfonds en dat Nederland het vaakst een beroep heeft gedaan op het fonds voor re-integratie van ontslagen werknemers?
Nederlandse bedrijven hebben via de minister van SZW 13 aanvragen ingediend. Het gaat om twee bedrijfsaanvragen en 11 aanvragen voor drie sectoren. De verschillende bedrijven en sectoren hebben in totaal € 21,1 miljoen uit het fonds aangevraagd en toegekend gekregen ten behoeve van 6 382 werknemers. Dit bedrag wordt door de bedrijven en sectoren zelf aangevuld tot € 32,5 miljoen.
Ten opzichte van andere lidstaten heeft Nederland het grootste aantal aanvragen ingediend, maar het bedrag per aanvraag is lager. Dit komt, omdat in geval van aanvragen voor sectoren, per regio (provincie) een separate aanvraag wordt ingediend. In Nederland gaat het om drie sectoren, maar die tellen voor 11 aanvragen. Wanneer gekeken wordt naar het financiële belang van de aanvragen staat Nederland zevende.
Lidstaat
Aanvragen
Lidstaat
Subsidiebedrag (€)
Nederland
13
Ierland
60 600 000
Spanje
11
Italië
49 700 000
Denemarken
6
Denemarken
41 900 000
Ierland
6
Frankrijk
39 000 000
Italië
6
Duitsland
37 200 000
Duitsland
5
Spanje
35 200 000
Litouwen
5
Nederland
21 100 000
Portugal
5
Oostenrijk
18 800 000
Oostenrijk
4
België
18 800 000
België
3
Zweden
9 800 000
Frankrijk
3
Portugal
8 500 000
Polen
3
Griekenland
2 900 000
Bulgarije
1
Litouwen
2 900 000
Tsj. Republiek
1
Slovenië
2 200 000
Finland
1
Finland
2 000 000
Griekenland
1
Polen
1 200 000
Malta
1
Bulgarije
1 100 000
Slovenië
1
Malta
700 000
Zweden
1
Tsj. Republiek
300 000
Totaal
77
Totaal
353 900 000
Bron: site Europese Commissie (http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=326&langId=en)
Kunt u aangeven hoe vaak en voor welk bedrag Nederland in totaal een beroep heeft gedaan op het globaliseringsfonds? Hoeveel Nederlandse werklozen hebben in totaal hulp ontvangen uit het fonds?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat dit fonds, dat hulp kan bieden aan werknemers die hun baan verliezen door de economische crisis of door belangrijke veranderingen in de wereldwijde handel, zijn bestaansrecht heeft bewezen?
Het EGF kan hulp bieden aan werknemers die hun baan verliezen als gevolg van de globalisering en tijdelijk sinds 2009 als gevolg van de financieel-economische crisis. Nederland is vanaf het begin kritisch geweest over het EGF als middel om effecten van globalisering tegen te gaan. Lidstaten moeten prikkels behouden om economisch beleid te voeren om op globalisering te anticiperen. Ondersteuning van werknemers die hun baan (dreigen te) verliezen is primair een nationale zaak. Nederland heeft in 2009 uiteindelijk ingestemd met de verruiming van het EGF naar de financieel-economische crisis, onder voorwaarde dat dit tijdelijk zou zijn. Verlenging van deze verruiming is geen oplossing om de effecten van de financieel-economische crisis te bestrijden; het fonds is hiervoor te klein en weegt niet op tegen nationale instrumenten. De economische crisis als aanvraaggrond helpt ook landen met een structurele werkloosheid niet verder.
Ook al heeft het fonds hulp geboden om ontslagen werknemers naar een nieuwe baan te begeleiden, ben ik er niet van overtuigd dat het instrument zijn bestaansrecht heeft bewezen; het is nog te vroeg om gedegen uitspraken te kunnen doen over de resultaten. Ik pleit dan ook voor een spoedige en gedegen externe evaluatie over het gebruik en de effecten van het EGF als instrument om de effecten van globalisering en de crisis tegen te gaan.
Deelt u de mening dat dit een voorbeeld is van hoe de Europese Unie bijdraagt aan de verhoging van het welzijn in Nederland en in Europa?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat voor een land als Nederland dit fonds juist heel belangrijk is geweest? Is het voortbestaan van het fonds niet uitermate belangrijk voor Nederland, mede gezien de bezuinigingen die de regering wenst door te voeren?
Nee, Nederland is vanaf het begin kritisch geweest over de instelling van dit fonds, met name op grond van subsidiariteitsoverwegingen: ondersteuning van werknemers die hun baan (dreigen te) verliezen is primair een taak van nationale overheden. Al heeft het fonds ondersteuning geboden, de nationale maatregelen naar aanleiding van de crisis eind 2008 waren veel sneller en belangrijker.
Hoe denkt u zelf geld vrij te maken op de begroting om deze werkloze mensen te helpen met de bezuinigingsopdracht die de regering zichzelf ten doel heeft gesteld?
Als iemand werkloos is of dreigt te worden, is hij of zij in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het vinden van een nieuwe baan, zo nodig met ondersteuning van gemeente of UWV. Er is een groot aantal instrumenten waarmee werkgevers en werknemers worden geholpen om zo snel mogelijk werk of werkhervatting te bewerkstelligen. Deze dienstverlening en extra ondersteuning voor de mensen die dat nodig hebben blijven van toepassing.
Vutters die dankzij faillissement bedrijf geen uitkering ontvangen |
|
Roos Vermeij (PvdA), Paul Ulenbelt |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Welke oplossing heeft u voor het probleem dat er momenteel ongeveer twintig VUT-ters van Boekelo Decor geen Vervroegde uittredings (VUT) uitkering meer krijgen, omdat het bedrijf failliet is gegaan? Vindt u dit een redelijke gang van zaken?
VUT-regelingen zijn omslagregelingen waarbij de werkenden, per bedrijf of sector, premie betalen voor de uitkeringen aan mensen die op dat moment gebruikmaken van de VUT. Dergelijke regelingen worden tussen werkgevers en vakbonden afgesproken. Als een individuele werkgever die een dergelijke regeling in eigen beheer uitvoert failliet gaat, dan kan de consequentie zijn dat mensen geen uitkering meer ontvangen op basis van de VUT-regeling. In een dergelijke situatie zal de persoon in kwestie op zoek moeten naar een andere bron van inkomsten, bijvoorbeeld werk.
Hoe wilt u in de toekomst voorkomen dat oud-werknemers in de financiële problemen komen, doordat zij eerder in een bedrijfs-cao afspraken hadden gemaakt, in dit geval de VUT-regeling, en het desbetreffende bedrijf buiten hun schuld om failliet gaat?
Dergelijke afspraken zijn de verantwoordelijkheid van sociale partners. De meeste cao afspraken met betrekking tot VUT-regelingen worden op bedrijfstakniveau gemaakt en uitgevoerd door een (VUT-)fonds of een verzekeraar. Dit voorkomt dat als een individuele werkgever failliet gaat, de uitkeringsgerechtigde geen inkomen meer heeft. In een beperkt aantal gevallen komt het voor dat een VUT-regeling in eigen beheer (op bedrijfsniveau) is afgesproken.
Zorgt de doorstart van Boekelo Decor, na de overname door Van Merksteijn Plastic, er nu praktisch voor dat het voor de gedupeerde VUT-ters onmogelijk is geworden bij de curator een gedeelte van hun VUT-uitkering op te eisen en terug te ontvangen? Staan er nog opties open?
Over de mogelijkheden voor de gedupeerde VUT-ters om bij de curator een gedeelte van hun VUT-uitkering op te eisen en terug te ontvangen kan ik geen uitspraken doen. Dit is een privaatrechtelijke aangelegenheid. De gedupeerde VUT-ters zullen hun vordering moeten indienen bij de curator. Deze zal moeten vaststellen of er voldoende baten zijn om de schuldeisers, waaronder de gedupeerde VUT-ters, te voldoen.
Kan het bedrijf Van Merksteijn Plastic, dat het failliete Boekelo Decor heeft overgenomen en zorgt voor de doorstart, gehouden worden aan (VUT) afspraken, die werknemers eerder in de bedrijfs-cao van Boekelo Decor hebben gemaakt?
In de regel zullen schuldeisers niet het overnemend bedrijf kunnen aanspreken op de schulden van het failliete bedrijf, tenzij het overnemend bedrijf schulden uit de failliete boedel overneemt.
Is het Duitse concern Alkor Venilia, waar het failliete bedrijf Boekelo Decor deel van uitmaakte, juridisch aansprakelijk voor het uitbetalen van de VUT-uitkeringen, die waren afgesproken in de bedrijfs-cao van Boekelo Decor? Waarom niet? Zijn er meer voorbeelden van soortgelijke situaties?
Alkor Venilia is een afzonderlijke Duitse rechtspersoon en geen partij bij de cao van Boekelo Decor. Alkor Venilia kan derhalve niet verantwoordelijk worden gehouden voor het (niet) naleven van de cao door Boekelo Decor. Soortgelijke situaties zijn mij niet bekend.
Het aantrekken van Poolse werknemers in de zorg |
|
Renske Leijten , Paul Ulenbelt |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de werving van Poolse zorgmedewerkers voor Nederlandse patiënten?1
Zorgaanbieders zelf zijn primair verantwoordelijk voor hun personeelsbeleid. Mede om zoveel mogelijk te voorkomen dat tijdelijke oplossingen om het personeelsbestand aan te vullen noodzakelijk zijn, zoals het werven van buitenlandse arbeidskrachten, ondersteunt het kabinet zorgaanbieders op diverse wijzen op het terrein van de arbeidsmarkt. Hierover is uw Kamer onlangs geïnformeerd2. Het kabinet geeft er de voorkeur aan dat zorgaanbieders binnenlands personeel werven. Het kan echter noodzakelijk zijn om buitenlands personeel aan te trekken om aan de zorgvraag te voldoen.
Vindt u het wenselijk dat Poolse zorgmedewerkers worden geworven? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Vindt u het wenselijk dat Poolse zorgmedewerkers enerzijds voor iemand zorgen en anderzijds afhankelijk zijn van huisvesting van dezelfde persoon die zij verzorgen? Acht u het denkbaar dat hierdoor de risico’s op uitbuiting van de medewerker vergroot wordt? Acht u het denkbaar dat hierdoor grensoverschrijdend gedrag of uitbuiting door de zorgbehoevende minder snel zal worden gemeld door de medewerker? Kunt u uw antwoord toelichten?
De arbeidsmigranten zijn voor het vinden van adequate huisvesting primair zelf verantwoordelijk. De werkgevers die hen voor tijdelijk werk naar Nederland halen zijn moreel verantwoordelijk de arbeidsmigranten daarbij te ondersteunen. Een deel van de werkgevers doet dit ook, steeds meer en beter. Echter, een deel van het aantal werkzame arbeidsmigranten in Nederland werkt voor malafide uitzendbureaus en werkgevers. Arbeidsmigranten komen in dat geval vaak terecht in een netwerk van huisjesmelkers en uitbuiters. Voor maatregelen voor meer en betere huisvesting van arbeidsmigranten verwijs ik naar de brief van 14 april jl. van minister Kamp3.
Hoe oordeelt u over de arbeidsvoorwaarden voor de Poolse zorgmedewerker, die neerkomt op 24 uur per dag en 7 dagen in de week aanwezig en paraat zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Voor iedereen die in dienst is van een in Nederland gevestigd bedrijf gelden de arbeidsvoorwaarden zoals afgesproken in de cao.
