Vastgesteld 5 juli 2024
Inhoudsopgave |
blz. |
|
---|---|---|
I. |
ALGEMEEN DEEL |
1 |
1. |
Inleiding |
3 |
2. |
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel |
3 |
2.1 |
Aanleiding en doel van de regeling |
4 |
2.2 |
Rapporten en verkenningen |
4 |
2.3 |
Keuzes voor het wetsvoorstel |
5 |
2.4 |
Hybride vergaderingen |
7 |
3. |
Verhouding tot hoger recht |
9 |
4. |
Gevolgen voor burgers, bedrijven en medeoverheden |
9 |
5. |
Uitvoering |
9 |
6. |
Advies en consultatie |
9 |
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel om digitaal vergaderen door vertegenwoordigende lichamen van decentrale overheden mogelijk te maken. Deze leden hebben over het voorliggende wetsvoorstel enkele zorgen en een aantal vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen goed dat tijdens specifieke noodsituaties, zoals bijvoorbeeld tijdens de hevige pieken van de COVID-19 pandemie, het wenselijk kan zijn om door vertegenwoordigende lichamen digitaal vergaderen mogelijk te maken. Het democratisch proces moet immers ook in dergelijke situaties voortgang kunnen vinden. Deze leden lezen in het voorliggende wetsvoorstel dat de permanente mogelijkheid wordt gecreëerd om digitaal vergaderen mogelijk te maken. Zij vinden het verstandig dat er een regeling is voor noodsituaties, maar hebben – net als de Afdeling advisering van de Raad van State en bijvoorbeeld de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden (hierna: NVvR) en StatenlidNu – zorgen over het verschuiven van fysieke vergaderingen naar digitale vergadering. Deze leden vinden de openbaarheid van vergaderingen van groot belang en zij delen dan ook de zorgen van de genoemde adviezen. Ook wijzen deze leden op het belang van het contact tussen volksvertegenwoordigers onderling en met andere betrokkenen rondom fysieke vergaderingen.
Tot slot hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog een zorg over de transparantie van vergaderingen van algemene besturen van gemeenschappelijke regelingen. Hier worden soms besluiten genomen die veel impact kunnen hebben op de lokale of regionale samenleving, maar er is hierover vaak veel onbekend bij inwoners. Deelt de regering deze zorgen? De voorliggende wet wijzigt ook de Wet gemeenschappelijke regeling. Kan de regering aangeven hoe de vergaderingen die onder deze wet plaatsvinden meer onder de aandacht kunnen worden gebracht van inwoners en hoe geborgd wordt dat ook digitale vergaderingen onder deze wet breed bekend worden gemaakt?
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel met betrekking tot digitaal vergaderen van decentrale overheden. Daar waar deze leden het hebben over het gemeentelijk niveau doelen zij tevens op de andere decentrale overheden, waar het wetsvoorstel betrekking op heeft. Graag willen zij een aantal vragen aan de regering stellen.
De leden van de NSC-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Wel hebben deze leden nog een negental vragen.
De leden van de NSC-fractie lezen dat de Raad van State zorgen heeft over het steeds verder normaliseren van het hybride en online vergaderen. Hoe reflecteert de regering hierop en ziet zij een volledige gelijkstelling van fysiek, online en hybride vergaderen op termijn als een mogelijkheid?
De leden van de NSC-fractie constateren dat er, naast voordelen, ook risico’s zijn verbonden aan online en hybride vergaderen. In lijn daarmee vragen deze leden welke kaders en richtlijnen de regering mee wil geven om de veiligheid van dergelijke vergaderingen te waarborgen. Wil de regering daarbij ook specifiek ingaan op de wijze waarop identificatie gewaarborgd wordt?
De leden van de NSC-fractie constateren dat veel data van online vergaderingen en online chats in andere landen wordt bewaard en opgeslagen. In deze landen gelden soms andere privacyregels en -wetgeving. Welke maatregelen wil de regering nemen om deze data – indien nodig – zo veel mogelijk te beschermen?
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorliggende voorstel. Deze leden ondersteunen de wens om de Tijdelijke wet digitaal vergaderen decentrale overheden (hierna: Tijdelijke wet) die digitaal vergaderen voor decentrale overheden mogelijk maakt een permanent karakter te geven. Zij zien ook dat er zorg is gedragen voor de toegankelijkheid en openbaarheid van de raadsvergaderingen, zoals vastgelegd in artikel 125 van de Grondwet. Zij benadrukken het belang hiervan. Zij hebben nog wel enkele vragen over de wijze waarop besloten kan worden tot digitaal vergaderen.
De leden van de SP-fractie hebben de Wet digitaal vergaderen decentrale overheden gelezen. Deze leden hebben hier nog enkele vragen over.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden vinden het onvoldoende duidelijk wat de precieze reikwijdte van het voorstel is die de regering beoogt. Deze leden vinden het positief dat naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State aanscherpingen zijn doorgevoerd, maar zij hebben de indruk dat aan het bijzondere karakter van de fysieke bijeenkomsten van de volksvertegenwoordiging nog onvoldoende recht wordt gedaan.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet digitaal vergaderen decentrale overheden. Deze leden zijn zeer kritisch op voorliggend wetsvoorstel omdat het wetsvoorstel het belang miskent van fysiek vergaderen door volksvertegenwoordigers voor een volwaardig democratisch proces. Deze leden maken van de gelegenheid gebruik vragen te stellen over voorliggend wetsvoorstel.
De leden van de VVD-fractie achten het in het algemeen een goede zaak dat er wettelijk wordt geregeld dat gemeenteraden in bepaalde bijzondere omstandigheden digitaal bijeen kunnen komen en besluiten kunnen nemen, want ook in die bijzondere omstandigheden moet er bestuurd kunnen worden. Dan is een digitale vergadering te verkiezen boven het in het geheel niet bijeenkomen als gemeenteraad. Ook in de praktijk is er, zo is gebleken, behoefte aan een permanente regeling. Maar het is goed dat fysiek vergaderen het uitgangspunt blijft. Fysiek vergaderen heeft in een democratie zeker een meerwaarde, zo menen deze leden.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering klip en klaar te stellen dat de norm voor vergaderingen van volksvertegenwoordigers een fysieke vergadering is die, tenzij besloten, laagdrempelig bezocht kan worden voor geïnteresseerde bewoners, pers of andere belangstellenden. Erkent de regering dat met voorliggend wetsvoorstel deze norm onder druk komt te staan? Zo nee, waarom niet?
Met het wetsvoorstel maakt de regering het mogelijk voor decentrale overheden om digitaal te vergaderen. De regering laat daarbij nadrukkelijk ruimte voor lokale afwegingen, waarmee de digitale vergaderwijze in meer situaties is toegestaan dan alleen in landelijke noodgevallen, zoals de COVID-19 crisis. De leden van de VVD-fractie vragen de regering dit nader te motiveren. Hoe past deze bredere reikwijdte van het wetsvoorstel in de wijziging die de regering in het wetsvoorstel heeft aangebracht naar aanleiding van het advies van de Raad van State? Met die wijziging is er immers voor gekozen om de digitale vergadering niet gelijkwaardig te laten zijn aan de fysieke vergadering en dat de digitale vergadering alleen als een alternatief mag dienen in het geval van bijzondere omstandigheden. Door in dezen ruimte te laten voor lokale afwegingen kunnen er grote verschillen tussen gemeenten ontstaan. De ene gemeente zal eerder tot digitaal beraadslagen overgaan dan de andere gemeente. Zijn er criteria die aan gemeenteraden kunnen worden meegegeven? Waarom is er niet voor gekozen om in de wet een algemeen geformuleerde bepaling op te nemen, waaruit blijkt dat digitaal vergaderen de uitzondering is? In hoeverre biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid dat in een gemeente digitaal vergaderen de norm wordt? Dit zou wat deze leden betreft onwenselijk zijn. In hoeverre zal er straks een afwisseling plaatsvinden tussen digitaal dan wel fysiek vergaderen? Het komt deze leden voor dat er geen sprake van bijzondere omstandigheden kan zijn als er afwisselend fysiek en digitaal kan worden vergaderd, tenzij er zich kort achter elkaar bijvoorbeeld een grote ordeverstoring en een grote brand voordoen. Deze leden krijgen graag een reactie van de regering op de hier gestelde vragen en aangestipte punten.
