Ingediend | 3 februari 2025 |
---|---|
Beantwoord | 5 maart 2025 (na 30 dagen) |
Indiener | Julian Bushoff (PvdA) |
Beantwoord door | Fleur Agema (PVV) |
Onderwerpen | organisatie en beleid zorg en gezondheid |
Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2025Z01805.html |
Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20242025-1548.html |
Ja.
Ik deel uw zorgen in de zin dat ik mij ook zorgen maak over de druk op de zorg.
Een SEH-stop is echter in de eerste plaats een logistiek instrument en hulpmiddel om de zorgvraag op SEH’s op piekmomenten te reguleren, zie in dit verband ook antwoorden op eerdere Kamervragen op 13 februari 20242. Een SEH-stop wordt gebruikt om vroegtijdig piekbelasting te kunnen melden, zodat ketenpartners kunnen uitwijken naar een andere locatie. Het instrument is daarmee van belang voor de samenwerking in de regio, tussen ziekenhuizen onderling, tussen ambulancediensten en ziekenhuizen en tussen huisartsen en ziekenhuizen en draagt bij aan de patiëntveiligheid en kwaliteit van de zorg. Daarnaast wordt gewerkt aan de implementatie van zorgcoördinatie met inzicht in actuele zorgcapaciteit, zodat gericht verwezen kan worden en onnodig wachten kan worden voorkomen.
Zoals ook in de uitzending van Max Meldpunt wordt aangegeven worden ambulancediensten door middel van het afkondigen van een SEH-stop vroegtijdig geïnformeerd om een ander ziekenhuis aan te rijden. Daarmee wordt dus een onwenselijke situatie van overbelasting voorkomen, de patiënt kan op een andere SEH eerder geholpen worden en het ambulanceteam is eerder inzetbaar voor een volgende oproep.
In de ROAZ-regio’s wordt onderling afgestemd hoe de beschikbare capaciteit zo goed mogelijk kan worden benut. Daarmee wordt zo veel mogelijk voorkomen dat een SEH met capaciteitsproblemen patiënten toch moet aannemen. Er is daarnaast een vaste afspraak dat patiënten met een levensbedreigende acute zorgvraag altijd terecht kunnen in een ziekenhuis, ongeacht of op dat moment sprake is van een SEH-stop. Deze patiënten worden dus vervoerd naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis waar de noodzakelijke zorg verleend kan worden. Zo is bijvoorbeeld een level-1 traumacentrum te allen tijde toegankelijk voor de opvang van ernstig gewonde patiënten.
Op de website van het Landelijke Netwerk Acute Zorg (LNAZ) wordt ieder kwartaal een overzicht van het aantal SEH-stops gepubliceerd, geaggregeerd op ROAZ-regio niveau.3
Binnen het Integraal Zorgakkoord (IZA) zijn afspraken gemaakt om de piekbelasting van SEH’s op te vangen, door onder andere door inrichting van zorgcoördinatie en verdergaande samenwerking in de regio’s door te zorgen voor de juiste zorg op de juiste plek en de beschikbaarheid van medische gegevens. Hierover wil ik ook aanvullende afspraken maken in het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord (AZWA). De Nederlandse Federatie Universitair medische centra (NFU) en de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) hebben onderzoek4 gedaan naar het terugdringen van overmatige drukte op de SEH. Het optimaliseren van het transferproces is een van de strategieën die ingezet kunnen worden. Input vanuit dit onderzoek worden gebruikt bij de uitwerking van de ROAZ plannen voor het terugdringen van overmatige drukte op de SEH’s. ROAZ regio’s zijn momenteel de afspraken die zijn opgenomen in de ROAZ plannen en de bijbehorende activiteiten aan het uitwerken en implementeren. Het is op dit moment nog niet te zeggen welke effecten dit heeft.
Nee, dat klopt niet. Het LNAZ publiceert ieder kwartaal een rapportage over alle SEH-stops in Nederland, gebaseerd op informatie uit het Landelijk Platform Zorgcoördinatie (LPZ). Mogelijk duidt u met uw vraag op regio’s waarvoor geldt dat wanneer in uitzonderlijke gevallen, volgens de geldende regionale afspraken een stop afgekondigd en gecommuniceerd wordt, en deze niet in automatisch in het LPZ wordt vermeld. In dat geval wordt dit door de regio handmatig aan het overzicht toegevoegd.
Zoals aangegeven is een SEH-stop een instrument om via het LPZ partners in de zorgketen vroegtijdig te informeren over drukte op een bepaalde locatie. Het is geen meldingsinstrument in het kader van toegankelijkheid van zorg.