Werknemers van buitenlandse dienstverleners die tijdelijk in Nederland gedetacheerd zijn hebben eveneens recht op de Nederlandse wettelijke arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden. In aanvulling daarop hebben zij op grond van de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga) recht op een «harde kern» van arbeidsvoorwaarden, voor zover die zijn opgenomen in de algemeen verbindend verklaarde cao in de betreffende sector. Onder de «harde kern» valt onder meer het cao-loon (betaald door de dienstverlener), vakantiedagen, rusttijden, maximale werktijden, regels en voorwaarden voor uitzendwerk, veiligheidsmaatregelen en gelijke behandeling.
Voor alle werknemers die in Nederland werken gelden de regels met betrekking tot rusttijden en maximale werktijden. Het is niet toegestaan om 24 uur per dag en 7 dagen in de week aanwezig en paraat te zijn.
In het najaar start de Arbeidsinspectie een pilot in de zorgsector naar naleving van de Wet arbeid vreemdelingen en de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, waarbij ook bemiddelingsbureaus gecontroleerd worden. Daarbij wordt ook gekeken naar de arbeidstijden.
Bent u van mening dat ook deze Poolse zorgmedewerkers onder de cao Verpleeg- en verzorgingshuizen en thuiszorg (VVT) vallen? Zo neen, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de arbeidsinspectie op dit bedrijf af te sturen om de cao-naleving te toetsen?
Het is afhankelijk van de specifieke situatie of een zorgmedewerker onder de cao Verpleeg- en verzorgingshuizen en thuiszorg valt. Het is aan cao-partijen om hier een uitspraak over te doen. In geval er een cao van toepassing is, is het toetsen van de naleving van die cao in principe een zaak van sociale partners zelf. Cao-partijen kunnen bij de handhaving van de algemeen verbindend verklaarde cao de hulp inroepen van de Arbeidsinspectie, indien er sprake is van een gegrond vermoeden van niet naleving van de cao met het oog op een civiele rechtsvordering.
Zijn de Poolse verpleegkundigen Beroepen Individuele Gezondheidszorg (BIG)- geregistreerd? Zo ja, welke instantie is hier verantwoordelijk voor? Zo nee, bent u bereid de Inspectie voor de Gezondheidszorg de zorgsituatie te laten toetsen?
De meeste medewerkers van The Caring Crew leveren diensten zoals huishoudelijk werk en begeleiding. Daarvoor is geen BIG-registratie vereist. De Poolse medewerkers die voorbehouden handelingen verrichten zijn, wettelijk verplicht, BIG-geregistreerd. Het CIBG, een uitvoeringsorganisatie van het ministerie van VWS, is verantwoordelijk voor het BIG-register.
Op welke wijze zijn de Poolse en de Nederlandse zorgopleidingen vergelijkbaar?
Voor gereglementeerde beroepen, zoals verpleegkundigen en verzorgenden, geldt in Europees verband de Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties. Ook voor Poolse verpleegkundigen geldt op grond van deze richtlijn dat voor de toegang tot beroepen in de gezondheidszorg de toetsing van de talenkennis geen onderdeel mag zijn van de procedure voor erkenning van het diploma van de beroepsbeoefenaar. Als een Poolse verpleegkundige de vereiste kwalificaties heeft, wordt het diploma in Nederland conform de richtlijn automatisch erkend en wordt de beroepsbeoefenaar ingeschreven in het BIG register.
Bent u nog steeds van mening dat u over een taalbarrière geen oordeel hoeft te vellen?2
De antwoorden op Kamervragen waaraan u refereert, waren opgesteld door staatssecretaris Bussemaker en betroffen een andere casus uit 2009. In het recente AD-artikel wordt geen melding gemaakt van een eventuele taalbarrière.
Worden de Poolse zorgmedewerkers bemiddeld voor via AWBZ of Zorgverzekeringswet (ZWV) verzekerde zorg? Zo ja, heeft het bedrijf een Wet toelatings zorginstellingen (WTZi)-erkenning? Zo nee, op welke wijze zijn mensen die zorgbehoeftig zijn verzekerd van goede zorg?
De Poolse zorgmedewerkers in deze casus worden in principe niet bemiddeld voor verzekerde zorg via AWBZ of Zvw. Hun diensten zijn meer vergelijkbaar met de thuiszorg, wat collectief gefinancierd kan worden onder de Wmo. Mensen kunnen zich voor deze zorg wenden tot hun gemeente.
Hoeveel bedrijven werven zorgmedewerkers uit lage(re) lonenlanden? Om hoeveel medewerkers gaat het, om hoeveel bemiddelde particulieren, om welke landen? Als dit niet bekend is, bent u dan bereid dit te onderzoeken?
Voor arbeidsmigratie binnen de EU is, met uitzondering van Roemenen en Bulgaren, geen registratie vereist. Daar zijn derhalve geen cijfers over beschikbaar. Er zijn wel cijfers bekend over arbeidsmigranten van buiten de EU: Het UWV heeft in 2010 137 werkvergunningen afgegeven voor de sector zorg. De meeste werkvergunningen werden toegekend aan mensen met een Indonesische, Amerikaanse, Zuid-Afrikaanse, Roemeense en Surinaamse nationaliteit.
Hoe verhoudt deze werving zich tot de WHO-code voor internationale werving van zorgpersoneel? Kunt u uw antwoord toelichten?
De WHO-code betreft het «ethisch» werven van zorgpersoneel in ontwikkelingslanden. «Ethisch» werven is het zorgvuldig werven van gezondheidspersoneel zonder dat nadelige effecten optreden voor de landen van herkomst. Polen behoort niet tot de ontwikkelingslanden. Uit een Poolse studie naar de arbeidsmigratie van Poolse zorgprofessionals blijkt bovendien dat arbeidsmigratie geen directe bedreiging vormt voor het zorgstelsel in Polen5.
Het bericht dat een ontslaggolf dreigt door verhoging van het btw-tarief in de bouw |
|
Carola Schouten (CU) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Ontslaggolf dreigt door hogere btw in bouwsector»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de verwachting van de Aannemersfederatie Nederland dat ongeveer 5000 banen zullen verdwijnen door het beëindigen van de btw-verlaging in de bouw? Deelt u de zorg over het afnemen van het aantal opdrachten in de bouwsector, met banenverlies als onvermijdelijk gevolg?
Ik deel de zorg over de economische situatie. Voor de bouwsector is vanwege de financiële crisis tijdelijk het btw-tarief verlaagd op de arbeidskosten van renovatie en herstel van woningen ouder dan twee jaar. De tijdelijke maatregel maakte onderdeel uit van een groter pakket aan tijdelijke maatregelen ter ondersteuning van de bouw- en woningmarkt en had als doel de bouwsector een impuls te geven. De maatregel stimuleerde daarom naar verwachting renovatie, maar over de mate waarin dit is gebeurd, is geen exact cijfer te geven aangezien de renovatiebranche geen aparte categorie vormt in de btw-statistieken. Per 1 juli geldt voor renovatie- en herstelwerkzaamheden voor woningen weer het normale tarief zoals dat gold voor de crisis. Voor werkzaamheden die reeds waren aangevangen voor 1 juli en die voor 1 oktober 2011 worden afgerond kan het verlaagde tarief nog worden toegepast. Het is inherent aan de tijdelijkheid dat er partieel bezien een negatief werkgelegenheidseffect kan optreden op het moment van het vervallen van de maatregel.
Deelt u de mening dat de btw-verlaging in de bouw veel heeft opgeleverd voor de bouwsector aan opdrachten en (behoud van) werkgelegenheid? Deelt u de mening dat de btw-verlaging veel meer oplevert aan opdrachten en banen dan dat het kost?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de btw-verlaging in de bouw voort te zetten, aangezien deze sector economisch nog steeds kwetsbaar is?
Als onderdeel van het Belastingplan 2011 verlaagde het kabinet vorig jaar het btw-tarief voor renovatie- en herstelwerkzaamheden van woningen van 19% naar 6%. Deze tijdelijke maatregel had als doel om een impuls te geven aan de bouwsector tijdens de financiële crisis. Het lijkt erop dat de bouwsector het dal achter zich heeft gelaten en dat de weg omhoog voorzichtig is ingeslagen. Dit jaar en volgend jaar treedt voor het eerst sinds 2007 naar verwachting van onder meer het CPB, EIB en TNO2 licht investeringsherstel op in de woningbouwsector. Aanvankelijk zou de crisismaatregel al op 1 juli van dit jaar stoppen. Later is de maatregel mede op verzoek van de bouwbranche verlengd naar 1 oktober 2011 voor werkzaamheden die reeds zijn gestart voor 1 juli 2011. Het kabinet ziet geen aanleiding om de besluitvorming, die met instemming van een meerderheid van uw Kamer tot stand is gekomen, terug te draaien.
Draagwijze van veiligheidsvesten |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat agenten, op een zogenaamde «draagproef» na, hun veiligheidsvesten (formeel) nog steeds niet over de kleding heen mogen dragen?
Op 6 juni 2011 heb ik aan de VTSPN opdracht verstrekt voor de start van de Europese aanbesteding van een veiligheidsvest dat zowel boven als onder de kleding kan worden gedragen. De opdracht en de onderliggende functionele specificaties werden vooraf afgestemd in het overleg met de Politievakorganisaties.
Het nieuwe veiligheidsvest kan daarmee worden aangepast aan de wisselende functies (zowel geüniformeerd als niet-geüniformeerd) die aan politiepersoneel kunnen worden toegewezen en de behoefte die daaruit voortvloeit om het veiligheidsvest zowel boven als onder de kleding te dragen.
De Europese aanbesteding zal in de tweede helft van 2011 worden uitgevoerd. De nieuwe veiligheidsvesten zullen naar verwachting medio 2012 beschikbaar komen. Als onderdeel van de Europese aanbesteding zal een draagproef worden uitgevoerd waarbij het comfort en de veiligheid van het veiligheidsvest in de politiepraktijk wordt beproefd. Bij de uitvoering van de draagproef worden vertegenwoordigers uit het politieveld en de politievakorganisaties betrokken.
Bent u er zich van bewust dat er reeds positieve ervaringen zijn opgedaan met het dragen van veiligheidsvesten over de kleding?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u er tevens van op de hoogte dat veruit de meeste, zo niet alle, agenten een voorkeur hebben voor de het dragen van hun veiligheidsvesten over de kleding?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om per direct gehoor te geven aan de wens om het veiligheidsvest over de kleding te dragen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Domper uit het buitenland op de mat» over de problemen die grensarbeiders ondervinden bij de Nederlandse en Duitse belastingdienst en overige overheidsinstanties aan beide kanten van de grens?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Hoge Raad heeft bepaald dat een inwoner van Duitsland, die een ABP-overheidspensioen ontvangt, belastingplichtig is in Nederland, omdat Nederland het heffingsrecht heeft?2
Het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2008, nr. 43 722, BNB 2009/199, is mij bekend. De Nederlandse hoogste rechter concludeert daar dat een «ABP»-pensioen genoten door een inwoner van Duitsland, opgebouwd in Nederlandse overheidsdienst, in Nederland mag worden belast. De Hoge Raad verwijst in zijn oordeel naar artikel 12, tweede lid, van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting van het inkomen en van het vermogen, gesloten te ‘s-Gravenhage op 16 juni 1956 (hierna: het Verdrag). Op grond van een letterlijke interpretatie van het genoemde verdragsartikel zou echter kunnen worden verdedigd dat sinds de privatisering van het ABP het heffingsrecht over dergelijke pensioenen aan Duitsland toekomt. Het artikel spreekt immers over pensioenen die worden betaald rechtstreeks door de overheid of door een publiekrechtelijk lichaam en dat was na de privatisering niet meer het geval. De Nederlandse Hoge Raad heeft een dergelijke interpretatie mijns inziens terecht in voornoemd arrest niet gevolgd.
Het is mij voorts bekend dat enkele Duitse belastinginspecteurs wel het standpunt in hebben genomen dat dergelijke pensioenen volgens het belastingverdrag in Duitsland mogen worden belast. De Duitse belastingdienst is immers niet aan oordelen van de Nederlandse Hoge Raad gebonden. Ik heb begrepen dat dit standpunt slechts is doorgezet door inspecteurs uit een enkele deelstaat en dat in de desbetreffende individuele gevallen wel uitstel van betaling is verleend in afwachting van een oplossing voor de dubbele heffing die als gevolg van de Duitse heffing zou ontstaan.
Vanzelfsprekend heb ik richting Duitsland gewezen op de duidelijke strijd met doel en strekking van de bepaling in het Verdrag indien dergelijke overheidspensioenen in Duitsland zouden worden belast. De intentie van de Verdragsluitende partijen is destijds immers geweest dat overheidspensioenen in de bronstaat mogen worden belast. Op basis van artikel 25 van het Verdrag wordt momenteel tussen de bevoegde autoriteiten van beide landen overleg gevoerd met het doel deze kwestie structureel op te lossen. Ik verwacht dat dit overleg op zeer afzienbare termijn tot een bevredigende oplossing zal leiden.
Klopt het dat de Duitse autoriteiten van mening zijn dat het ABP een private instelling is sinds de wet privatisering ABP en dat het heffingsrecht daarom aan Duitsland toekomt op basis van artikel 12 van het verdrag tussen Nederland en Duitsland en artikel 19 van het OESO-modelverdrag? Bent u bekend met signalen dat in een aantal gevallen de Duitse autoriteiten ook werkelijk belastingaanslagen opleggen?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze komt u met de Duitse regering tot een oplossing voor dit conflict?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het verder de Duitse belastingdienst recentelijk besloten heeft met terugwerkende kracht vanaf 2005 belasting te heffen over de Duitse rente die in Nederland wordt betaald? Betekent dit dat mensen die een Duits pensioen ontvangen met terugwerkende kracht zes belastingaangiftes moeten indienen en zes verklaringen door de Nederlandse belastingdienst moeten laten afstempelen, terwijl het zeer waarschijnlijk is dat vooral mensen met relatief bescheiden pensioenen – de grootste groep – geen belasting hoeven te betalen?
Bij de beantwoording zal ik voor een duidelijk begrip van de problematiek eerst een beschrijving geven van de Duitse wetgeving en vervolgens ingaan op de uitvoeringsaspecten en de rol van de Nederlandse overheidsinstanties.
Bij wet van 5 juli 2004 («Alterseinkünftegesetz») is de Duitse inkomstenbelasting gewijzigd waardoor «Renten» uit de wettelijke «Rentenversicherung» (socialezekerheidspensioenen) met ingang van 1 januari 2005 in Duitsland feitelijk als belastbaar inkomen moeten worden aangemerkt. De Duitse wetgever was gehouden om de Duitse belastingwetgeving op dit punt aan te passen als gevolg van een uitspraak van de Duitse rechter (het «Bundesverfassungsgericht») van 6 maart 2002. De aanpassing ziet op zowel de belastingheffing van in Duitsland als in andere landen wonende Rente-genieters en heeft dus ook gevolgen voor in Nederland wonende Rente-genieters. Op grond van het Verdrag heeft Duitsland de bevoegdheid om belasting te heffen over de Duitse Rente die is uitbetaald aan inwoners van Nederland. Daartegenover heeft de belastingplichtige in Nederland recht op een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting. De Duitse wetgeving voorziet er in om de gerechtigden niet in een keer volledig over hun Duitse Rente te belasten, maar kent een oplopende mate van heffing. Van diegenen die in 2005 al een Rente ontvangen, wordt slechts over 50% van het ontvangen bedrag belasting geheven. Voor diegenen die in latere jaren voor het eerst een Duitse Rente ontvangen, neemt het percentage toe met 2% per jaar tot 2020 en daarna met 1% per jaar.
De Duitse wetgeving is ook van toepassing op degenen die een Rente ontvangen omdat zij in Duitsland in de oorlogsjaren als dwangarbeider werkzaam zijn geweest. Het Duitse ministerie van Financiën heeft mij geïnformeerd dat zij aanleiding heeft gezien om een voorstel te doen tot wijziging van de Duitse wetgeving waardoor Renten die worden betaald aan buitenlandse dwangarbeiders alsnog vrijgesteld zullen worden. Het was op grond van de informatie die ik uit Duitsland heb ontvangen nog niet volledig duidelijk of deze vrijstelling van toepassing is op alle dwangarbeiders of voor een bepaalde categorie dwangarbeiders. De beslissing of iemand onder de nieuwe wet valt, ligt in handen van de Duitse «Renteversicherungsanstalt» die beoordeelt of het inkomen valt onder paragraaf 1 van het «Bundesentschädigungsgesetz». Vooruitlopend op de aanpassing van de wijziging zal de Duitse belastingdienst de vrijstelling al toepassen.
Voor wat betreft de uitvoering van de Duitse wetgeving heeft volgens informatie van de Duitse belastingdienst vanaf 2005 eerst de toekenning van identificatienummers plaatsgevonden aan alle inwoners van Duitsland en daarna aan alle in het buitenland wonende Rente-genieters. Pas daarna kon men overgaan tot belastingheffing van de Duitse Rente. Het Duitse «Finanzamt Neubrandenburg» is vervolgens met ingang van 1 januari 2009 verantwoordelijk gemaakt voor de belastingheffing over de Duitse Rente van niet-ingezetenen. Hierdoor is men pas laat kunnen toekomen aan het heffen van belasting van niet-ingezetenen met een Duitse Rente. Dit heeft als ongelukkig gevolg dat inwoners van Nederland vanaf 2010 geconfronteerd zijn met de verplichting om over de jaren 2005 tot en met 2009 alsnog een Duitse aangifte in te vullen. Omdat het om de toepassing van het Duitse recht gaat, zullen de in Nederland wonende Rente-genieters eventuele klachten en bezwaren over deze wijze van belastingheffing aan de Duitse bevoegde instanties moeten richten. Het invullen van de Duitse aangiften is volgens de Duitse belastingdienst nodig om te kunnen vaststellen in welke mate er in Duitsland inkomstenbelasting is verschuldigd. De Duitse wetgeving voorziet er helaas niet in om de belasting als voorheffing in te houden op de Duitse Rente. Voor niet-ingezetenen, zoals inwoners van Nederland, bestaat de keuzemogelijkheid om voor de Duitse belastingheffing behandeld te worden als zogenoemde «unbeschränkte Steuerpflichtige». Dit kan er toe leiden dat in Duitsland door toepassing van de Duitse nationale vrijstellingen geen of maar beperkt inkomstenbelasting is verschuldigd over de Duitse Rente. Om dat te kunnen vaststellen dient de belastingplichtige in de Duitse aangifte alle inkomsten op te geven en moet de Nederlandse Belastingdienst de juistheid van de gegevens bevestigen aan de hand van het in Nederland aangegeven wereldinkomen (de zogenoemde «EU/EWR-bescheinigung»). Dit is overigens een praktijk die ook geldt voor de Duitse belastingheffing van Nederlandse grensarbeiders.
De rol van de Nederlandse uitvoeringsinstanties bestond er tot voor kort uit dat de uitbetaling van de Duitse Rente aan inwoners van Nederland werd gedaan door Bureau Duitse Zaken (BDZ) van de Sociale Verzekeringsbank. Tegelijkertijd met de uitbetaling verstrekte BDZ uit oogpunt van dienstverlening informatie over de gevolgen in Nederland van het ontvangen van de Duitse Rente. Deze informatie was in eerste instantie bedoeld om de belastingplichtige er op te wijzen hoe in Nederland de Duitse Rente in de Nederlandse belastingaangifte moet worden opgegeven en hoe om vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting moet worden verzocht. Verder werd informatie verschaft over de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor vrijstelling van de verzekeringsplicht en de premiebetaling voor de volksverzekeringen. Vanaf 2005 is bij de informatieverstrekking ook aandacht besteed aan de inkomstenbelastingheffing over de Duitse Rente in Duitsland. Deze informatie werd altijd gelijktijdig met de eerste beslissing op de aanvraag van de Duitse Rente gestuurd. Daarnaast werd de informatie gestuurd aan iedere Rente-genieter die zich bij BDZ meldde met vragen over de belastingheffing (telefoon, loket, spreekuren etc.). Hiermee staat niet vast dat de informatie over de Duitse belastingheffing elke Rente-genieter die in Nederland woont heeft bereikt. Ik kan me daarom goed voorstellen dat sommige Rente-genieters verrast zullen zijn geweest door de aangiftebiljetten die van de Duitse fiscus recentelijk zijn ontvangen.
De informatieverstrekking over de Duitse Rente door BDZ is inmiddels beëindigd, omdat de betaling van de Duitse Rente en de beslissingen en mededelingen daarover tegenwoordig zonder tussenkomst van BDZ rechtstreeks door een Duitse instantie, namelijk de «Renteversicherung», aan de in Nederland wonende Rente-genieters plaatsvindt. Wel wordt van de zijde van de Nederlandse Belastingdienst in algemene zin informatie aan grensarbeiders verstrekt en worden vragen beantwoord over grensoverschrijdende aangelegenheden door het team Grensoverschrijdend werken en ondernemen (GWO) in Maastricht. Het GWO heeft de afgelopen tijd een belangrijke taak gehad in de voorlichting over de Duitse belastingheffing met betrekking tot de Duitse Rente. Bij het GWO zijn twee ambtenaren van de Duitse belastingdienst werkzaam. Zij zijn bij uitstek in staat om uitleg over de Duitse belastingwetgeving te verschaffen en spreken Nederlands waardoor er geen taalprobleem is.
De verantwoordelijke instantie voor de wijze waarop in Duitsland belasting wordt geheven over de Duitse Rente en om toelichting te geven over de wijze waarop Duitse aangifteformulieren moeten worden ingevuld, is het eerder genoemde Finanzamt Neubrandenburg. Op de website van het Finanzamt is uitgebreide informatie beschikbaar over de belastingheffing over de Duitse Rente. Deze informatie is tevens beschikbaar in andere talen, maar helaas niet in de Nederlandse taal. Voor het invullen van de Duitse belastingaangifte heeft het GWO de afgelopen tijd om die reden duizenden vragen beantwoord ter toelichting.
De capaciteit en de kennis van de Nederlandse Belastingdienst om gericht te helpen bij het invullen van een Duitse aangifte heeft zijn grenzen. Bovendien moet niet uit het oog worden verloren dat de primaire verantwoordelijkheid van de Belastingdienst ligt bij het verstrekken van informatie over het Nederlandse belastingstelsel. In enkele bijzondere gevallen heeft het GWO belastingplichtigen expliciet geholpen bij het invullen van de Duitse aangifte. Het ging dan om belastingplichtigen die al op hoge leeftijd waren. Verder is verwezen naar spreekuren van «EUREGIO» (zie bijvoorbeeld www.rheinwaddenzee.info), waar medewerkers van de Duitse belastingdienst aanwezig zijn om hulp te bieden.