Wat als later blijkt dat het niet nodig was om een digitale vergadering te houden, maar de raad gewoon fysiek bijeen had kunnen komen? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie.
In de memorie van toelichting wordt het voorbeeld genoemd van het houden van een spoedeisende vergadering in de zomer omdat er iets niet goed in het bestemmingsplan is geregeld. In hoeverre is die situatie een bijzondere omstandigheid die een digitale vergadering noodzakelijk maakt? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie van de regering.
De leden van de SP-fractie constateren dat de digitale vergadering alleen bij hoge uitzondering plaatsvindt. Deze leden constateren ook dat dit dus niet alleen geldt voor infectieziektes, maar ook dat andere gevallen zich kunnen voordoen. Kan de regering aangeven wanneer dit kan gebeuren en dit ook met een aantal voorbeelden illustreren?
Een belangrijk democratische waarborging in een digitale setting is de identificatie van raadsleden. Zoals de regering stelt, zijn er geen noemenswaardige bezwaren voortgekomen uit de evaluatie van de Tijdelijke wet en dat het digitaal vergaderen voldeed aan de eisen. Echter, in het licht van de snelle ontwikkelingen die elkaar opvolgen in het digitale domein en in het licht van de huidige geopolitieke situatie, vragen de leden van de VVD-fractie zich af in hoeverre dit wetsvoorstel voldoende houvast biedt voor toekomstige ontwikkelingen. Hoe kunnen bijvoorbeeld deepfakes tegengegaan worden? In hoeverre blijft de identificatie echt voldoende verzekerd digitaal, nu en in de toekomst? Deze leden vragen om een nadere reactie van de regering hierop.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering te reflecteren op de reikwijdte van het wetsvoorstel in relatie tot de behoeften van volksvertegenwoordigers die uit de peilingen blijken. Deze leden wijzen erop dat een groeiend deel van de vertegenwoordigers in veel meer reguliere situaties gebruik zouden willen maken van digitaal vergaderen, terwijl de toelichting geen aanleiding geeft om te veronderstellen dat het voorstel daarvoor ruimte biedt. Tegelijk zouden volksvertegenwoordigers aan het onderstrepen van het belang van lokale autonomie en het onbepaalde criterium bijzondere omstandigheden de verwachtingen kunnen ontlenen dat zij in veel meer situaties digitaal kunnen vergaderen. Deze leden vragen of de regering onderkent dat de tekst van het voorstel te hoge verwachtingen en daarmee ook teleurstellingen kan oproepen.
De leden van de SGP-fractie vragen of de erkenning dat digitaal vergaderen belangrijke beperkingen kent inzake communicatie niet tot een uitdrukkelijker onderstreping van het uitzonderingskarakter van het wetsvoorstel zou moeten leiden. Deze leden wijzen erop dat het aspect «communicatie» de kern raakt van het functioneren van een volksvertegenwoordiging. De constatering dat het digitaal vergaderen belangrijke manco’s kent, zou tot grote terughoudendheid moeten nopen. Deze leden proeven die terughoudendheid niet in de wijze waarop het digitaal vergaderen wordt besproken.
De leden van de SGP-fractie vragen wat de implicaties zijn van de constatering uit onderzoeken en ervaringen van politici dat communicatie bij digitaal vergaderen wezenlijke beperkingen kent voor de toepassing van het grondwettelijke begrip «vergaderen van de volksvertegenwoordiging». Onderkent de regering dat met goed recht betoogd kan worden dat van vergaderen in wezenlijke, volle zin geen sprake is bij het digitaal samenkomen van een volksvertegenwoordiging en dat de grondwettelijke ruimte daarom erg beperkt is?
