Ingediend | 23 maart 2017 |
---|---|
Beantwoord | 9 mei 2017 (na 47 dagen) |
Indiener | Madeleine van Toorenburg (CDA) |
Beantwoord door | Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
Onderwerpen | criminaliteit openbare orde en veiligheid |
Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2017Z03965.html |
Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20162017-1786.html |
Ja
Het openbaar ministerie (OM) neemt bedreigingen, zeker tegen personen met een publieke taak, hoog op. Normaal gesproken zou de zaak dan ook zonder meer meteen tot een vervolging hebben geleid.
De desbetreffende persoon wordt verdacht van een in 2015 gepleegde bedreiging van de burgemeester van de gemeente Gilze en Rijen en twee ambtenaren. De advocaat van deze persoon heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant in november 2016 op grond van artikel 36 Wetboek van Strafvordering verzocht om de nog niet voortgezette zaak met betrekking tot de bedreiging te beëindigen, mede omdat de persoon in een andere en omvangrijkere zaak ook diende voor te komen. Inmiddels is de persoon in maart 2017 voor die zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar en 7 maanden wegens grootschalige wapenhandel. De persoon is in januari 2017 ook reeds veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar en 3 maanden wegens het wegmaken van een lijk en het bezit van een vuurwapen met munitie en een geluiddemper.
In het licht van de recente veroordeling door de rechtbank Zeeland-West-Brabant en de toentertijd te verwachten veroordeling in Amsterdam (de eis was reeds uitgesproken), heeft de officier van justitie zich uiteindelijk niet verzet tegen het verzoek van de advocaat van de persoon om de zaak te beëindigen. De verwachting van het OM was dat de persoon, gelet op artikel 63 Wetboek van Strafrecht (dat ertoe verplicht om bij de strafoplegging rekening te houden met tussentijdse veroordelingen) en de rechtspraktijk, niet nog een noemenswaardige straf zou krijgen voor de bedreigingen.
De rechtbank heeft evenwel het verzoek tot beëindiging van de zaak op 4 april 2017 niet-ontvankelijk verklaard wegens een procedurele reden. De rechtbank heeft hierbij nog overwogen dat indien het verzoek wel ontvankelijk zou zijn geweest, het verzoek gelet op de belangen van de rechtstreeks belanghebbenden zou zijn afgewezen. Dit betekent dat het OM de strafrechtelijke vervolging ter zake de bedreigingen nog kan voortzetten. In het licht van deze uitspraak heeft het OM alsnog besloten betrokkene te vervolgen voor de bedreiging. De zaak zal zo spoedig mogelijk op zitting worden aangebracht.
Zoals uit het vorenstaande blijkt was er overigens geen sprake van een sepotbeslissing, maar van een verzoek aan de rechtbank om de zaak te beëindigen.
Zie antwoord vraag 2.
Het OM neemt bedreigingen tegen personen met een publieke taak hoog op. Het OM heeft de burgemeester van Gilze en Rijen kort na de zitting bij de rechtbank laten weten dat de persoon vervolgd had kunnen worden, maar dat dit met het oog op het bepaalde in artikel 63 Wetboek van Strafrecht niet is gebeurd. Gelet op de recente uitspraak van de rechtbank zal de vervolging worden voortgezet en zal de zaak tegen de persoon zo spoedig mogelijk op zitting worden aangebracht.
Door een miscommunicatie zijn de benadeelden niet tijdig en vooraf ingelicht over het standpunt van het OM. Daardoor werden zij tijdens de zitting onaangenaam verrast door het standpunt van het OM. Het OM betreurt deze gang van zaken en heeft hiervoor zijn excuses aangeboden.
Het OM heeft de aanpak van geweld tegen werknemers met een publieke taak en functionarissen in het openbaar bestuur tot prioriteit gesteld. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft geoordeeld dat de belangen van de rechtstreeks belanghebbenden in de onderhavige strafzaak op grove wijze zijn veronachtzaamd. Het OM heeft dan ook zijn excuses aangeboden voor deze gang van zaken en heeft aangegeven dat het bedreigingen tegen gezagsdragers hoog opneemt. Het OM is nu van oordeel dat een andere keuze had moeten worden gemaakt.
Aangezien geen sprake is van een beleidswijziging met betrekking tot de aanpak van geweld tegen werknemers met een publieke taak en functionarissen in het openbaar bestuur, maar van een (betreurenswaardig) incident, zie ik geen aanleiding in overleg te treden met het OM.
Hierbij deel ik u mede dat de schriftelijke vragen van het lid Van Toorenburg (CDA) van uw Kamer aan de Minister van Veiligheid en Justitie over het bericht «Wapenhandelaar vrijuit na bedreiging burgemeester Gilze en Rijen» (ingezonden 23 maart 2017) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie is ontvangen. Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.