Klopt het dat deze wet iedereen treft die in Nederland woont en ooit in Duitsland heeft gewerkt en inmiddels met pensioen is en hun nabestaanden, onder wie mensen die tussen 1940–1945 in Duitsland (onder dwang) gewerkt hebben?
Zie antwoord vraag 5.
Is over deze maatregel van de Duitse fiscus en de verstrekkende gevolgen voor deze Nederlandse ouderen vooraf met Nederland overleg geweest? Zo ja, wat waren daarvan de gezamenlijke conclusies en aanbevelingen? Is het niet zinvol om met Duitsland overeen te komen om op de Duitse Rente vooraf Lohnsteuer te laten inhouden?
Zie antwoord vraag 5.
Zijn de instanties in de informatieketen voor grensgangers in een vroegtijdig stadium bij de uitvoering van deze maatregel betrokken zodat zij hierop adequaat konden inspelen?
Zie antwoord vraag 5.
Tot wie kunnen grensarbeiders zich richten voor hulp? Klopt het dat zij zich in Duitsland moeten wenden tot het Finanzamt Neubrandenburg, dat nu niet bepaald dichtbij Nederland ligt?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer tekent de Nederlandse regering eindelijk een nieuw belastingverdrag met Duitsland, nu het oude uit 1959 totaal verouderd is en er al meer dan 20 jaar onderhandeld is?
Gedurende de afgelopen jaren heb ik de Tweede Kamer regelmatig op de hoogte gehouden van de stand van zaken met betrekking tot de onderhandelingen over een nieuw belastingverdrag met Duitsland. Ik wijs in het bijzonder op de beantwoording van Kamervragen van de leden Omtzigt en Aasted Madsen-van Stiphout van 3 juli 2009 (Kamerstukken II 2008/09, 3 653, Aanhangsel) en op de brief aan uw Kamer van 11 november 2010 in het kader van de behandeling van het belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk (Kamerstukken I 2010–11, 32 145, A). In die brieven heb ik enerzijds benadrukt dat een nieuw verdrag met Duitsland mijn bijzondere aandacht heeft en heb ik de wens uitgesproken dat met voortvarendheid een dergelijk verdrag tot stand zou kunnen worden gebracht. Anderzijds is benadrukt dat gewaakt moet worden voor te hoog gespannen verwachtingen en is uitgelegd dat onderhandelingen over een belastingverdrag – zeker tussen buurlanden – complex zijn.
In de brief uit 2010 heb ik wel de hoop en verwachting uitgesproken dat voortgang zou kunnen worden geboekt. Ik kan u bevestigen dat van dat laatste sprake is. De onderhandelingen bevinden zich in de afrondende fase. Met Duitsland is in vergaande mate overeenstemming bereikt over de kern van een nieuw verdrag. In dit stadium kan ik op de inhoud van het (hopelijk binnen afzienbare tijd te ondertekenen) nieuwe verdrag vanzelfsprekend niet ingaan. Daarmee zou het onderhandelingsproces worden verstoord. Het is eigen aan een onderhandelingsproces dat niet op ieder punt de Nederlandse wensen volledig zullen kunnen worden gehonoreerd in een toekomstig verdrag.
Ik bevestig graag nogmaals dat de heffingsverdeling over pensioenen in den brede en de wens voor een compensatieregeling voor grensarbeiders voor mij een wezenlijk punt in het tot stand brengen van een evenwichtig verdrag vormen. Zoals ik ook in mijn hiervoor genoemde reacties heb bevestigd, is onderdeel van de inzet van Nederland te komen tot een compensatieregeling voor grensarbeiders die vergelijkbaar is met de regeling in Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, gesloten te Luxemburg op 5 juni 2001.
Voor wat betreft de vraag over een zogenoemd hooglerarenartikel bereik(t)en mij signalen dat die bepaling ook juist in de relatie met België enige onbedoelde effecten zou kunnen hebben. In het rapport van de Commissie grensarbeiders van 29 april 2008 (Kamerstukken II, 2007–08, 26 834, nr. 20) is er op gewezen dat de beloningen voor onderwijzend personeel dat grensoverschrijdend werkzaam is tijdens de eerste twee jaren in de woonstaat belast zijn en vanaf het derde jaar in de werkstaat. Hierdoor ontstaat in veel gevallen gedurende de eerste twee jaar discoördinatie tussen de belasting- en premieheffing. In dat kader is gesteld dat het niet mogelijk is om in onderling overleg tot een oplossing te komen die afwijkt van datgene wat in het verdrag is overeengekomen. Wel is de toezegging gedaan om deze problematiek bij de eerstvolgende onderhandelingen tot wijziging van het Nederlands-Belgische belastingverdrag aan de orde te stellen. Diezelfde problematiek doet zich voor zover mij bekend in de relatie met Duitsland niet voor.
Wat is de Nederlandse beleidsinzet m.b.t. het heffingsrecht over wettelijke, niet-wettelijke en overheidspensioenen? Is de beleidsinzet erop gericht om het onderscheid tussen «gewone» werknemers «en onderwijspersoneel resp. ambtenaren op te heffen?
Zie antwoord vraag 10.
In de nota verdragsbeleid kondigt u aan het (hoog)leraarartikel niet meer op te nemen in nieuwe verdragen; kunt u vooruitlopend hierop al een protocol of beleidsbesluit nemen die hetzelfde effect heeft, aangezien dit artikel tot veel problemen leidt bij Nederlandse onderwijsinstellingen die Duitse of Belgische docenten aanstellen?
Zie antwoord vraag 10.
Wordt er ook onderhandeld over een compensatieregeling voor inwoners van Nederland, die in Duitsland werken en niet de mogelijkheid hebben om hun hypotheekrente af te trekken? Zo ja, welke vorm gaat die krijgen?
Zie antwoord vraag 10.
Barrières bij het inhuren van kennismigranten |
|
Kees Verhoeven (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het artikel «Bedrijven: import vaklui te lastig»?1
Werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland doelen in dit artikel op een maatregel die is aangekondigd in de notitie Herziening Wav en die op 19 juni jl. in werking is getreden bij wijziging van de Vreemdelingencirculaire. De maatregel houdt in dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf of een verblijfsvergunning als kennismigrant kan toetsen of er sprake is van marktconform loon. De IND doet dit als er indicaties zijn dat er sprake is van misbruik.
Deze maatregel is onder meer tot stand gekomen omdat uw Kamer, onder andere bij motie van het lid Ulenbelt c.s. zijn zorgen heeft geuit over mogelijk misbruik van de kennismigrantenregeling, en heeft aangedrongen op een scherpere controle op de naleving van deze regeling.
Door middel van welke berekening wordt het marktconforme salaris vastgesteld? Hoe wordt daarin meegenomen dat een marktconform salaris – bijvoorbeeld bij krapte op de arbeidsmarkt – hoger kan zijn dan het cao-loon?
Met gegevens zoals de opleiding en kwalificaties van de kennismigrant, de functie van de kennismigrant en de geldende cao, kan het UWV beoordelen of het loon gebruikelijk is in de desbetreffende sector. De arbeidsvoorwaarden dienen marktconform te zijn. Dat wil zeggen dat beoordeeld wordt of het geboden loon voor de beoogde kennismigrant in verhouding staat tot het niveau dat wettelijk is vereist of in de desbetreffende bedrijfstak gebruikelijk is voor de betreffende functie. De werkgever wordt indien daar aanleiding toe bestaat, altijd in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat de beloning marktconform is. Indien ingevolge de krapte op de arbeidsmarkt de lonen in een bedrijfstak hoger liggen dan de geldende cao, kan het voorkomen dat het marktconform salaris hoger is dan het cao-loon.
Hoe frequent is er in het verleden misbruik geconstateerd via onrealistisch hoge salarissen? Hoeveel aanvragen bij de kennismigrantenregeling zijn er tot op heden afgewezen op basis van de toets op de marktconforme betaling?
De Arbeidsinspectie is in het verleden situaties tegengekomen waarbij kennismigranten laag- of ongeschoold werk doen, waarvoor het (althans op papier) toegekende salaris buitenproportioneel is. Ook had de IND soms het vermoeden dat door het betalen van niet-marktconforme salarissen misbruik werd gemaakt van de kennismigrantenregeling. In dit verband verwijs ik naar de evaluatie van de kennismigrantenregeling die als bijlage is opgenomen bij de brief aan uw Kamer van 11 april 2011 over arbeidsmigratie van buiten de EU.
Sinds 19 juni jl. (het moment van invoering van de voorwaarde dat het salaris marktconform moet zijn) heeft de IND nog geen aanvragen om een verblijfsvergunning op deze grond afgewezen.
Is het doel van toetsing op een marktconform salaris het tegengaan van misbruik van de kennismigrantenregeling? Is dit hiervoor een proportioneel instrument? Deelt u de mening dat beleid tegen misbruik niet mag omslaan in protectionisme?
Kennismigranten hoeven maar aan één criterium te voldoen om in Nederland te mogen werken: als aan het looncriterium wordt voldaan worden verder geen voorwaarden gesteld, met uitzondering van de vreemdelingrechtelijke toets op openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid. Deze eenvoudige procedure mag echter niet uitnodigen tot oneigenlijk gebruik. Daarom is er behoefte aan een «veiligheidsklep» voor het geval er indicaties zijn dat het salariscriterium wordt misbruikt. Omdat de toets aan het marktconforme loon slechts in uitzonderingssituaties plaatsvindt, namelijk alleen bij vermoeden van misbruik, is dit middel niet disproportioneel of protectionistisch.
Op basis waarvan zijn de toelatingsgrenzen van 50 183 euro en 37 121 euro voor werknemers jonger dan 30 jaar vastgesteld? Kunt u een overzicht geven van de verhouding van deze grenzen in Nederland tot die in andere OESO-landen gecompenseerd voor Purchasing power parity (PPP)?
Het inkomenscriterium bedraagt circa anderhalf maal het modale inkomen. Voor kennismigranten jonger dan 30 jaar is een lager inkomenscriterium genomen omdat nieuwkomers op de arbeidsmarkt meestal nog weinig werkervaring hebben en daardoor een lager salaris verdienen.
Landen hebben verschillende toelatingsprocedures voor kennismigranten. De OESO-landen Canada, Nieuw-Zeeland, Australië en Amerika bijvoorbeeld werken niet met salariscriteria maar met een puntensysteem. De bij de OESO aangesloten Europese landen met een nationale kennismigrantenregeling kennen veelal een opleidingscriterium naast een salariscriterium.
Hoe verhoudt dit alles zich tot het rapport «Hoofdkantoren naar de top» over het vestigingsklimaat in Nederland waarin wordt gepleit voor een soepele toelating van kennismigranten?
De Nederlandse economie is gebaat bij de komst van kennismigranten. In de bedrijfslevenbrief «Krachtig naar de top» zijn twee maatregelen aangekondigd om kennismigratie naar Nederland te bevorderen. Er zal ten eerste een pilot worden ingesteld om de toelating van kortverblijvende kennismigranten, een toenemende doelgroep onder de kennismigranten, te vereenvoudigen (topgebied hoofdkantoren). Ten tweede zal worden nagegaan of de toelating van arbeidsmigranten voor functies in de creatieve industrie beter gefaciliteerd kan worden (Topsector creatieve industrie).
