Gepubliceerd: 21 januari 2016
Indiener(s): Agnes Wolbert (PvdA)
Onderwerpen: hoger onderwijs onderwijs en wetenschap
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34355-5.html
ID: 34355-5

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 21 januari 2016

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

Inhoudsopgave

I

ALGEMEEN

2

1.

Samenvatting inhoud wetsvoorstel

2

2.

Gezamenlijk hoger onderwijs

2

3.

Wijziging van de voorschriften voor gezamenlijk hoger onderwijs

2

4.

Wijziging van de regeling voor studiekeuzeactiviteiten

3

5.

Wijziging van de regeling van het profileringsfonds in verband met het verstrekken van beurzen

3

6.

Gelijkstelling van de graad Doctor aan de graad Doctor of Philosophy

3

7.

Uitbreiding ius promovendi

4

8.

Overleg, administratieve lasten en uitvoerbaarheid

4

II

ARTIKELSGEWIJS

5

Artikel I, onderdeel H

5

I ALGEMEEN

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben daar een aantal vragen over.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden hebben nog een aantal vragen aan de regering.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.

1. Samenvatting inhoud wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie zien verdere internationalisering van het hoger onderwijs als een belangrijke ambitie. Zij zijn van mening dat voor het internationale bedrijfsleven ook een professional doctorate (PD)-route interessant kan zijn. Zij vragen waarom deze route niet is meegenomen in het wetsvoorstel.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering intensief wil stimuleren dat universiteiten of instellingen een branch of campus starten in het buitenland. Wat zijn daarvan de voordelen en wat zijn daarvan de eventuele risico's? Zij vragen of de regering de mening deelt dat in het geval van de Rijksuniversiteit Groningen en de campus in Yantai deze investering vooral wordt ingegeven met als doel om voldoende aantallen studenten en daarmee financiering te behouden. Hoeveel instellingen investeren op dit moment in campussen in het buitenland en zijn er risicovolle investeringen bij? Tevens vragen de voornoemde leden om welke bedragen het in totaal gaat.

In hoeverre bestaat er het risico dat een mislukt buitenlands avontuur financiële consequenties heeft voor de instelling in Nederland? Daarnaast vragen zij hoe de regering kan garanderen dat de Nederlandse instellingen geen risico lopen.

Zij vragen of de regering voornemens is om dit soort buitenlandse vestigingen in het buitenland te steunen. Is er een vorm van staatssteun? Tot slot vragen zij of de regering een investering in alle landen aanvaardbaar vindt, of dat er landen zijn waar zij liever geen Nederlandse campus wil zien. Als dat zo is, wat gaat zij daar mee doen, zo vragen de voornoemde leden.

2. Gezamenlijk hoger onderwijs

De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering om nader toe te lichten waarom het nodig is om een aantal maatregelen wettelijk te verankeren, ten aanzien van de gezamenlijke opleiding en gezamenlijke afstudeerrichting. Waarom is het niet afdoende om dit in beleidsregels neer te leggen? Zij ontvangen gaarne een toelichting, idem ten aanzien van de AD- programma’s1.

3. Wijziging van de voorschriften voor gezamenlijk hoger onderwijs

De leden van de VVD-fractie hechten veel waarde aan de joint, double en multiple degrees. Zij vragen de regering of zij concrete ambities hebben hoeveel van deze opleidingen in de toekomst aangeboden gaan worden. Daarnaast vragen zij of de aanpassing van het collegegeldregime ook invloed kan hebben op de collegegeldverplichtingen die de studenten hebben bij de partnerinstelling in een ander land. Heeft de regering zicht op de regels rondom het betalen van collegegeldverplichtingen bij de buitenlandse instellingen? Welke landen vragen van Nederlandse studenten collegegeld terwijl deze studenten dat jaar niet op de buitenlandse instelling les volgen? Is het de inzet van de regering om, in navolging van dit voorstel, andere (Europese) landen te overtuigen om vergelijkbare keuzes te maken? Voorts vragen de voornoemde leden welke gevolgen het voorstel van de regering heeft voor de toegang tot de studiefinanciering.

4. Wijziging van de regeling voor studiekeuzeactiviteiten

De leden van de VVD-fractie merken op dat de regering in het wetsvoorstel schrijft dat zowel aspirant-studenten met een buitenlandse als een Nederlandse vooropleiding onder het zelfde regime gaan vallen wat betreft het recht op en de verplichting van studiekeuzeactiviteiten. Zij vragen wat de te verwachten effecten zijn van de wijziging voor de aspirant-studenten met een Nederlandse vooropleiding. Krijgen instellingen meer ruimte om hen een studiekeuzeactiviteit op afstand aan te bieden? Hoe zorgt de regering ervoor dat de studiekeuzeactiviteiten van een behoorlijke omvang blijven? Voorts lezen de eerder genoemde leden dat instellingen de ruimte krijgen om differentiatie aan te brengen naar de aard van groepen studenten. Krijgen de instellingen de ruimte om alle groepen te definiëren of zijn hier grenzen aan? Zij ontvangen graag een toelichting hierop. Krijgen instellingen ook de ruimte om hele groepen uit te sluiten van de gehele verplichting van studiekeuzeactiviteiten of de 1-mei-aanmelding? Wat is het gevolg voor het recht op studiekeuzeactiviteiten voor aspirant-studenten die niet verplicht worden om deel te nemen aan studiekeuzeactiviteiten door de instelling?