De leden van de ChristenUnie-fractie herkennen zich in het standpunt van de Raad van State dat fysiek vergaderen en digitaal vergaderen juridisch niet gelijkwaardig zijn aan elkaar, zoals de oorspronkelijke stellingname was. Deze leden zijn daarom blij dat de regering zich deze kritiek heeft aangetrokken en deze stellingname heeft ingetrokken. De regering ging, zoals de Raad van State stelde, voorbij aan «de intrinsieke waarde van de fysieke vergadering van een volksvertegenwoordiging waarbij, voor iedereen zichtbaar en in een daarvoor speciaal ingerichte zaal, de eenheid van de politieke gemeenschap tot uitdrukking wordt gebracht en de leden in gezamenlijkheid en in onderlinge interactie beraadslagen en besluiten. Deze samenkomst, vaak met rituelen omgeven, heeft als zodanig een publieke betekenis, waaraan een volksvertegenwoordiging mede zijn gezag ontleent.»
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn blij dat de regering de kritiek op het oorspronkelijke wetsvoorstel ter harte heeft genomen en nu ook het uitgangspunt hanteert dat vergaderingen fysiek zijn, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die digitaal vergaderen noodzakelijk maakt. Deze leden vragen de regering om nader in te gaan op wat nu precies verstaan moet worden onder het begrip «bijzondere omstandigheden». Kan de regering hier een specifiekere definitie over formuleren? In de memorie van toelichting wordt nu gesproken over «samengevat gaat het om situaties die onvoorspelbaar zijn, die niet beïnvloedbaar zijn door het gemeentebestuur zelf, en die daadwerkelijk een belemmering vormen voor een vergadering in fysieke vorm». Deze leden vragen zich af of deze definitie helder genoeg is om te voorkomen dat er digitaal vergaderd wordt om redenen die eigenlijk niet met het voorliggende wetsvoorstel worden bedoeld. Kan de regering nader op deze zorgen ingaan? Kan de regering ook aangeven op welke wijze gemonitord wordt dat de definitie door provinciale staten, gemeenteraden, eilandraden en algemene besturen niet breder wordt geïnterpreteerd?
Voorgesteld wordt om in geval van «bijzondere omstandigheden» de raad te kunnen laten vergaderen langs elektronische weg. Het gaat daarbij om situaties die onvoorspelbaar zijn, die niet beïnvloedbaar zijn door het gemeentebestuur zelf, en die daadwerkelijk een belemmering vormen voor een vergadering in fysieke vorm. Het wetsvoorstel is daarmee qua reikwijdte breder dan «crises». De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader te motiveren waarom het wetsvoorstel qua reikwijdte breder is dan «crisessituaties».
De leden van de NSC-fractie constateren dat digitaal vergaderen alleen mogelijk zal zijn in bijzondere omstandigheden, maar dat deze bijzondere omstandigheden in het wetsvoorstel niet ingevuld of gelimiteerd worden. De leden begrijpen dat een limitatieve lijst aan omstandigheden onwenselijk is, maar vinden tegelijkertijd dat dit criterium niet volledig ter vrije bepaling gelaten moet worden. Welke manieren zijn er om het criterium van «bijzondere omstandigheden» nader in te vullen, zodat er meer richtlijnen komen waaraan getoetst kan worden?
De leden van de NSC-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de invulling van het criterium «bijzondere omstandigheden» voorbehouden is aan de decentrale volksvertegenwoordiging. De mogelijkheid kan zich daarom voordoen dat de raden dit criterium zodanig breed interpreteren dat bij een kleine belemmering (denk aan gemiddelde tot hevige regenval) al een beroep wordt gedaan op deze bijzondere omstandigheid. Wat doet de regering als reden een te brede invulling geven aan het criterium van «bijzondere omstandigheden»?
De leden van de NSC-factie lezen in de memorie van toelichting dat de meerderheid van de raad de vergadermodaliteit bepaalt. Uit het evaluatierapport blijkt dat politieke partijen de verschillende vergadermodaliteiten gebruiken om besluiten door te drukken. Met name bij raden waar de sfeer al negatief is dit een groot risico, blijkt uit het evaluatierapport. In hoeverre is het wenselijk dat de keuze voor vergadermodaliteit gepolitiseerd wordt? Welke maatregelen kunnen in het huidig wetsvoorstel genomen worden om ervoor te zorgen dat de keuze voor de vergadermodaliteit niet gepolitiseerd wordt?
De leden van de NSC-factie lezen in de memorie van toelichting dat de meerderheid van de raad de vergadermodaliteit bepaalt. Uit het evaluatierapport blijkt dat politieke partijen de verschillende vergadermodaliteiten kunnen gebruiken om besluiten door te drukken. Welke mogelijkheden hebben minderheidsfracties om de beslissing van de meerderheid aan te vechten?
De leden van de NSC-fractie lezen in de memorie van toelichting dat het gebrek aan sociaal contact en debat nadelen van digitaal vergaderen zijn. De leden kunnen zich inbeelden dat deze nadelen met name bezwarend zijn als belangrijke of gevoelige besluiten op de agenda van de raad staan. Hoe gaat de regering ervoor zorgen dat met dit huidig wetsvoorstel er voldoende ruimte is voor debat bij belangrijke en gevoelige besluiten? Heeft de regering onderzocht of debatten waarin belangrijke en gevoelige besluiten genomen worden, uitgesloten kunnen worden van de mogelijkheid om digitaal te vergaderen?
De leden van de NSC-fractie constateren dat het huidig wetsvoorstel veel ruimte laat aan raden om zelf in een reglement van orde nadere regels vast te stellen over digitale en fysieke vergaderingen. Nederland heeft ongeveer 340 gemeentes. Het risico bestaat dus dat er een grote variëteit aan regels komt die van wisselende kwaliteit kan zijn. Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om minimumregels vast te stellen, zodat de kwaliteit gewaarborgd blijft en er minder kans bestaat op politisering?
De leden van de D66-fractie lezen dat de raad zelf bij meerderheid kan beslissen of een vergadering digitaal plaatsvindt. Deze leden begrijpen deze keuze. Wel vragen zij de regering op welke wijze is geborgd dat een minderheid zich niet consequent gepasseerd ziet in de keuze voor digitaal vergaderen. Is het denkbaar dat een meerderheid voor een langere periode vergaderingen digitaal laat plaatsvinden, met de genoemde negatieven van dien, en daarmee een minderheid van bijvoorbeeld oppositiepartijen op een achterstand zet, zo vragen zij. Welke mogelijkheid heeft een minderheid om tegen het besluit van de meerderheid bezwaar aan te tekenen of in beroep te gaan? Door wie en op basis van welke criteria kan getoetst worden of er op passende wijze gebruik wordt gemaakt van een beroep op «bijzondere omstandigheden»?
De leden van de D66-fractie ondersteunen dat er voor bepaalde vergaderingen uitzonderingen worden gemaakt op het digitaal vergaderen. Reguliere stemmingen behoren niet tot die lijst van uitzonderingen. Op welke manier wordt gewaarborgd dat raadsleden vrij en onafhankelijk kunnen spreken en stemmen tijdens digitale vergaderingen, zo vragen deze leden. Zij denken bijvoorbeeld aan een situatie waarbij een raadslid buiten beeld van de camera onder druk kan worden gezet om op een bepaalde manier te stemmen die niet denkbaar is in de omgeving van een Raadszaal. Mogen bijvoorbeeld andere personen plaatsnemen naast de raadsleden tijdens de digitale vergaderingen, vragen zij tevens.
De leden van de SGP-fractie lezen dat de regering het logisch zou vinden dat gemeenteraden in hun reglement de keuze voor digitaal neerleggen. Deze leden vragen waarom het wetsvoorstel, gelet op het belang ervan, niet uitdrukkelijk bepaalt dat gemeenten vastleggen in welke situaties digitaal vergaderen aan de orde kan zijn. Zij wijzen op het advies van het genootschap van burgemeesters dat een dergelijke verplichting het risico op politisering kan verkleinen.