Wilt u met VNO-NCW en MKB-Nederland in gesprek gaan over de geconstateerde knelpunten bij de kennismigrantenregeling? Kunt u de Kamer hierover op de hoogte stellen?
Ja.
Veiligheid van liften |
|
Paulus Jansen |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de kwaliteit van liften onder druk staat?1 Is het toegestaan dat onderhoudsbedrijven mogen bepalen wie de liftkeuring uitvoert?
Ik heb kennis genomen van het artikel. Een onderhoudsbedrijf kan met haar klanten overeenkomen dat zij ervoor zorgt dat zij het onderhoud uitvoert en zorgt dat een onafhankelijke keuring wordt uitgevoerd door onafhankelijk opererende certificerings- en keuringsinstellingen die door SZW zijn aangewezen.
Zo ja, vindt u het acceptabel dat de slager bepaalt wie zijn vlees keurt?
SZW wijst certificerings- en keuringsinstellingen aan voor het keuren van liften als zij de keuring op onafhankelijke wijze uitvoeren. Indien een certificerings- of keuringsinstelling keuringen uitvoert onder één of meer grote contracten zal zij moeten aantonen dat zij voldoende maatregelen heeft getroffen die een onafhankelijk deskundig oordeel over een te keuren lift waarborgen.
De Arbeidsinspectie en, voor zover de instellingen zijn geaccrediteerd, de Raad voor Accreditatie houden hier toezicht op.
Nu in het jaarverslag 2010 van de Arbeidsinspectie2 staat dat uit onderzoek blijkt dat de onafhankelijkheid van de aangewezen instellingen is aangetast, wat gaat u daar tegen doen?
De in het jaarverslag van de Arbeidsinspectie opgenomen passage is gebaseerd op een voorlopig oordeel. Na verwerking van de reacties zal de Arbeidsinspectie een definitief oordeel geven. Naar verwachting zal dit in het laatste kwartaal van 2011 zijn. Op basis van dit oordeel, wordt bepaald of er corrigerende maatregelen nodig zijn.
Waarom schakelt u niet over op een systeem analoog aan de Algemene periodieke keuring (APK) voor motorvoertuigen, waarbij steekproefsgewijs de keuring gecontroleerd wordt door een onafhankelijke keurmeester?
Er is geen reden om voor een ander systeem te kiezen. Een systeem analoog aan de Algemene periodieke keuring voor motorvoertuigen zou betekenen dat liften gekeurd worden door de onderhoudsfirma’s, waarop steekproefsgewijs zou worden gecontroleerd. In het huidige SZW stelsel mogen alleen onafhankelijke certificerende instellingen keuringen uitvoeren. De Arbeidsinspectie en (voor zover de instellingen zijn geaccrediteerd) de Raad voor Accreditatie houden toezicht op de onafhankelijkheid van deze instellingen.
Onderverwijzing naar de beantwoording van eerdere vragen3, waarin de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt dat er vooralsnog geen aanleiding is om het gebruik van liften veiliger te maken en naar het onderzoek van de Nederlandse Vereniging voor Lift- en Roltraptechniek (VLR) waaruit blijkt dat per jaar 500 mensen letsel oplopen bij liftgebruik,4 is dit voor u wel voldoende aanleiding om het gebruik van liften veiliger te maken?
Neen.
De analyse van de Arbeidsinspectie van de door haar in de afgelopen 9 jaar onderzochte ernstige ongevallen met werknemers bevestigen niet het beeld dat de VLR presenteert. Uit een handmatige analyse van de bij de Arbeidsinspectie gemelde ernstige ongevallen in 2010 is geen melding gevonden die betrekking heeft op personenliften.
De ongevalstatistieken van meldingen van ongevallen met liften van het Liftinstituut, uitgesplitst naar technici en gebruikers, bevestigen het beeld dat de VLR schetst evenmin. Het Liftinstituut keurt het merendeel van de personenliften in Nederland.
Op 15 april 2011 is met de VLR gesproken over de veiligheid van liften. In dat overleg heeft de VLR haar voornemens gedeeld om onderzoek te doen naar de aard van de ongevallen met liften, voor zover die ongevallen bij hen bekend zijn. Ik heb nog geen resultaten mogen ontvangen. Er is voor mij daarom geen aanleiding om aanvullende eisen te stellen.
Klopt het dat de Europese norm voor bestaande liften in Nederland nog niet in nationale wetgeving is omgezet?5
Ja.
Op grond van Europese regels is er geen verplichting om een privaatrechtelijke norm naar nationale regels om te zetten. Het verplicht stellen van deze norm zou een nieuwe nationale kop introduceren. Ik ben daar geen voorstander van.
De Europese Normalisatie Organisatie (CEN) heeft in 2003 de norm EN 81–80 uitgebracht: Regels voor de verhoging van de veiligheid van bestaande personenliften (Rules for the improvement of safety of existing lifts: SNEL). De EN 81–80 is geen geharmoniseerde norm en is in Nederland niet verplicht.
Onderschrijft u de redenering dat de veiligheid van bestaande liften verbeterd kan worden door het wettelijk verankeren van de SNEL-norm?
In de norm zijn 74 «aanbevelingen» gedaan. Aan veel van deze aanbevelingen voldoen de oude liften in Nederland. Veel lifteigenaren zijn al uit eigener beweging overgegaan tot het doorvoeren van deze aanbevelingen. Echter in sommige gevallen is het aanbrengen van deze voorzieningen dermate kostbaar dat zij niet meer in verhouding staan tot de te bereiken toename in het veiligheidsniveau. Of de ongevallen, die de VLR schetst, waren te voorkomen als de liften voldeden aan de SNEL-norm is niet te bepalen zo lang de gegevens waarover het VLR lijkt te beschikken niet beschikbaar zijn. Zoals ik in het antwoord bij vraag 5 al aangaf, heb ik vooralsnog, een ander beeld dan de VLR.
Bent u voornemens de SNEL-norm voor bestaande liften te implementeren? Zo ja, op welk termijn?
Neen.
In 1997 en in 2005 is een verzoek om de «aanbevelingen» uit de SNEL-norm in regels verplicht te stellen op basis van een kosten baten afweging door mijn voorgangers afgewezen.
Temeer daar veel lifteigenaren van oude liften uit eigener beweging de aanbevelingen al hebben doorgevoerd en deze in sommige gevallen een minimale verhoging van de veiligheid geven tegen zeer hoge kosten. Bij een zorgvuldige overheid hoort ook terughoudendheid bij het opleggen van additionele verplichtingen, zolang de noodzaak en de toegevoegde waarde onvoldoende hard is.
Het schrappen van duizenden ID en WIW-banen bij gemeenten |
|
Sadet Karabulut |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Hoe verhoudt uw uitspraak dat «150 000 tot 200 000 van de ongeveer 355 000 mensen in de bijstand kunnen werken» zich tot het ontslag van duizenden werknemers met een in- en doorstroombaan (ID) Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) baan in o.a. Amsterdam, Den Haag, Nijmegen, Haarlem, Groningen, Roosendaal en Arnhem?1 2
De regering vindt dat iedereen die kan werken, moet werken. Iedereen moet er dan ook alles aan doen om dat werk te verwerven en is hier in de eerste plaats zelf voor verantwoordelijk. Waar nodig kunnen gemeenten ondersteuning bieden. Gemeenten zijn in hoge mate vrij om die instrumenten in te zetten die nodig zijn. Dat loopt van opleidingen en leerwerkplekken tot begeleiding op de werkvloer.
In 2004 is – voortvloeiend uit de in het Convenant Gesubsidieerde Arbeid 2003 vastgelegde afspraken – de regeling voor gesubsidieerde arbeid afgeschaft en zijn de hiermee gemoeide middelen in het werkdeel WWB opgenomen. Om de overgang van ID-banen naar reguliere arbeid te stimuleren is toentertijd rijksbreed € 170 mln. beschikbaar gesteld. Gesubsidieerde arbeid is kostbaar en legt een relatief groot beslag op het re-integratiebudget. Mede om die redenen heeft een groot aantal gemeenten sindsdien het volume gesubsidieerde arbeid (bijna) volledig afgebouwd. Deze afbouw is weergegeven in onderstaande grafiek.
Bron: CBS, Statistiek Re-integratie Gemeenten
Wegens de decentralisatie is het aan de gemeenten in hoeverre en in welk tempo zij de gesubsidieerde arbeid afbouwen. Zij leggen over hun beleid verantwoording af aan de gemeenteraad, niet aan het Rijk. Er zijn daarom geen gedetailleerde gegevens beschikbaar over functies, instellingen of aantallen. Op macroniveau was eind 2010 sprake van 7 700 gesubsidieerde arbeidsplaatsen.
Kunt u een overzicht geven van het totaal aantal gemeenten, aantallen ID-/Wiw-ers, functies, instellingen en ontslagen? Zo nee, waarom niet en kunt u dat in ieder geval doen voor onder vraag 1 genoemde gemeenten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn de consequenties van het schrappen van ID-banen voor de instroom in andere uitkeringen zoals de WW, bijstand en de wajong (voor genoemde gemeenten)? Wat zijn de consequenties voor de aanspraak op toeslagen en armoederegelingen zoals huurtoeslag en bijzondere bijstand? Wat zijn de consequenties voor maatschappelijke instellingen zoals buurthuizen, scholen, sportverenigingen, culturele instellingen en hun activiteiten in buurten? Bent u bereid een maatschappelijke kosten- en batenanalyse te maken van de kosten die gemoeid zijn met een gesubsidieerde baan of een bijstandsuitkering? Zo nee, waarom niet?
De afbouw van gesubsidieerde arbeid vindt plaats sinds 2004. De wijze van afbouw van WIW en ID-banen is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Het is aan de betrokkenen zelf en instellingen waar zij werkzaam zijn, om tijdig te anticiperen op maatregelen die gemeenten hebben getroffen of zullen treffen. Mensen kunnen zich uiteraard wenden tot gemeenten/werkpleinen voor ondersteuning bij het vinden van werk.
Deelt u de mening dat het ontslag van deze ID’ers zal leiden tot een hogere werkeloosheid omdat velen momenteel geen enkele kans maken vanwege leeftijd en/of beperkingen op de zogenoemde reguliere arbeidsmarkt? Zo ja, wilt u zich inspannen om samen met gemeenten, vakbonden en werkgevers deze banen te behouden en om te zetten in duurzame, reguliere banen? Zo nee, waar baseert u dat op? Mogen mensen die toch werkeloos raken dan bij u aankloppen voor een baan?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat deze werknemers, met vaak jarenlange werkervaring, niet een plek achter de geraniums of in de armoede, maar een eerlijke baan voor een eerlijk loon verdienen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties gaat u ondernemen om dat te bewerkstelligen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u garanderen dat geen enkele werknemer – vanwege het schrappen van de ID-banen of WIW-banen – in een uitkeringssituatie terecht komt of onder het minimumloon komt te werken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om in overleg met gemeenten, werkgevers en vakbonden ons te informeren over de resultaten?
Werknemers zijn primair zelf verantwoordelijk voor het vinden van een geschikte baan. Gemeenten en werkpleinen kunnen hierbij ondersteunen. Het gaat hierbij dus niet om het geven van garanties, maar om het – waar nodig met hulp vanuit de gemeente – recht doen aan de eigen verantwoordelijkheid van betrokkene.
Hoe groot is de bezuiniging op het re-integratiebudget van gemeenten in 2012, 2013, 2014 en 2015? Kunnen gemeenten het re-integratiebudget inzetten om de ID-banen te behouden totdat deze werknemers een reguliere baan met een eerlijk loon hebben? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welk deel zou vanaf invoering van de Wet werken naar vermogen (Wwnv), besteed moeten worden om het loon van werknemers met een SW-contract conform CAO-SW te financieren
Het kabinet is van mening dat de re-integratiemiddelen efficiënter en effectiever kunnen worden ingezet. Vanaf 2013 zal de regering de huidige re-integratiebudgetten voor Wajong, Wsw en WWB samenvoegen in een gebundeld re-integratiebudget. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het vormgeven van het re-integratie- en uitstroombeleid en de inzet van participatiemiddelen. De gemeenten behouden derhalve ook de mogelijkheid om gesubsidieerde arbeid in te zetten als één van de instrumenten voor de toeleiding naar werk. In onderstaande tabel is – zoals uw Kamer eerder is gemeld – de besparing weergegeven.
2012
2013
2014
2015
structureel
Gerichte re-integratie en begeleiding ontschotte WWB, Wsw en Wajong
– 400
– 490
– 620
– 690
– 500
Hoeveel ID-ers en Wiw-ers zijn in de periode 2000 tot en met 2011 uitgestroomd naar een reguliere baan op het totaal aantal ID-ers en Wiw-ers (in absolute aantallen en percentages)?
Zie antwoord op vragen 1 en 2
Bent u bereid deze vragen voor het algemeen overleg over arbeidsmarktbeleid van 7 september a.s. te beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat winkelpersoneel in Zoetermeer gedwongen wordt om op zondag te werken |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP), Carola Schouten (CU), Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht van CNV Dienstenbond dat winkelpersoneel in Zoetermeer onder grote druk staat om op zondag te werken?1
Ja.
Hoe waardeert u in dit licht de wijze waarop de gemeente Zoetermeer invulling heeft gegeven aan artikel 3, lid 6, onderdeel 1, van de Winkeltijdenwet?
Zoals ik in mijn brieven van 21 juni en 18 augustus 2011 op eerdere vragen over het instellen van het toeristisch regime in de gemeente Zoetermeer heb aangegeven, voldoet het besluit van de gemeente Zoetermeer naar mijn mening aan de eisen die de toerismebepaling stelt. Hierbij wordt wel aangetekend dat er bezwaar is ingediend tegen het besluit van de gemeente Zoetermeer. Tegen het besluit op dit bezwaar kan beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. De rechter heeft het laatste woord bij de beoordeling van de vraag of de gemeente Zoetermeer terecht gebruik heeft gemaakt van de toerismebepaling.
Erkent u dat sprake is van een bredere trend waarin met het toenemende aantal koopzondagen steeds meer winkelpersoneel tegen hun zin op zondag moet werken en daarbij ook sprake is van het niet uitkeren van toeslagen en dreigen met ontslag?2
Ik kan niet overzien of er sprake is van een bredere trend. Ik wil er echter op wijzen dat de bescherming van werknemers voor het werken op zondag wettelijk is geregeld. Daarnaast dienen ook gemeenten op grond van de Winkeltijdenwet het belang van de werkgelegenheid en economische bedrijvigheid in de gemeente, waaronder mede wordt begrepen het belang van winkeliers met weinig of geen personeel en van winkelpersoneel, mee te wegen, indien zij op grond van de toerismebepaling meer dan 12 koopzondagen aanwijzen.
Erkent u dat het voor winkelpersoneel gelet op opleidingsniveau en arbeidsaanbod moeilijk is om hun rechten te doen laten gelden?
Zowel de wetgeving (Arbeidstijdenwet) als veel cao’s bieden de mogelijkheid tot het werken op zondag. Aan het werken op zondag zijn echter wel voorwaarden verbonden. Het is, vanuit het beginsel van goed werkgeverschap, belangrijk dat hierover goede afspraken worden gemaakt tussen werkgever en werknemers. De bescherming van werknemers voor het werken op zondag is in de Arbeidstijdenwet geregeld. Werknemers die onder druk worden gezet om op zondag te werken, kunnen zich op deze wet beroepen. Bovendien is in artikel 7:670, negende lid, Burgerlijk Wetboek opgenomen dat de werknemer niet ontslagen mag worden vanwege het enkele feit dat hij weigert op zondag arbeid te verrichten in geval bedrijfsomstandigheden hiertoe nopen. Wordt hij toch ontslagen, dan is er sprake van onrechtmatig handelen. Werknemers die onder druk worden gezet om op zondag te werken, dus ook het winkelpersoneel, kunnen zich op deze wetten beroepen, afhankelijk van de situatie die voor hen geldt. Indien gewenst kan de vakbond of belangenorganisatie hierbij een ondersteunende rol spelen.
Hoe waardeert u de gesignaleerde trend in het licht van artikel 5, lid 6, van de Arbeidstijdenwet en welke consequenties verbindt u daaraan?
Het uitoefenen van druk op personeel om op zondag te werken en het dreigen met ontslag is ongewenst. Zoals ik hierboven reeds heb aangegeven, kunnen werknemers die hiermee te maken krijgen zich op de Arbeidstijdenwet en het Burgerlijk Wetboek beroepen. Omdat zowel de cao-bepalingen, artikel 5:6 Arbeidstijdenwet als het Burgerlijk Wetboek onder het burgerlijk recht vallen, dient de werknemer die van mening is dat zijn werkgever onrechtmatig handelt, zijn zaak, eventueel via de vakbond, voor te leggen aan de rechter.
Op grond van de toerismebepaling uit de Winkeltijdenwet zijn gemeenten verplicht het belang van de werkgelegenheid en economische bedrijvigheid in de gemeente, waaronder mede wordt begrepen het belang van winkeliers met weinig of geen personeel en van winkelpersoneel, mee te wegen. Het is echter aan de gemeente om te bepalen hoe en hoe zwaar ze deze belangen meeweegt.
Hoe waardeert u de gesignaleerde trend in het licht van artikel 3, lid 6, onderdeel 1, van de Winkeltijdenwet en welke consequenties verbindt u daaraan?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de Arbeidsinspectie onderzoek te laten doen naar de naleving van artikel 5, lid 6, van de Arbeidstijdenwet en de betreffende cao-onderdelen?
Zowel cao-afspraken als de regelgeving over zondagsarbeid dienen te worden nageleefd. Omdat echter beide onder het burgerlijk recht vallen, ziet de overheid (in casu de Arbeidsinspectie) niet toe op de naleving van genoemde bepalingen. De werknemer die van mening is dat zijn werkgever in strijd met artikel 5:6 van de Arbeidstijdenwet handelt, kan dit voorleggen aan de rechter en op deze wijze zijn recht krijgen. De overheid (in casu de Arbeidsinspectie) kan en wil hier niet in treden. Toezicht op de naleving van cao-bepalingen is primair een taak van de vakbond of belangenorganisatie.
Onwettige uitzendconstructies voor Poolse werknemers |
|
Martijn van Dam (PvdA), Hans Spekman (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u zich op de hoogte gesteld van de uitspraak van de Rechtbank in Roermond die heeft bepaald dat de uitzendconstructie van een transportbedrijf voor Poolse werknemers onwettig is en dat Poolse chauffeurs moeten worden betaald volgens de Nederlandse CAO?
Ik heb kennis genomen van de uitspraak.
Weet u hoeveel van dergelijke constructies er bestaan in Nederland en om hoeveel arbeidskrachten uit onder meer Polen het hier gaat? Zo nee, bent u bereid dit in samenwerking met de FNV en de brancheorganisatie uit te zoeken?
Er zijn geen gegevens bekend over het aantal constructies zoals de constructie waarover de Rechtbank zich heeft uitgesproken. Cao-partijen hebben zelf de verantwoordelijkheid als het gaat om de handhaving van de cao, en kunnen indien gewenst (binnen de voorwaarden van artikel 10 Wet AVV) de hulp inroepen van de Arbeidsinspectie. Het is dan ook primair aan cao-partijen om eventueel onderzoek te doen naar het vóórkomen van dergelijke constructies.
Kunt u schetsen wat volgens u de gevolgen van deze uitspraak zullen zijn voor vergelijkbare uitzendconstructies, die vooral bedoeld zijn om werknemers uit Midden- en Oost-Europa tegen lage lonen in dienst te nemen? Deelt u de mening dat in afwachting van het hoger beroep, deze uitspraak leidend moet zijn in de handhaving?
Indien een Nederlands bedrijf buitenlandse werknemers tijdelijk inhuurt via een buitenlands uitzendbureau geldt de Detacheringsrichtlijn (96/71/EC, vertaald in de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid) als uitgangspunt. Dit betekent dat bijvoorbeeld de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag moet worden nageleefd. De kantonrechter heeft dit bevestigd. De uitspraak is nog voorwerp van hoger beroep. Tevens moeten – wanneer bepalingen van een cao algemeen verbindend zijn verklaard – de kernarbeidsvoorwaarden zoals die omschreven zijn in de Wet AVV worden nageleefd. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 zijn cao-partijen zelf verantwoordelijk als het gaat om de handhaving van de cao.
Wanneer sprake is van de situatie dat er structureel in Nederland gewerkt wordt, is het Nederlands arbeidsrecht van toepassing. Wanneer er slechts tijdelijk in Nederland wordt gewerkt zijn de Detacheringsrichtlijn en de kernbepalingen die genoemd worden in de Wet AVV van toepassing. De handhavingsactiviteiten van de Arbeidsinspectie vinden op die basis plaats en zullen als gevolg van de uitspraak niet wijzigen.
Bent u bereid illegale uitzendconstructies actief op te sporen en aan te pakken en daarvoor, desnoods tijdelijk, extra inspecteurs bij de Arbeidsinspecties aan te stellen?
De partijen betrokken bij de «cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen» hebben hun verantwoordelijkheid genomen door werk te maken van de civielrechtelijke handhaving van de cao.
Daarnaast hebben de verantwoordelijke toezichthouders, naar aanleiding van de recente signalen over constructies en wetsontduiking in de transportsector, de samenwerking gezocht. De Arbeidsinspectie en de Inspectie Verkeer en Waterstaat trekken gezamenlijk op in de transportsector. Met inzet van de thans beschikbare capaciteit en expertise van beide diensten, wordt het ontduiken van de wet- en regelgeving tegengegaan. Dit laat onverlet dat, zoals beschreven in bovenstaande antwoorden de verantwoordelijkheid voor de handhaving van cao-afspraken bij cao-partijen ligt, en in casu ook is genomen. Het aanstellen van extra inspecteurs bij de arbeidsinspectie is dan ook niet aan de orde.
Bent u bekend met het feit dat bedrijven zich steeds vaker buiten Nederland willen of zijn gaan vestigen om op die manier alsnog werknemers uit Midden- en Oost-Europa onder het Nederlandse CAO loon te laten werken op de Nederlandse arbeidsmarkt? Wat vindt u van de dit gedrag, waarbij de afdrachten aan de belastingdienst en eerlijke betaling van Nederlandse werknemers wordt ontweken?
Voor zover er gegevens zijn over verplaatsingen van bedrijven naar het buitenland, is mij niet bekend welke motieven hieraan ten grondslag liggen.