Als het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ) concludeert dat de knelpunten in de bereikbaarheid of beschikbaarheid van acute zorg niet opgelost kunnen worden in een regio, dan is het traumacentrum, die verantwoordelijk is voor het organiseren van het ROAZ, belast met het informeren van de Inspectie en de aangewezen zorgverzekeraar over deze knelpunten6.
Zoals hierboven aangegeven deel ik de zorg over capaciteitstekorten. Daarom werk ik er ook hard aan om het personeelstekort in de zorg terug te dringen. Een SEH-stop is echter in de eerste plaats een logistiek instrument en hulpmiddel om de zorgvraag op SEH’s op piekmomenten te reguleren. Als de zorgvraag het zorgaanbod overstijgt, los van de reden hiervan, dan wordt er tijdelijk en kortdurend een SEH-stop afgekondigd. Een beddentekort in het ziekenhuis staat in principe los van het afkondigen van een SEH-stop.
Het is wel mogelijk dat er lokaal problemen zijn met doorstroming vanwege personeelskrapte. Daar staan ook oplossingen tegenover. In Friesland is er bijvoorbeeld een centraal triageteam en zijn er tijdelijke opvanglocaties om de overgang tussen ziekenhuis/SEH en thuis beter in te regelen. In die regio kunnen vaker mensen na een bezoek aan de SEH of een opname in het ziekenhuis weer terug naar huis in plaats van naar het verpleeghuis. Ook in andere regio’s zijn er initiatieven om de doorstroming te bevorderen. Zo was ik onlangs in het UMCG in Groningen. Daar heb ik uitleg gekregen hoe een Critical Decision Unit (CDU) kan bijdragen aan het verlagen van piekdrukte op de SEH’s en de doorstroom in de keten bevordert. Zo is iedere regio aan het werk om de doorstroom in de acute zorgketen te bevorderen.
Ik heb geen overzicht van patiënten in ziekenhuizen die wachten op vervolgzorg buiten het ziekenhuis. Het is aan partijen om regionaal afspraken te maken over hoe de uitstroom van patiënten uit het ziekenhuis efficiënter vorm gegeven kan worden en te voorkomen dat patiënten onnodig lang in het ziekenhuis verblijven. Ik zet in op een goede toegankelijkheid van tijdelijk verblijfbedden zoals ELV (eerstelijnsverblijf)-bedden, bedden in de Wijkkliniek en (ambulante) geriatrische revalidatiezorg. Ouderen die na een ziekenhuisbezoek nog niet naar huis kunnen en nog zorg nodig hebben, kunnen dan hier terecht. Op regionaal niveau werken zorgaanbieders aan betere doorstroming in de keten, bijvoorbeeld door het inzetten van transferverpleegkundigen en het inzichtelijk maken van de capaciteit.
Om de toegankelijkheid van de tijdelijk verblijf bedden te waarborgen heb ik advies gevraagd aan het Zorginstituut Nederland om de afspraken te verduidelijken zodat het duidelijk is voor het veld wie waar aanspraak op maakt. Daarnaast gaat er binnenkort een aanwijzing naar de NZa om te starten met een experimentbekostiging in het tijdelijk verblijf met als doel het komen tot bekostiging voor het tijdelijk verblijf. Dit ook om de toegankelijkheid op langere termijn te waarborgen. Daarnaast voert de NZa periodiek kostenonderzoeken uit om tot dekkende tarieven te komen voor deze tijdelijke verblijfsvormen. Dit vergroot de beschikbaarheid en dus ook de toegankelijkheid van de tijdelijk verblijfbedden.
De voorziene besparingen in de Wet langdurige zorg (Wlz) zijn gekoppeld aan de invoering van het kwaliteitskompas in de ouderenzorg, de behandeling in de Wlz en het meerjarig contracteren. Daarnaast zal in de periode 2024 tot en met 2026 het budget voor de Wlz toenemen van € 35,6 naar € 37,4 mld (exclusief loon- en prijsbijstellingen), waarmee een adequaat Wlz-kader beschikbaar is om Wlz-zorg te leveren.
Ja. Het aanpakken van de personeelskrapte heeft de aller grootste prioriteit. Dit doen we langs de drie beleidslijnen. Het verminderen van de tijd die zorgverleners besteden aan administratieve lasten (nu 30–40% van werktijd), onder meer door slim gebruik van AI, digitale werkwijzen en standaardisatie, deregulering en vereenvoudiging door het doorlichten van wetgeving. Ook zet ik in op de juiste inzet van medewerkers door een goede samenwerking met mantelzorgers en informele zorg en ondersteuning, het invoeren van arbitrage tussen zorgwetten en het stimuleren van innovaties. En als laatste het vergroten van vakmanschap en werkplezier.