De leden van de SGP-fractie hebben de indruk dat het criterium «bijzondere omstandigheden» te weinig uitdrukt wat de bedoeling van de regering blijkens de toelichting is. Het criterium «bijzondere omstandigheden» is als zodanig erg onbepaald en kan in de praktijk eenvoudig opgerekt worden. Uit de toelichting hebben deze leden echter twee kernelementen opgemaakt die tot een zeer strikte interpretatie van dit criterium zouden moeten leiden, namelijk dat sprake is van calamiteiten en dat sprake is van een belemmering voor het daadwerkelijk bijwonen van een fysieke vergadering. Deze leden vragen waarom de regering deze kernelementen niet specifieker tot uitdrukking heeft gebracht, met behoud van de lokale vrijheid om deze elementen in de praktijk toe te passen. Zij vinden het belangrijk dat de regering meer duidelijkheid biedt over de specifieke bedoeling van het wetsvoorstel.
De leden van de SGP-fractie menen dat de regering erg minimalistisch te werk is gegaan bij het regelen van de uitzonderingen. Deze leden vragen waarom bijvoorbeeld naast de procedure rond het benoemen van de burgemeester niet ook de benoeming van wethouders opgenomen is. En waarom zijn belangrijke besluiten zoals het instemmen met een gemeentelijke grenscorrectie niet uitgesloten van digitaal vergaderen? Zou de regering nog eens grondig willen overwegen of voor de zekerheid een ruimere categorie in het voorstel afgebakend kan worden om zeker te stellen dat digitaal vergaderen bij bijzondere momenten niet aan de orde zal zijn?
De Raad van State acht, in lijn met de evaluatie van de tijdelijke regeling, een voorziening nodig voor noodsituaties en acht het voorstelbaar om digitaal vergaderen in specifieke gevallen mogelijk te maken voor zaken die betrekking hebben op zuiver interne aangelegenheden van de raad. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om expliciet uit te leggen hoe het uiteindelijke wetsvoorstel zich verhoudt tot dit advies van de Raad van State en eventuele afwijkingen te motiveren.
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn zeer kritisch op de keuze van de regering om digitaal vergaderen permanent mogelijk te maken en de invulling hiervan aan gemeenteraden over te laten. De Raad van State is op dit punt ook zeer kritisch en vraagt de regering om de term «noodsituaties» te definiëren. Kan de regering nader motiveren waarom niet gekozen is om de kritiek van de Raad van State te volgen en niet gekozen is voor een wettelijke beperking van de mogelijkheden.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering nader uit te leggen voor welke situaties er de mogelijkheid zal komen om digitaal te vergaderen. Deze leden vragen de regering of dit enkel beperkt is tot crisissituaties waar fysieke beraadslaging niet mogelijk is en de normale gang van zaken van de lokale democratie belemmerd zou worden. Op welke wijze zijn de bijzondere omstandigheden nu gedefinieerd en is dit naar overtuiging van de regering voldoende beperkt tot crisissituaties? Is het wetsvoorstel enkel beperkt tot deze situaties, zo vragen deze leden.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat de verhouding is tussen de termen «crisissituatie» en «bijzondere omstandigheden».
Een ander vraag die de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben, betreft de maximale duur van de mogelijkheid om te experimenteren met hybride vergaderingen. Waarom is er voor drie jaar gekozen door de regering? Deelt de regering de zorg dat dit wel een groot deel is van een legislatuur van vier jaar? Waarom is er bijvoorbeeld niet gekozen voor een periode van maximaal een jaar, met daarna de mogelijkheid om dit te verlengen na een zorgvuldige evaluatie?
Voorgesteld wordt om te gaan experimenteren met hybride vergaderingen, waarbij een deel van de gemeenteraadsleden gezamenlijk fysiek aanwezig is, terwijl gelijktijdig een ander deel online deelneemt aan dezelfde vergadering. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen daartoe aangewezen gemeenten voor de periode van ten hoogste drie jaren gebruik maken van de mogelijkheid om hybride te vergaderen. De leden van de VVD-fractie willen de regering daarover graag een aantal vragen stellen.
Is het voor hybride vergaderingen ook nodig dat er sprake is van «bijzondere omstandigheden» of kunnen de aangewezen gemeenten in het algemeen besluiten om hybride te vergaderen? Waarop is de termijn van «ten hoogste drie jaren» gebaseerd? In hoeverre is het mogelijk om in een korter tijdsbestek dan drie jaar een goed beeld van het experiment te hebben? De leden van de VVD-fractie gaan ervan uit dat de Minister van BZK overleg heeft met de gemeenten die het ministerie in gedachten heeft voor dit experiment en gemeenten ook kunnen weigeren om aan dat experiment deel te nemen, klopt dit? Behoort verlenging van de AMvB tot de mogelijkheden? Wanneer, zo is de verwachting, zal de regering de onderhavige AMvB aan de beide Kamers voorleggen? Graag krijgen deze leden een reactie.
De leden van de VVD-fractie lezen dat ingevolge lid 5 van het nieuwe artikel 19b van de Gemeentewet de Minister van BZK voor het einde van de werkingsduur van de AMvB een verslag aan de Staten-Generaal zendt over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment. In hoeverre kan daaruit voortvloeien dat er bij de Kamer een wetsvoorstel wordt ingediend om hybride vergaderen permanent mogelijk te maken? In lid 6 van het voorgestelde artikel 19b staat namelijk dat het vijfde lid niet van toepassing is indien voor het einde van de werkingsduur een voordracht plaatsvindt van een voorstel van wet waarmee in het onderwerp van de AMvB wordt voorzien. Hoe verhoudt een en ander qua tijdsverloop zich tot elkaar? Waarom wordt het experiment niet eerst gewoon geëvalueerd en wordt daarna besloten om al dan niet een wetsvoorstel in te dienen waarmee het hybride vergaderen permanent en in het algemeen mogelijk wordt?
Verder vragen de leden van de VVD-fractie aandacht voor het volgende. De NVvR suggereert experimenten met hybride vormen van vergaderen te beproeven in andere vergadervormen dan de besluitvormende raadsvergadering, bijvoorbeeld de commissievergadering of vergaderingen van het presidium. Hoe beoordeelt de regering deze suggestie? Graag krijgen deze leden een reactie van de regering.
Herkent de regering de zorg dat voorliggend wetsvoorstel de route opent om hybride vergaderingen mogelijk te maken waarmee het belang van fysiek vergaderen wordt ondermijnd, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. De NVvR is zeer kritisch op voorliggend wetsvoorstel. Deze leden herkennen zich in veel zaken die de NVvR naar voren brengt. Zij stellen dat de raadsvergadering geen plek moet zijn voor experimenten. Deze leden vragen de regering hierop te reageren.
Welk doel dient het experimenteren met andere vormen van vergaderen dan de klassieke vergadering, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Vormen deze experimenten een bijdrage aan het functioneren van het democratisch debat? En zo ja, op welke wijze?
Welke inhoudelijke verschillen ziet de regering tussen digitaal en fysiek vergaderen wanneer het gaat om vergadercultuur, ruimte voor debat en besluitvorming, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Erkent de regering het belangrijke uitgangspunt van voldoende tijd en ruimte voor het democratisch debat in de raad en met de samenleving?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom niet gekozen is om de experimenteerbepaling te beperken tot bijvoorbeeld commissievergaderingen in plaats van de raadsvergadering. Deze leden vragen de regering of via de experimenteerbepaling de standaard fysieke vergadervorm niet aan erosie onderhevig wordt.
De leden van de SGP-fractie vinden dat de regering op erg povere wijze ingaat het constitutionele kader uitwerkt en behandelt. Deze leden hebben de indruk dat dit primair te maken heeft met de wijze waarop de Grondwet wordt beschouwd. De regering volstaat vrijwel uitsluitend met een instrumentalistische lezing van de Grondwet waarin de twee begrippen «vergaderen» en «openbaarheid» vooral taalkundig worden bezien. Welk gewicht kent de regering toe aan het feit dat de Grondwetgever zich geen andere situatie kon voorstellen dat die van de fysieke vergadering met de bijbehorende bijzondere kenmerken? Vergt die constatering niet een veel terughoudender opstelling en staat die constatering niet in ieder geval in de weg aan de algemene stelling dat de Grondwet digitaal vergaderen toelaat? Deze leden vinden dat de door de regering aangevoerde taalkundige analyse te weinig gewicht in de schaal legt om afwijkingen van de lange constitutionele traditie van de fysieke vergadering in algemene zin te kunnen rechtvaardigen.
De leden van de SP-fractie vragen net als bij de Nederlandse regelgeving omtrent digitaal vergaderen ook aandacht voor de toegankelijkheid van mensen met beperkte of geen digitale toegang. Deze leden zien, net als de regering, de voordelen van digitaal vergaderen voor mensen met een fysieke beperking, maar ziet daar tegenover dat dit ook weer barrières opwerpt voor groepen die geen toegang hebben tot goed internet, ook vanwege financiële redenen, of mensen die niet vaardig zijn in het digitale domein. Dit geldt voor zowel bezoekers als raadsleden zelf. In hoeverre heeft de regering in deze wetgeving oog voor deze digitale barrières? Is de regering het met deze leden eens dat digitaal vergaderen nog steeds een minder ideaal alternatief is op fysiek vergaderen? In hoeverre komt deze voorkeur voor fysiek vergaderen terug in dit wetsvoorstel?
De leden van de SP-fractie zien dat een evaluatiecommissie zich gebogen heeft over de Tijdelijke wet waarin een aantal aanbevelingen worden gedaan. Los van de aanbeveling om een mogelijkheid te bieden voor digitaal vergaderen worden nog meer aanbevelingen gedaan zoals het verbeteren van het vergadersysteem, een onderzoek naar effecten van hybride vergaderen, zelfregulering, het bevorderen van de toegang voor journalisten en het publiek en ten slotte het versterken van de positie van de griffier. Op welke manier geeft dit wetsvoorstel gehoor aan deze aanbevelingen? Is de regering het met deze leden eens dat ook deze aanbevelingen zullen moeten worden opgevolgd voor een effectief systeem van digitaal vergaderen?
Tot slot lezen de leden van de VVD-fractie in de brief van de NVvR, naar inzien van deze leden een belangrijke actor op dit dossier, dat de NVvR kritisch is op het huidige wetsvoorstel. De NVvR meent dat digitaal vergaderen alleen mogelijk dient te zijn wanneer sprake is van een crisissituatie. Dit wetsvoorstel gaat in huidige vorm verder dan dat en leidt mogelijk tot grote onderlinge verschillen tussen gemeenten hoe zij «bijzondere omstandigheden» duiden. Is het, om die grote verschillen te voorkomen, door de regering overwogen om digitaal vergaderen alleen mogelijk te maken in crisessituaties en hierover een richtlijn te bieden? Graag krijgen deze leden een reactie van de regering.
De NVvR vindt dat digitaal beraadslagen en besluiten door de raad alleen noodzakelijk is wanneer er sprake is van een crisissituatie, waardoor fysieke beraadslaging niet mogelijk blijkt en de normale gang van de lokale democratie daarmee belemmerd zou worden. In alle overige gevallen behoort de vergadering van de raad fysiek te worden uitgevoerd omdat deze het beste past bij de raad als plek en sluitstuk van het democratisch debat in de samenleving. De leden van de SP-fractie vragen zich af of de regering het met deze uitleg eens is.
De fungerend voorzitter van de commissie, P. de Groot
Adjunct-griffier van de commissie, Easton