Kamerstuk 35447-30

Nahangprocedure voor drie artikelen van het Besluit gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden

Dossier: Regels omtrent gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden)


Q/ Nr. 30 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 18 december 2024

De wens dat de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld kan door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 11 februari 2024.

Bij deze termijn is rekening gehouden met de recesperiode van de Tweede Kamer.

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 december 2024

Hierbij bied ik u aan het Besluit gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden. Op grond van de inwerkingtredingsbepaling treedt het grootste deel daarvan in werking met ingang van 1 maart 2025, tegelijk met de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden. Voor drie artikelen is nog geen inwerkingtredingsdatum vastgesteld. Die artikelen leg ik hierbij aan u voor in het kader van de wettelijk voorgeschreven nahangprocedure, bedoeld in de artikelen 2.3, derde lid, en 2.11, derde lid, van die wet. De nahangprocedure heeft uitsluitend betrekking op de artikelen 2.1, 2.2 en 2.6 van dit besluit.1Die bepalingen gaan over de aanwijzing van aanvullende deelnemers aan het Financieel Expertisecentrum en aan de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen.

Vanwege de nahangprocedure zal het inwerkingtredingsbesluit dat betrekking heeft op deze drie artikelen niet eerder worden vastgesteld dan na vier weken na overlegging van het besluit. Met inachtneming van aanwijzing 2.38 van de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt u verzocht uiterlijk 11 februari 2025 uw zienswijze kenbaar te maken. Hoewel de inwerkingtreding van de wet en van de overige artikelen van het besluit er niet van afhankelijk is, ligt het voor de hand om de drie artikelen eveneens per 1 maart 2025 in werking te laten treden.

Bij brief van 4 april 2024 is het ontwerp van het voorliggende besluit voorgehangen bij uw Kamer.2 Deze procedure heeft niet tot reacties geleid. In het besluit heeft sindsdien één inhoudelijke wijziging plaatsgevonden. Conform het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State zijn niet in een ministeriële regeling maar in het besluit zelf de banken aangewezen die deelnemen aan de publiek-private taskforces van het Financieel Expertisecentrum, welke taskforces zich met name bezighouden met de aanpak van witwassen en terrorismefinanciering.3 Hiertoe zijn in artikel 2.2, onderdeel b, de banken bestendigd die tot op heden aan deze taskforces deelnemen.4

Een gelijkluidende brief heb ik heden gezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel