Kamerstuk 36566-25

Uitvoering van de motie van het lid Beckerman over het uitvoeren van de motie-Beckerman/Bushoff over niet langer doorprocederen tegen gedupeerden die een rechtszaak tegen de Staat hebben gewonnen (Kamerstuk 36566-16)

Dossier: Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met het herstel van omissies en het aanbrengen van verduidelijkingen

Gepubliceerd: 21 februari 2025
Indiener(s): van Marum
Onderwerpen: landbouw organisatie en beleid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36566-25.html
ID: 36566-25

Nr. 25 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 februari 2025

Met deze brief informeer ik uw Kamer over de omgang met de op 4 februari jl. aangenomen motie Beckerman1, die de regering verzoekt om de motie Beckerman/Bushoff2 over niet langer doorprocederen tegen gedupeerden van de gaswinning in Groningen die een rechtszaak tegen de Staat hebben gewonnen alsnog uit te voeren.

Ik heb eerder, onder meer in debatten met uw Kamer, benadrukt dat dit een kwestie is waar ik niet lichtzinnig over denk. Aan de uitvoering van de betreffende motie ligt een afweging ten grondslag die raakt aan het bredere belang van rechtszekerheid en het waarborgen van een goede, gelijke schadeafhandeling voor alle gedupeerden. Op 23 januari jl. heb ik uw Kamer uitgebreid geïnformeerd over mijn overwegingen hieromtrent3, in navolging van een door mijn ambtenaren verzorgde technische briefing op 11 december 2024 en een Kamerbrief op 28 november 2024 met nadere toelichting over het instellen van hoger beroep door het IMG.4

Zoals ook aangegeven, onderschrijf ik de geest van de motie en is en blijft het uitgangspunt dat het IMG in beginsel niet meer in hoger beroep gaat. De enige uitzondering hierop vormt de situatie waarin een zwaarwegend, breder belang van rechtszekerheid in de schadeafhandeling in het geding is. Ik moet constateren dat er geen nieuwe feiten aan de orde zijn die leiden tot een hernieuwde afweging. Mijn conclusie blijft daarom dat ik aan deze motie geen uitvoering kan geven. Kortheidshalve verwijs ik naar bovengenoemde Kamerbrieven voor een nadere toelichting.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E. van Marum