De arbeidsomstandigheden op de bouwplaats van een energiecentrale in de Eemshaven |
|
Mirjam Sterk (CDA), Marieke van der Werf (CDA) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Bouwvakker Eemshaven alsnog overleden»?1
Ja.
Hoeveel arbeidsongevallen hebben zich sinds de start van de bouw van de energiecentrale voorgedaan? Hoeveel met dodelijke afloop?
Vanaf 1 januari 2010 tot en met half augustus 2011 hebben zich in totaal 10 meldingsplichtige ongevallen voorgedaan op de bouwplaats van energiecentrale RWE, waarvan 1 met dodelijke afloop. Het ongeval met dodelijke afloop heeft op 16 februari 2011 plaatsgevonden. Het slachtoffer is in juli overleden.
Naast RWE zijn er nog twee energiecentrales in de Eemshaven in aanbouw. Bij geen van deze in aanbouw zijnde energiecentrales hebben zich dodelijke ongevallen voorgedaan.
Is door de Arbeidsinspectie onderzoek gedaan naar de arbeidsomstandigheden? Is dit onderzoek inmiddels afgerond? Zo ja, wat is het oordeel van de Arbeidsinspectie over de situatie op de bouwplaats?
Ja, er is onderzoek gedaan. Sinds de start van de werkzaamheden voor de energiecentrale van RWE zijn er door de Arbeidsinspectie diverse overtredingen geconstateerd met betrekking tot de arbeidsomstandigheden en arbeidstijden. Naar aanleiding hiervan zijn handhavingsacties uitgevoerd. Het bedrijf heeft daarop de nodige maatregelen getroffen om de arbeidsomstandigheden op de bouwplaatsen te verbeteren, zoals meer fysieke controles op deze bouwplaatsen door veiligheidsfunctionarissen, het regelmatig houden van bijeenkomsten met de bedrijven over de veiligheid, meer aandacht voor opleiding, instructie en toezicht, het verbeteren van de coördinatie tussen bijvoorbeeld verschillende steigerbouwers en ook voorlichtingsbijeenkomsten voor buitenlandse bedrijven over de Nederlandse wetgeving. Wekelijks voert de Arbeidsinspectie controles uit bij RWE.
Is er een relatie tussen de specifieke eisen aan de bouw van deze energiecentrale en de aard en omvang van de ongevallen?
De eisen met betrekking tot de bouw van deze energiecentrale wijken niet af van die voor andere bouwwerken van grote omvang. Bij dit soort bouwwerken waar gewerkt wordt met een groot netwerk van aannemers en onderaannemers worden hoge eisen gesteld aan de planning en de coördinatie van de werkzaamheden. Op basis van de beschikbare gegevens is er geen relatie te leggen tussen de bouwwerkzaamheden en de aard en omvang van de ongevallen die hebben plaatsgevonden bij de bouw van energiecentrale RWE.
Welke maatregelen zijn en/of worden door u genomen om de arbeidsomstandigheden op de bouwplaats van de energiecentrale te verbeteren en het aantal ongevallen te verminderen?
Zoals aangegeven hebben de interventies van de Arbeidsinspectie geleid tot een structurele verbetering van de veiligheidssituatie op de bouwplaats. Ter controle van de consequente uitvoering van de door de werkgevers getroffen maatregelen worden ter plekke wekelijks fysieke controles uitgevoerd. Waar nodig wordt gehandhaafd in de vorm van waarschuwingen, stilleggingen, eisen en (ongevallen-)boeterapporten. Ook vindt periodiek overleg plaats met de bouwleiding.
Arbeidsvoorwaarden in de gemeentelijke thuiszorg |
|
Linda Voortman (GL), Renske Leijten , Jeroen Recourt (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het kwaliteitsconvenant over de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO)-thuiszorg, waarin staat dat signaleren bij mensen thuis intrinsiek onderdeel is van het werk van een thuiszorgmedewerker? Bent u zich ervan bewust dat dit convenant is getekend door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS), Stichting LOC zeggenschap in de zorg en de thuiszorgbranche?1
Ja.
In welke gemeenten wordt het kwaliteitsconvenant gehanteerd bij de aanbesteding van de huishoudelijke thuiszorg? Bent u bereid dit te onderzoeken?
Het exacte aantal gemeenten dat het «Kwaliteitsdocument Verantwoorde Hulp bij het Huishouden» in het bestek opneemt, is mij niet bekend. Mijn beeld is dat steeds meer gemeenten dit doen. De verplichting voor een aanbieder van hulp bij het huishouden om conform het kwaliteitsdocument te werken, volgt overigens al uit de Kwaliteitswet zorginstellingen. De Kwaliteitswet zorginstellingen is namelijk van toepassing op aanbieders van hulp bij het huishouden. Dit houdt in dat deze aanbieders «verantwoorde zorg» moeten bieden. Het kwaliteitsdocument bevat de normen voor verantwoorde zorg, waaronder signalering, op basis waarvan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) toezicht houdt. Indien een gemeente het werken conform het kwaliteitsdocument opneemt in het bestek, worden de normen voor verantwoorde zorg ook een contractuele verplichting.
Het lijkt mij derhalve niet nodig om onderzoek te doen naar het aantal gemeenten dat het kwaliteitsdocument in het bestek opneemt, omdat aanbieders van hulp bij het huishouden reeds uit hoofde van de Kwaliteitswet zorginstellingen de normen voor verantwoorde zorg dienen na te leven.
Hoe verklaart u dat het taakelement «signalering» via de functiewaardering gezondheidszorg (FWG) in functiegroep 15 behoort, maar dat thuiszorgaanbieders dit taakelement in functiegroep 10 waarderen?
Werkgevers en werknemers hebben de CAO Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT) afgesloten. Hierin zijn afspraken over arbeidsvoorwaarden vastgelegd. Betrokken partijen dienen zich daar aan te houden. Wanneer er verschil van mening bestaat over arbeidsvoorwaarden (waaronder de functiewaardering) die in een CAO geregeld zijn, dan voorzien zowel die CAO als het arbeidsrecht in procedures om een uitspraak over zo’n meningsverschil te krijgen. Die procedures lopen tussen de betrokken CAO-partijen of tussen individuele werknemers tegen individuele werkgevers, waarbij werknemers zich meestal laten bijstaan door hun vakbond of hun rechtsbijstandverzekeraar.
In die procedures past het niet dat een bewindspersoon uitspraken doet over arbeidsvoorwaardelijke geschillen.
Bent u zich ervan bewust dat voor FWG functiegroep10 geldt dat signaleren géén onderdeel is van het werk, waardoor lager opgeleid personeel kan worden ingezet? Zo ja, hoe verhoudt dit gegeven zich tot het kwaliteitsconvenant?
Zoals aangegeven bij het antwoord op uw vraag 2 dienen aanbieders van hulp bij het huishouden zich uit hoofde van de Kwaliteitswet zorginstellingen te houden aan de normen voor verantwoorde zorg, zoals opgenomen in het «Kwaliteitsdocument Verantwoorde Hulp bij het Huishouden». Dit betekent dat de signaleringstaak – waar u terecht aandacht voor vraagt – te allen tijde geborgd dient te zijn.
Indien gemeenten bovenop de afspraken die opgenomen zijn in het kwaliteitsdocument aanvullende eisen stellen, dienen aanbieders contractueel aan deze eisen te voldoen. De gemeente houdt zelf toezicht of daadwerkelijk aan deze aanvullende eisen wordt voldaan.
Erkent u dat een convenant enkel waarde heeft als alle ondertekenaars ook naleving van het convenant waarborgen? Zo ja, vindt u dat dit gebeurt op dit moment? Zo nee, waarom sluit uw ministerie dan convenanten af?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat eisen, die gemeenten stellen aan uit te voeren werkzaamheden ook één op één vertaald dienen te worden in de taakomschrijving voor de werknemers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u hierop toezien?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat verlaging van het salaris voor thuiszorgmedewerkers niet de aantrekkelijkheid van werken in de zorg vergroot? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u eraan doen?
Zoals ik mijn brief «vertrouwen in de zorg» heb aangegeven, vind ik waardering voor medewerkers in de zorg van het grootste belang. Het is volstrekt helder dat een salarisverlaging voor de betrokken thuiszorgmedewerkers zeer vervelend is en deze kwestie niet bijdraagt aan het beeld dat werken in de zorg aantrekkelijk is.
Dit laat onverlet dat werkgevers en werknemers gezamenlijk afspraken maken over de arbeidsvoorwaarden. Uit het feit dat er een CAO VVT is afgesproken kan afgeleid worden dat er overeenstemming bestaat tussen de betrokken werkgevers en de betrokken werknemers over een arbeidsvoorwaardenpakket waar beide partijen mee kunnen leven. Het is niet aan mij om vervolgens nog een oordeel over deze arbeidsvoorwaarden te geven.
Wilt u toelichten hoe de gang van zaken bij Viva Zorggroep zich verhoudt tot de verbindendverklaring door de regering van de CAO Verpleeg Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT), waarin een salarisgarantieregeling is opgenomen?
De CAO VVT is nog niet voor algemeen verbindend verklaring aangedragen bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Maar omdat de ViVa! Zorggroep lid is van Actiz, geldt deze CAO desalniettemin. In mijn antwoord op uw vraag 3, heb ik al aangegeven welke procedures bewandeld kunnen worden als er een conflict is over arbeidsvoorwaarden die zijn vastgelegd in de CAO.
Voor de volledigheid wil ik er hier op wijzen dat de salarisgarantieregeling in de CAO, waar u aan refereert, slaat op situaties waarbij er sprake is van overname van personeel door andere zorgaanbieders. Die situatie is in het voorliggende geval van de ViVa! Zorggroep niet aan de orde.
Tewerkstellingsvergunningen voor Roemenen in de seizoensarbeid in de tuinbouw |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de voorzieningenrechter in Den Haag over de afwijzing van aanvragen tot het verlenen van tewerkstellingsvergunningen voor Roemenen in de seizoenarbeid in de tuinbouw die inhoudt dat de afwijzing door de rechter wordt geschorst?1
Ja.
Wat is uw reactie op de kritiek van de rechter dat uw beleid om aanvragen voor werkvergunningen strenger te toetsen niet voldoende zorgvuldig is voorbereid, een draagkrachtige motivering ontbeert en in strijd is met het vertrouwensbeginsel en het beginsel van een evenredige belangenafweging? Bent u bereid om met terugwerkende kracht te erkennen dat het verstandig zou zijn geweest om, zoals de Tweede Kamer heeft gevraagd in de motie Van Hijum c.s, een ruimhartiger overgangsbeleid te voeren, gebaseerd op de afspraken die eerder met de sector over de personeelsvoorziening in de land- en tuinbouw zijn gemaakt?
De rechter heeft bij wijze van voorlopige voorziening uitspraak gedaan op het verzoek van enkele tuinders om alsnog hun aanvragen om tewerkstellingsvergunningen toe te kennen. UWV moet nog beslissingen nemen op de bewaarschriften die door deze tuinders zijn ingediend. Daarbij zal UWV uiteraard ook de overwegingen van de rechter betrekken. Ik vind het niet juist om vooruit te lopen op deze beslissingen op bezwaar door in te gaan op de inhoud van de uitspraak van de rechter. Wel verwijs ik naar mijn brief van 22 augustus 2011, waarin ik concludeer dat mede door het beleid tot 1 juli, de tuinders hun weg hebben gevonden naar prioriteitgenietend aanbod.
Hoeveel werkvergunningen zijn er in de periode van 1 januari tot 1 juli 2011 daadwerkelijk aangevraagd en verleend? Hoe verhoudt dit aantal zich tot de (gehonoreerde) aanvragen in voorgaande jaren? Hoeveel werklozen zijn er daadwerkelijk ingezet op vacatures in dezelfde periode? In hoeverre is er alternatief aanbod beschikbaar gesteld door uitzendbureaus?
In de periode 1 januari tot 1 juli 2011 heeft UWV in totaal 1 836 tewerkstellingsvergunningsaanvragen afgehandeld. Hiervan zijn er 850 toegekend. Verder zijn 313 aanvragen door de werkgever stopgezet, en zijn er 673 geweigerd. In dezelfde periode in 2010 heeft UWV 2 088 aanvragen afgehandeld. Hiervan zijn er 2 038 verleend, 49 door de werkgever stopgezet en 1 geweigerd. Voor de inzet van werklozen in de tuinbouw en het aanbod van uitzendbureaus verwijs ik naar mijn hier voor genoemde brief van 22 augustus 2011.
Wat is uw reactie op de constatering van de rechter dat de evident gewijzigde toetsingsmaatstaf bij de beoordeling van aanvragen voor werkvergunningen een inbreuk zou kunnen opleveren van de standstillbepalingen op grond van de toetredingsverdragen tussen de Europese Unie en Roemenië en Bulgarije? Welke gevolgen heeft dit voor de wijze waarop aanvragen voor werkvergunningen voor mensen uit Roemenië en Bulgarije worden beoordeeld na 1 juli, zoals toegelicht in uw brief aan de Kamer van 8 juli 2011?
De stand still-bepalingen bij de Toetredingsverdragen met Bulgarije en Roemenië houden in dat de toepassing van overgangsmaatregelen met betrekking tot vrij werknemersverkeer met Bulgarije en Roemenië (zoals het vereiste van een tewerkstellingsvergunning) niet mag leiden tot strengere voorwaarden voor de toegang van Bulgaarse/Roemeense werknemers tot de arbeidsmarkt dan ten tijde van de ondertekening van de Toetredingsverdragen.
Van strengere voorwaarden is echter geen sprake. Op werknemers uit Bulgarije en Roemenië is de Wet arbeid vreemdelingen van toepassing. Het uitgangspunt van de Wet arbeid vreemdelingen, namelijk dat een tewerkstellingsvergunning wordt geweigerd wanneer prioriteitgenietend aanbod aanwezig is dat beschikbaar en inzetbaar is, geldt nog steeds.
De beantwoording van de vraag of er prioriteitgenietend aanbod is hangt af van de concrete omstandigheden op de arbeidsmarkt, en kan van tijd tot tijd verschillen, al naar gelang de arbeidsmarktomstandigheden veranderen. In de afgelopen jaren zijn de feitelijke omstandigheden op de arbeidsmarkt gewijzigd: het aantal arbeidsmigranten uit de Midden- en Oost-Europese landen is verder toegenomen. Uitzendbureaus hebben concreet prioriteitgenietend aanbod uit deze landen beschikbaar voor werk in de tuinbouw. Het betreft niet alleen mensen die al in Nederland zijn, maar ook mensen die bereid zijn om op korte termijn naar Nederland te komen.
Het oordeel van UWV met betrekking tot de aanwezigheid van prioriteitgenietend aanbod is aangepast aan de gewijzigde arbeidsmarktsituatie. De grotere aanwezigheid van beschikbaar prioriteitgenietend aanbod kan leiden tot een andere uitkomst, in dit geval dat er minder tewerkstellingsvergunningen worden verleend. Een andere uitkomst betekent echter niet dat sprake is van strengere voorwaarden.
Welke gevolgen heeft de uitspraak van de rechter precies voor de uitvoeringspraktijk? Van hoeveel vergunningaanvragen is de afwijzing geschorst? Hoeveel vergunningen worden er alsnog geacht te zijn verleend? Bent u bereid om met terugwerkende kracht te bezien welke afwijzingen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekering (UWV) nog meer voor herziening in aanmerking zouden moeten komen, op grond van de criteria die de rechter hanteert?
De 16 tuinders aan wie een voorlopige voorziening is toegewezen mogen de Bulgaren en Roemenen voor wie UWV een tewerkstellingsvergunning heeft geweigerd alsnog laten werken, tot maximaal 6 weken na de beslissing op bezwaar van UWV.
In totaal betreft het 180 tewerkstellingsvergunningen die geacht worden alsnog te zijn verleend.
UWV bereidt op dit moment de beslissingen op bezwaar voor in de zaken van de 16 tuinders.
Het alternatieve plan van FNV Bondgenoten voor de pensioenen en AOW |
|
Paul Ulenbelt , Sadet Karabulut |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Bent u bereid de brief waaruit blijkt dat het alternatieve plan van FNV Bondgenoten voor pensioenen en AOW een gat van € 1,65 miljard slaat in de begroting voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zo spoedig mogelijk naar de Kamer te sturen?1
Een kopie van mijn brief treft u hierbij aan (ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer).
Het Financieel Diensten Centrum in Kerkrade |
|
Frans Timmermans (PvdA), Angelien Eijsink (PvdA), Pauline Smeets (PvdA) |
|
![]() |
Bent u van plan het Financieel Diensten Centrum (FDC) in Kerkrade te sluiten en het vervolgens onder te brengen in Utrecht?1 Zo ja, zullen hierdoor de werknemers hun baan verliezen?
Overeenkomstig de toezegging in mijn brief van 28 juni jl. (Kamerstuk 32 733, nr. 36) informeer ik u nog deze maand over het Herbeleggingsplan Vastgoed Defensie, waarvan het Financieel Diensten Centrum in Eygelshoven onderdeel is. Over de herbelegging van het vastgoed is op dit moment nog bestuurlijk overleg gaande.
Is het FDC in 2008 niet juist naar Kerkrade gekomen ter (beperkte), compensatie van het banenverlies als gevolg van de sluiting van het Amerikaanse depot in Eygelshoven? Zo ja, hoe kan dan binnen drie jaar alweer worden besloten de geboden compensatie, die in omvang veel beperkter was dan het banenverlies, teniet te doen?
Zie antwoord vraag 1.
Zult u ervoor zorgen dat het FDC gewoon in Kerkrade blijft, opdat u zich daarmee houdt aan de gemaakte afspraken over de compensatie aan Kerkrade? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Vutters die ondanks faillissement bedrijf geen uitkering ontvangen |
|
Paul Ulenbelt |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat ongeveer twintig mensen die vanwege faillissement van hun ex-werkgever (Boekelo Decor) niet meer een uitkering op basis van de VUT-regeling ontvangen en volgens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) geen recht hebben op een WW-uitkering, terwijl werknemers dat recht wel hebben?1
Een persoon die na beëindiging van de dienstbetrekking gebruik gaat maken van een volledige VUT-regeling zal niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Om die reden is hij of zij niet als werkloos te beschouwen. Als betrokkene zich na de VUT-uitkering wel beschikbaar stelt voor de arbeidsmarkt, ontstaat op dat moment werkloosheid. In de regel geldt dat in die situatie in de 36 weken gelegen vóór die eerste werkloosheidsdag dan nimmer 26 gewerkte weken als werknemer zullen liggen. Betrokkene voldoet niet aan de wekeneis en heeft geen aanspraak op WW.
Ook bestaat er geen recht op een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW als er sprake is van betalingsonmacht van de werkgever. Een VUT-uitkering is namelijk geen loon uit dienstbetrekking, zoals bedoeld in Hoofdstuk IV van de WW.
Hoeveel bedrijven betalen VUT-regelingen rechtstreeks uit de bedrijfsmiddelen? Hoeveel mensen lopen het risico geen VUT-uitkering meer te ontvangen als hun ex-werkgever failliet gaat?
Het is onbekend hoeveel bedrijven een Vervroegde Uittreding (VUT-)regeling betalen uit de bedrijfsmiddelen. VUT-regelingen zijn – anders dan (pre)pensioen – omslagregelingen. Werkenden, per bedrijf of sector, betalen premie voor de uitkeringen aan mensen die op dat moment gebruikmaken van de VUT.
Voor de meeste werknemers zijn VUT-regelingen afgesproken in sectorverband (cao’s). Deze regelingen worden veelal uitgevoerd door een VUT-fonds of een verzekeraar. Het komt voor dat een VUT-regeling in eigen beheer (op bedrijfsniveau) is afgesproken. Als een individuele werkgever failliet gaat, dan kan de consequentie zijn dat mensen geen uitkering meer ontvangen op basis van de VUT-regeling. De indruk is dat dit in de praktijk bijna nooit gebeurt.
De groep werknemers wie het betreft zal in omvang beperkt zijn en afnemen omdat per 1 januari 2006 de fiscale faciliteiten voor VUT zijn afgeschaft. Alleen werknemers die op 31 december 2004 55 jaar of ouder waren, kunnen nog gebruik maken van de fiscale faciliëring.
Is het waar dat deze VUT-ters geen recht hebben op een werkloosheidsuitkering? Zo ja, waarop is dat gebaseerd?
Zoals bij het antwoord op vraag 1 is aangegeven moet om in aanmerking te komen voor WW-uitkering aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Als deze VUT-ters niet aan deze voorwaarden, zoals opgenomen in de WW, voldoen bestaat geen recht op een werkloosheidsuitkering.
Bent u bereid om met spoed in overleg te treden met het UWV om zo snel mogelijk een oplossing voor deze mensen, die vaak meer dan 40 jaar sociale premies hebben betaald, tot stand te brengen? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen mogelijkheden om in overleg met het UWV te komen tot een oplossing. Zoals ik hiervoor bij het antwoord op vraag 1 en 3 heb aangegeven zal geen recht bestaan op een WW-uitkering als deze VUT-ters niet aan de voorwaarden voldoen.
Zou bijvoorbeeld in een beleidsregel of instructie van het UWV kunnen worden vastgelegd dat loon-gerelateerteerde uitkeringen, die op basis van cao of bedrijfsregeling rechtstreeks door het bedrijf worden gedaan, worden beschouwd als loon bij toepassing van de Werkloosheidswet? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk om een beleidsregel of instructie van het UWV op dit punt aan te passen. Die bevoegdheid heeft het UWV niet op grond van de WW. Een zodanige aanpassing kan alleen via wetswijziging van de WW worden gerealiseerd. Ik zie daartoe echter geen aanleiding. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Is het eerder gebeurd dat VUTters geen VUT-uitkering meer kregen na faillissement van de ex-werkgever? Zo nee, is er dan sprake van een omstandigheid die bij het opstellen van regels bij werknemersverzekeringen niet is voorzien?
UWV heeft mij laten weten dat er één zaak bekend is, dat was ongeveer 10 jaar geleden. Deze aanvragen om WW zijn destijds door het UWV afgewezen. De situatie waarin VUT-ters geen VUT-uitkering meer krijgen na faillissement van de ex-werkgever lijkt dus weinig voor te komen. De werknemersverzekeringen zijn bedoeld om werknemers te verzekeren tegen het inkomensverlies als ze werkloos, arbeidsongeschikt of ziek worden. In de onderhavige kwestie – VUT-ters bij een failliete werkgever – is daarvan geen sprake.