5. Wijziging van de regeling van het profileringsfonds in verband met het verstrekken van beurzen

De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader te duiden welk probleem wordt opgelost en welke verwachtingen de regering heeft van dit voorstel. Verder vragen zij of na deze wijziging onderwijsinstellingen geen enkele relatie hoeven te hebben met de student die de beurs ontvangt. Zij ontvangen graag een toelichting hierop.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nader toe kan lichten waarom het mogelijk moet worden voor instellingen om vanuit hun profileringsfonds beurzen te verstrekken aan studenten in het verband met het volgen van hoger onderwijs buiten Nederland. Is het profileringsfonds hiervoor wel het juiste fonds? Immers, er zijn allerhande beurzen (Erasmusbeurs, Nuffic et cetera) die hierin voorzien. Moet het profileringsfonds niet veeleer studenten ondersteunen met een beperking of chronische ziekte, topsporters et cetera, kortom voor onderwijs dat gevolgd wordt aan de desbetreffende instelling? Deze leden ontvangen gaarne een toelichting hierop.

6. Gelijkstelling van de graad Doctor aan de graad Doctor of Philosophy

De leden van de SGP-fractie vragen of het de bedoeling van de regering is de graad Doctor of Philosophy enkel aan buitenlandse onderzoekers in Nederland te verlenen dan wel dat dit ook als reguliere optie voor alle onderzoekers gehanteerd kan worden.

Tevens vragen zij of de regering kan toelichten wie bevoegd is om, vergelijkbaar met de graden voor opleidingen, te bepalen of de benaming Doctor dan wel Doctor of Philosophy gehanteerd wordt. Deze leden constateren dat volgens het wetsvoorstel het college voor promoties bepaalt welke graad wordt verleend en dat de bovengenoemde graden gelijkwaardig zijn. Staat het onderzoekers vrij zelf te kiezen welke benaming zij kiezen, zo vragen zij.

7. Uitbreiding ius promovendi

Allereerst vragen de leden van de VVD-fractie de regering nog nader te duiden welk probleem precies opgelost wordt met de uitbreiding van het ius promovendi. In de praktijk is de promotor wellicht niet de begeleider die de meeste uren in het proces stopt, maar de hoogleraar heeft juist vanuit die functie de unieke ervaring om meerdere promoties te hebben begeleid. De andere universitaire (hoofd)docenten hebben deze kennis niet. Zij vragen hoe dit volgens de regering zal worden ondervangen. Kan de regering daarnaast helder schetsen wat het beoogde doel is, naast de gelijktrekking met de situatie in het buitenland en het recht doen aan de docenten. Als dat ook is het aantal promoties te vergroten, dan vragen de voornoemde leden waarop de regering zich baseert dat dit voorstel daartoe zal leiden. Voorts stellen de leden van deze fractie vast dat er theoretisch veel meer personen als promotor kunnen gaan optreden. Waarom heeft de regering niet voorgesteld om, naast een positief oordeel van het college voor promoties, bijvoorbeeld te stellen dat het minimaal om een universitaire hoofddocent moet gaan die ook al ervaring heeft met promoties, zo vragen de voornoemde leden tenslotte.

De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering van mening verschilt met de Raad van State over het ius promovendi. Kan de regering nader specificeren waarom het noodzakelijk is om dit uit te breiden? Tevens vragen zij hoe vaak het voorkomt dat de voorgestelde maatregelen ten aanzien van de uitbreiding noodzakelijk zijn. Dit gezien het feit dat het nu ook al voor universitair hoofddocenten mogelijk is om als co-promotor op te treden.

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering onderzocht heeft, of de Nederlandse systematiek van een exclusieve rol voor de hoogleraar, in kwalitatief opzicht juist meerwaarde kan hebben. Deze leden merken op dat het perspectief van doorstroom en loopbaanmogelijkheden niet de enige factor kan zijn, terwijl de toelichting daar wel zwaar op lijkt te leunen. Zij vragen waarom de regering er niet voor gekozen heeft in de wet minimumvoorwaarden op te nemen met betrekking tot ander personeel dan hoogleraren dat als promotor kan optreden, terwijl zij aangeeft dat andere landen basale vereisten kennen. Deze leden zouden het bijvoorbeeld voor de hand vinden liggen dat bepaald wordt dat een promotor zelf de graad van Doctor dient te bezitten.

8. Overleg, administratieve lasten en uitvoerbaarheid

De leden van de VVD-fractie merken op dat de regering graag blended learning en online onderwijs wilt faciliteren en stimuleren. Dit zijn tenslotte ook vormen van internationaal onderwijs. Zij vragen welke hindernissen de regering op dat vlak verder gaat wegnemen.

De voornoemde leden vragen de regering ten slotte wanneer in 2016 de algemene maatregel van bestuur voorgesteld zal worden.

II ARTIKELSGEWIJS

Artikel I, onderdeel H

De leden van de SGP-fractie constateren dat het voorstel als uitgangspunt kiest dat het college voor promoties de graad Doctor of Philosophy kan verlenen en dat deze graad vergelijkbaar is met Doctor, terwijl de huidige wet als uitgangspunt de graad Doctor kiest. Deze leden vragen waarom de regering het uitgangspunt heeft gewijzigd en waarom er niet voor gekozen is als aanvulling op te nemen dat de graad vergelijkbaar is met Doctor of Philosophy.

De voorzitter van de commissie, Wolbert

Adjunct-griffier van de commissie, Arends